Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC4872

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
2007/143
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Hieromtrent overweegt het hof dat voor een dergelijk verbod slechts onder uitzonderlijke omstandigheden plaats is, hetgeen met name het geval zal kunnen zijn indien de betrokken crediteur door beslag te gaan leggen ten laste van de betrokken schuldenaar misbruik van (beslag)recht jegens deze maakt, in welk geval sprake is van dreigend onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW. In dat geval zou een verbod als door [appellant] gevorderd gerechtvaardigd zijn. Daartoe is ten minste vereist dat [appellant] feiten en omstandigheden heeft gesteld die voldoende aannemelijk maken dat de Ontvanger misbruik van recht zou maken indien hij opnieuw beslag zou leggen op de woning van [appellant]. Dit is niet het geval. Ook indien (slechts veronderstellenderwijs) ervan zou worden uitgegaan dat de Ontvanger niet opnieuw beslag zou mogen leggen op de woning van [appellant] voor de twee vorderingen die nog niet geheel vaststaan – de omvangrijke aanslagen omzetbelasting onder de nummers [...] en [...] (waarvan nog bedragen openstaan ter hoogte van € 432.465,- resp. € 495.798,-) –, omdat deze zouden worden vernietigd, geldt dat [appellant] ook nog voor een drietal andere aanslagen omzetbelasting en voor een viertal aanslagen loonheffing – waarvan de (onvoldoende gemotiveerd weersproken) hoogte in totaal € 79.287,- exclusief invorderingsrente bedraagt (zodat de totale jegens [appellant] gepretendeerde vordering van de Ontvanger uitkomt op een bedrag van € 1.007.550,-, waarvoor het beslag op de woning van [appellant] was gelegd) – door de Ontvanger aansprakelijk is gesteld. Nu deze vordering reeds meer bedraagt dan de waarde van de in pand gegeven roerende zaken (ter waarde van € 45.000,-), kan hieruit reeds worden geconcludeerd dat voor een verbod als door [appellant] gevorderd geen plaats is. Dat [appellant] gemotiveerd heeft betoogd dat deze vordering, anders dan de Ontvanger heeft gesteld, nog geenszins zou vaststaan, doet daaraan niet af. Dat laatste zou slechts anders kunnen zijn indien de betrokken vordering reeds op het eerste gezicht iedere grond zou missen, hetgeen [appellant] – op wiens weg dat lag – echter in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2007

eerste civiele kamer

rolnummer 2007/143 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. F.J. Boom,

tegen:

de Ontvanger van de Belastingdienst Utrecht-Gooi,

mede kantoorhoudende te Utrecht,

geïntimeerde,

procureur: mr. L. Paulus.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 22 december 2006, in kort geding gewezen tussen appellant (hierna te noemen “[appellant]") en [appellant] Holding B.V. als eisers en geïntimeerde (hierna te noemen "de Ontvanger") als gedaagde. Dit vonnis is in fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heef bij exploot van 15 januari 2007 aangezegd van voornoemd vonnis in hoger beroep te komen, met gelijktijdige dagvaarding van de Ontvanger voor dit hof. Hij heeft aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

a. de Ontvanger zal veroordelen de beslagen, voor zover existent, op de woning aan de [adres] op te heffen alsmede zal bepalen dat het in dezen te wijzen arrest in de plaats treedt van zodanige opheffing;

b. de Ontvanger zal verbieden hernieuwd beslag te leggen te dezer zake op de woning aan de [adres], zulks op straffe van een zodanige dwangsom als het hof juist acht voor iedere dag of dagdeel dat de Ontvanger in strijd met dit verbod handelt;

c. de Ontvanger zal veroordelen de in vuistpand gegeven goederen onbezwaard vrij te geven en op eigen kosten aan [appellant] te retourneren;

d. de Ontvanger zal veroordelen tot het vergoeden aan [appellant] van de kosten voor taxatie en vervoer naar de dienst Domeinen te Hoogeveen van de in vuistpand gegeven goederen;

e. de Ontvanger zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven geformuleerd en toegelicht, heeft hij producties in het geding gebracht en heeft hij geconcludeerd overeenkomstig de eis zoals vervat in voormeld exploot.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de Ontvanger de grieven bestreden en heeft hij geconcludeerd dat het hof bij arrest, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit hoger beroep.

2.4 Nadat door partijen schriftelijk pleidooi was verzocht, is ter rolzitting van 17 juli 2007 namens [appellant] een pleitnota overgelegd door mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, en namens de Ontvanger door mr. H.M. ten Haaft, advocaat te Amsterdam.

2.5 Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

Nu geen grieven zijn aangevoerd tegen de vaststelling van de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.14 genoemde feiten, gaat ook het hof van die feiten uit.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Tussen partijen staat vast dat het door de Ontvanger op 8 november 2006 op de voet van artikel 51 van de Invorderingswet gelegde conservatoir beslag ten laste van [appellant] op de onroerende zaak aan de [adres] – kadastraal bekend [...], grootte 58 are en 70 centiare (verder: “de woning van [appellant]”) – op 20 november 2006 op verzoek van de Ontvanger is doorgehaald, en dat op uitdrukkelijk verzoek van [appellant] en de notaris op 7 december 2006 een akte van waardeloosheid is opgesteld, zodat er thans geen beslag meer rust op de woning van [appellant]. Evenmin heeft [appellant] een grief gericht tegen rov. 4.2. uit het vonnis waarvan beroep. Reeds daarom is de hiervoor (onder 2.1) omschreven vordering van [appellant] onder a niet voor toewijzing vatbaar.

4.2 Bij de hierna volgende behandeling van de grieven gaat het hof ervan uit dat [appellant] aansprakelijk is op grond van artikel 36 Iw voor de loon- en omzetbelastingschulden van de besloten vennootschap [appellant] Holding B.V., waarvan hij bestuurder is en waar een boekenonderzoek heeft plaatsgevonden over de jaren 1998 tot en met 2004, ter zake waarvan de inspecteur deze vennootschap meerdere aanslagen (en boetes) loon-, omzet-, vennootschaps- en dividendbelasting heeft opgelegd voor een totaalbedrag van € 3.254.186,98. Het hof gaat hiervan uit omdat de Ontvanger uitvoerig gemotiveerd heeft gesteld dat en waarom [appellant] niet tijdig melding heeft gemaakt van betalingsonmacht (zie pleitnotities Ontvanger in eerste aanleg onder 9 tot en met 16) en [appellant] in het licht daarvan deze specifieke stellingen onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De vorderingen van de Ontvanger die in het kader van de onderhavige procedure een rol spelen, betreffen, zoals hierna (onder 4.4) nader zal worden uiteengezet, een totaalbedrag van € 1.007.550,-.

4.3 In het onderhavige geschil gaat het allereerst om de vraag of voldoende grond bestaat de Ontvanger te verbieden voor dezelfde vordering – op straffe van verbeurte van een dwangsom – hernieuwd beslag te leggen op de woning van [appellant]. Hierop heeft de eerste grief betrekking.

4.4 Hieromtrent overweegt het hof dat voor een dergelijk verbod slechts onder uitzonderlijke omstandigheden plaats is, hetgeen met name het geval zal kunnen zijn indien de betrokken crediteur door beslag te gaan leggen ten laste van de betrokken schuldenaar misbruik van (beslag)recht jegens deze maakt, in welk geval sprake is van dreigend onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW. In dat geval zou een verbod als door [appellant] gevorderd gerechtvaardigd zijn. Daartoe is ten minste vereist dat [appellant] feiten en omstandigheden heeft gesteld die voldoende aannemelijk maken dat de Ontvanger misbruik van recht zou maken indien hij opnieuw beslag zou leggen op de woning van [appellant]. Dit is niet het geval. Ook indien (slechts veronderstellenderwijs) ervan zou worden uitgegaan dat de Ontvanger niet opnieuw beslag zou mogen leggen op de woning van [appellant] voor de twee vorderingen die nog niet geheel vaststaan – de omvangrijke aanslagen omzetbelasting onder de nummers [...] en [...] (waarvan nog bedragen openstaan ter hoogte van € 432.465,- resp. € 495.798,-) –, omdat deze zouden worden vernietigd, geldt dat [appellant] ook nog voor een drietal andere aanslagen omzetbelasting en voor een viertal aanslagen loonheffing – waarvan de (onvoldoende gemotiveerd weersproken) hoogte in totaal € 79.287,- exclusief invorderingsrente bedraagt (zodat de totale jegens [appellant] gepretendeerde vordering van de Ontvanger uitkomt op een bedrag van € 1.007.550,-, waarvoor het beslag op de woning van [appellant] was gelegd) – door de Ontvanger aansprakelijk is gesteld. Nu deze vordering reeds meer bedraagt dan de waarde van de in pand gegeven roerende zaken (ter waarde van € 45.000,-), kan hieruit reeds worden geconcludeerd dat voor een verbod als door [appellant] gevorderd geen plaats is. Dat [appellant] gemotiveerd heeft betoogd dat deze vordering, anders dan de Ontvanger heeft gesteld, nog geenszins zou vaststaan, doet daaraan niet af. Dat laatste zou slechts anders kunnen zijn indien de betrokken vordering reeds op het eerste gezicht iedere grond zou missen, hetgeen [appellant] – op wiens weg dat lag – echter in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.5 Het voorgaande brengt mee dat hetgeen [appellant] voor het overige ter toelichting op de eerste grief heeft gesteld geen bespreking meer behoeft, en dat grief I derhalve faalt.

4.6 Vervolgens is de vraag aan de orde of de door [appellant] aan de Ontvanger in vuistpand gegeven goederen door laatstgenoemde moeten worden vrijgegeven, onder betaling van de kosten van taxatie en vervoer. Hierop hebben de tweede, derde en vierde grief betrekking.

4.7 In dit verband stelt het hof voorop dat in de tussen [appellant] en de Ontvanger gesloten overeenkomst (verder: "de overeenkomst") zekerheid is gesteld door [appellant] door middel van het in vuistpand geven van een aantal hem toebehorende goederen tegen opheffing door de Ontvanger van het (conservatoire) beslag op de woning van [appellant]. De meest ver strekkende stelling van [appellant] te dezer zake is dat de Ontvanger door handhaving van het beslag misbruik van recht heeft gemaakt en (dus) onrechtmatig heeft gehandeld. Deze handelwijze van de Ontvanger zou, zo begrijpt het hof het betoog van [appellant], tevens impliceren dat de overeenkomst voor vernietiging vatbaar is op grond van wilsgebreken, met name op grond van bedreiging of misbruik van omstandigheden. Wat het eerste (het vermeende misbruik van recht) betreft heeft de Ontvanger onder meer onweersproken gesteld dat de overwaarde van de woning van [appellant] zodanig was dat de Ontvanger bij executoriale verkoop ervan wel degelijk een gedeelte van zijn vordering voldaan zou hebben gekregen. Nu uit het onder 4.4 overwogene voortvloeit dat in elk geval de vordering van de Ontvanger voor de drie aanslagen omzetbelasting en de vier aanslagen loonheffing ter hoogte van in totaal € 79.287,- (exclusief invorderingsrente) voorlopig geenszins als ondeugdelijk kan worden gekwalificeerd, kan daarom niet worden geconcludeerd dat de Ontvanger door handhaving van zijn beslag misbruik van recht heeft gemaakt. Nu [appellant] zijn stelling dat de overeenkomst onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen baseert op dit beweerdelijk door [appellant] gepleegd misbruik van recht, maar daarvan voorshands geoordeeld geen sprake is geweest, kan deze stelling reeds op deze grond worden verworpen. Ten overvloede voegt het hof hieraan toe dat [appellant] ook overigens onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat van enigerlei wilsgebrek bij de totstandkoming van de overeenkomst sprake is geweest.

4.8 [appellant] heeft voor het overige niet gemotiveerd gesteld dat de overeenkomst op zichzelf geen geldige titel zou vormen voor vestiging van het bedoelde pandrecht. Wel heeft hij gesteld dat de voorzieningenrechter de door de Ontvanger gepretendeerde vordering waarvoor deze beslag heeft gelegd, had moeten onderzoeken en had moeten concluderen dat, omdat deze ondeugdelijk is en het pandrecht een afhankelijk recht is, ook dit pandrecht ondeugdelijk is. Het hof kan [appellant] niet in dit betoog volgen. Grond voor het verlenen van het pandrecht door [appellant] was de toezegging van de Ontvanger het beslag op de woning van [appellant] op te heffen, niet het vaststaan van (de deugdelijkheid van) de vordering van de Ontvanger. Het door [appellant] in het kader van de totstandkoming van de overeenkomst gemaakte voorbehoud van alle rechten

“voor het geval de rechter zal oordelen dat de persoonlijke bestuurdersaansprakelijkstelling jegens mij door uw dienst onterecht is”,

doet hieraan evenmin af. Hiermee kan, gelet op de context waarin dit voorbehoud is gemaakt en de (kennelijke) strekking ervan, redelijkerwijs immers niets anders zijn bedoeld dan dat wanneer de vordering van de Ontvanger die ten grondslag heeft gelegen aan het gelegde beslag (gebaseerd op de persoonlijke aansprakelijkheid van [appellant] op grond van artikel 36 Iw) te zijner tijd (krachtens een uitspraak van de belastingrechter) niet zal blijken te bestaan, [appellant] recht zal verkrijgen op teruggave van de zekerheid die was verleend teneinde opheffing van dat beslag te bewerkstelligen. Deze uitleg ligt ook hierom voor de hand omdat de bevoegdheid om beslag te leggen afhankelijk is van het daaraan ten grondslag liggende recht (de vordering van de Ontvanger). Als dit recht achteraf niet blijkt te bestaan, is daarmee gegeven dat het beslag ten onrechte is gelegd, zodat ook geen grond bestond om zekerheid te stellen.

4.9 Het voorgaande betekent dat grief II, grief III en grief IV eveneens moeten worden verworpen.

4.10 [appellant] verwijt de voorzieningenrechter ten slotte, met zijn vijfde grief, dat deze de grondslag van de door de Ontvanger gepretendeerde vordering – waarmee [appellant] kennelijk het oog heeft op de omvangrijke aanslagen omzetbelasting onder de nummers [...] en [...] (waarvan nog bedragen openstaan ter hoogte van € 432.465,- resp. € 495.798,-) – niet heeft onderzocht en daarover geen (al dan niet voorlopig) oordeel heeft uitgesproken. Het hof kan [appellant] niet in dit betoog volgen. Nu ervan mag worden uitgegaan dat in elk geval de vordering van de Ontvanger voor het drietal andere aanslagen omzetbelasting en voor het viertal aanslagen loonheffing (in totaal ter hoogte van € 79.287,- exclusief invorderingsrente) voorlopig geenszins als ondeugdelijk moet worden gekwalificeerd en dit, in verband met hetgeen hiervoor voor het overige is overwogen, reeds meebrengt dat de vorderingen van [appellant] dienen te worden afgewezen, bestaat geen grond de door de Ontvanger gepretendeerde vordering uit hoofde van de genoemde aanslagen omzetbelasting onder de nummers [...] en [...] – die bovendien ten gronde nog is onderworpen aan het oordeel van de belastingrechter – in het kader van het onderhavige kort geding nader te onderzoeken.

4.11 Uit het vorenstaande volgt dat grief V evenmin kan slagen.

5 De conclusie

Het hoger beroep faalt, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

6.1 bekrachtigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 22 december 2006;

6.2 veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 1.788,- voor salaris procureur en op € 296,- voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs. Mannoury, Van der Kwaak en Van der Pol en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2007.