Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC4738

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
2007/386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals hiervoor is overwogen, vormt in deze procedure de omstandigheid dat het schilderij – zoals in de catalogus was beschreven – van de hand van Leickert is, een eigenschap van de zaak die [appellant] op grond van de overeenkomst mocht verwachten (art. 7:17 lid 2 BW). Voorts heeft [appellant] gesteld dat hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten indien hij zou hebben geweten dat het schilderij niet van de hand van Leickert is. Deze stelling is op zichzelf niet weersproken, terwijl het Notarishuis van haar zijde niet heeft gesteld dat zij mocht aannemen dat [appellant] het schilderij ongeacht de authenticiteit toch zou hebben gekocht (art. 6:228 lid 1 sub a BW). Verder kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, niet worden geoordeeld dat een eventuele dwaling omtrent de authenticiteit van het schilderij voor rekening van [appellant] dient te blijven (art. 6:228 lid 2 BW). Het hof verwijst naar artikel 6.1 van de algemene voorwaarden, dat een contractuele dwalingsregeling bevat.

Zowel voor de beoordeling van het beroep op non-conformiteit als het beroep op dwaling is de authenticiteit van het werk derhalve essentieel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2008, 46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2007

derde civiele kamer

rolnummer 2007/386

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. J.B.R. Daniëls,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Notarishuis Arnhem B.V.,

gevestigd te Arhnem,

geïntimeerde,

procureur: mr. P.J.M. van Wersch.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 27 september 2006 en van 13 december 2006 die de rechtbank Arnhem tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: het Notarishuis) als gedaagde heeft gewezen; van het eindvonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 5 maart 2007 het Notarishuis aangezegd van het eindvonnis van 13 december 2006 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van het Notarishuis voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zes grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht en bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, voor recht zal verklaren dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst door [appellant] buitengerechtelijk is ontbonden op grond van non-conformiteit dan wel dwaling, althans dat het hof de overeenkomst zal ontbinden op één van beide gronden, met veroordeling van het Notarishuis om, bij de teruggave van het schilderij door [appellant], aan deze de door hem betaalde koopprijs, te vermeerderen met het opgeld daarover, in totaal € 18.125,-, terug te betalen, met wettelijke rente vanaf de datum van aankoop van het schilderij althans vanaf zodanig tijdstip als het hof juist acht, tot aan het moment van betaling en met veroordeling tot vergoeding van bijkomende schade van € 650,-. Subsidiair heeft [appellant] gevorderd dat het Notarishuis zal worden veroordeeld om op grond van haar toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan [appellant] een schadevergoeding te betalen gelijk aan het verschil tussen de werkelijke waarde van het schilderij en de door [appellant] betaalde koopprijs, alsmede het verschil in de winstmarges daarop, althans en in ieder geval dat waardeverschil als zodanig, welk verschil nader is vast te stellen door een aan te wijzen deskundige, met veroordeling tot vergoeding van aanvullende schade van € 650,-. Voorts heeft [appellant] gevorderd dat het hof het Notarishuis zal veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder de kosten ter vaststelling van de hoogte van de schade.

2.3 Bij akte d.d. 26 juni 2007 heeft [appellant] nog twee producties in het geding gebracht.

2.4 Het Notarishuis heeft bij memorie van antwoord van dezelfde datum de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat de grieven van [appellant] falen, het hoger beroep moet worden afgewezen en het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant], bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, in (het hof leest:) de kosten van de procedure in hoger beroep.

2.5 Vervolgens hebben [appellant] en het Notarishuis de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het eindvonnis onder 2.1 tot en met 2.14 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 29 november 2005 heeft het Notarishuis een veiling georganiseerd. Tijdens deze veiling heeft [appellant] een schilderij gekocht. Dit schilderij is in de veilingcatalogus omschreven als: “Ch. Leickert ges. – “Wintergezicht met figuren” – paneel – 36 ½ x 52 ½ cm.”

[appellant] heeft het schilderij gekocht voor € 14.500,-; met inbegrip van het opgeld heeft [appellant] € 18.125,- voor het schilderij betaald. Voorafgaand aan de koop heeft [appellant], ter zijde gestaan door mevrouw [A.] van Atelier [A.] (hierna: [A.]), het schilderij bekeken, onder meer met gebruikmaking van een zogenoemde UV-lamp. Op 7 december 2005 heeft [appellant] het schilderij naar [A.] gebracht en haar opdracht gegeven het schilderij schoon te maken en te voorzien van een nieuwe vernislaag. Eind december 2005 is [A.] begonnen met de restauratiewerkzaamheden. Op 4 januari 2006 heeft zij aan [appellant] gemeld dat zij onder de topvernislaag een UV-werende vernislaag heeft aangetroffen. Nadat [A.] in opdracht van [appellant] de UV-werende vernislaag had verwijderd, is zij gestuit op overschilderingen. [appellant] heeft vervolgens [A.] opdracht gegeven de overschilderingen te verwijderen. [appellant] heeft de heer [B.], directeur van het Notarishuis (hierna: [B.]), in de eerste week van januari 2006 telefonisch op de hoogte gesteld van de bevindingen van [A.]. Na verwijdering van de overschilderingen is bij [appellant] twijfel gerezen over de authenticiteit van het schilderij. In de tweede week van januari 2006 heeft [appellant] dit aan [B.] telefonisch laten weten. [appellant] heeft het schilderij vervolgens voor onderzoek aangeboden aan twee andere veilinghuizen. [C.] van Christie’s Amsterdam B.V. heeft in een rapport van 14 februari 2006 laten weten dat zij na uitgebreid onderzoek hebben moeten concluderen dat het door [appellant] aangebrachte schilderij niet toegeschreven kan worden aan Charles Leickert. Bij brief van 2 mei 2006 heeft [D.] van Sotheby’s Amsterdam aan [appellant] bericht dat zij na inspectie van het schilderij tot de conclusie zijn gekomen dat het schilderij niet van de hand van Charles Leickert is.

Onder verwijzing naar het rapport van Christie’s en de brief van Sotheby’s heeft mr. J.B.R. Daniëls bij brief van 16 mei 2006 namens [appellant] een beroep op ontbinding van de koopovereenkomst gedaan en het Notarishuis verzocht het schilderij terug te nemen onder terugbetaling van de koopprijs inclusief de veilingkosten. De advocaat van het Notarishuis heeft bij brief van 6 juni 2006 laten weten dat het Notarishuis geen reden ziet het schilderij terug te nemen. In deze brief beroept het Notarishuis zich onder meer op een brief van [E.], registertaxateur van [A.] en [E.] van 23 maart 2006, waarin deze verklaart dat het schilderij volgens hem een authentiek werk van Charles Henri Joseph Leickert is.

4.2 [appellant] vordert in deze procedure, samengevat, terugbetaling van de koopsom inclusief opgeld tegen teruggave van het schilderij. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 13 december 2006 de vorderingen van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe, samengevat weergegeven, als volgt geoordeeld. Zij heeft, veronderstellenderwijs uitgaand van non-conformiteit in de zin van art. 7:17 BW, geoordeeld dat geen sprake is van de schending van enige verplichting door het Notarishuis. De algemene voorwaarden van het Notarishuis bevatten afspraken over de risico’s bij veilingkoop. Op grond van deze algemene voorwaarden aanvaardt het Notarishuis in het geval van een onjuiste beschrijving in de catalogus alleen onder bepaalde voorwaarden een terugnameverplichting. Aan de voor terugname van het schilderij gestelde voorwaarde dat het geveilde wordt teruggegeven in de staat waarin het zich bij aankoop bevond, is in dit geval niet voldaan nu [A.] diverse werkzaamheden heeft verricht aan het schilderij. Volgens de rechtbank zien de desbetreffende algemene voorwaarden mede op een geval als het onderhavige. De voorwaarden zijn niet onredelijk bezwarend, noch is het beroep van het Notarishuis op die voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Uitgaand van de veronderstelling dat [appellant] bij aankoop dacht dat hij een Leickert kocht, dient deze dwaling in de gegeven omstandigheden voor rekening van [appellant] te blijven, aldus de rechtbank.

4.3 De grieven stellen aan de orde: de (non-)conformiteit van het door het Notarishuis aan [appellant] verkochte schilderij (grieven 1 en 5), de uitleg van de door het Notarishuis ingeroepen algemene voorwaarden betreffende de terugname van gekochte zaken (grief 2), de vraag of deze voorwaarden onredelijk bezwarend zijn en/of het beroep van het Notarishuis op deze voorwaarden in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (grief 3) en het dwalingsberoep van [appellant] (grief 4). Grief 6, tenslotte, komt op tegen de door de rechtbank gegeven kostenveroordeling.

Naar het oordeel van het hof leggen de grieven het geschil in volle omvang voor aan het hof.

De aard en inhoud van de overeenkomst

4.4 Het hof zal allereerst ingaan op de vraag of het bij de toeschrijving van het schilderij aan Charles Leickert gaat om een eigenschap die [appellant] op grond van de overeenkomst mocht verwachten (art. 7:17 lid 2 BW).

Het Notarishuis heeft gesteld dat koopovereenkomsten als deze (kunstkoop) steeds een kanskarakter hebben, in de zin dat de kans dat het werk niet authentiek blijkt in de overeenkomst is verdisconteerd.

Het hof volgt het Notarishuis niet in deze stelling. Of een overeenkomst als een kansovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg worden bepaald, waarbij het aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs in de gegeven omstandigheden aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

In het onderhavige geval is van een kansovereenkomst met betrekking tot de toeschrijving van het schilderij naar het oordeel van het hof geen sprake. Het Notarishuis heeft het schilderij in de catalogus, zonder voorbehoud, omschreven als afkomstig van de schilder Charles Leickert. De bepalingen van de algemene veilingvoorwaarden waarop het Notarishuis in deze procedure een beroep doet, wijzen niet op een kansovereenkomst. Art. 6 van deze voorwaarden biedt immers – zij het geclausuleerd – de mogelijkheid het gekochte terug te geven bij een onjuiste omschrijving, welke ruimte bij een kansovereenkomst niet bestaat. Gesteld noch gebleken is dat [appellant], die onweersproken heeft gesteld dat hij een voor een Leickert gangbare prijs heeft betaald, bij het Notarishuis het (gerechtvaardigd) vertrouwen heeft gewekt dat hij de overeenkomst beschouwde als een kansovereenkomst. Dat zowel koper als verkoper in professionele hoedanigheid handelde en dat op de desbetreffende veiling zaken van verschillende aard werden geveild, maakt nog niet dat in dit geval van een kansovereenkomst kan worden gesproken. Ook de omstandigheid dat het Notarishuis zich na het sluiten van de overeenkomst – vanaf het moment dat [appellant] het Notarishuis op de hoogte stelde van de overschilderingen en zijn twijfels uitte over de toeschrijving van het schilderij – steeds op het standpunt heeft gesteld dat het schilderij van de hand van Leickert was, wijst erop dat partijen de overeenkomst niet als een kansovereenkomst hebben opgevat.

4.5 Anders dan het Notarishuis stelt, is van een schending van een onderzoeksplicht aan de zijde van [appellant] naar het oordeel van het hof geen sprake. Het Notarishuis heeft het schilderij een aantal kijkdagen tentoongesteld en daarbij potentiële kopers in de gelegenheid gesteld het werk, door middel van een UV-lamp, te onderzoeken. Vast staat dat [appellant] het schilderij op deze wijze, bijgestaan door [A.], heeft onderzocht. [appellant] heeft evenwel gesteld dat bij onderzoek door middel van een UV-lamp, als gevolg van de toen nog verborgen aanwezigheid van een UV-werende harslaag, de professioneel aangebrachte overschilderingen en daarmee de twijfels aan de echtheid van het werk niet aan het licht konden komen. Dit betoog van [appellant] is door het Notarishuis onvoldoende gemotiveerd bestreden, zodat het hof hiervan uitgaat. [appellant] heeft in eerste aanleg ter comparitie ook verklaard dat op 19e eeuwse schilderijen standaard geen UV-werende laag zit. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onder deze omstandigheden aan de op hem rustende onderzoeksplicht voldaan.

[appellant] mocht derhalve op grond van de overeenkomst verwachten dat het schilderij, zoals in de catalogus omschreven, van de hand van Charles Leickert is (art. 7:17 lid 2 BW). De vraag of het Notarishuis een op haar rustende mededelingsplicht heeft geschonden, behoeft in verband met de vraag wat [appellant] op grond van de overeenkomst mocht verwachten geen verdere bespreking meer.

De algemene voorwaarden

4.6 Voordat het hof de gestelde non-conformiteit van het schilderij bespreekt, zal het hof ingaan op het, in dit verband verder strekkende, verweer van het Notarishuis dat zij, indien het schilderij niet van de hand van Leickert zou blijken te zijn, op grond van art. 6 van haar algemene voorwaarden niet is gehouden het schilderij terug te nemen.

De desbetreffende algemene voorwaarden, luiden, voorzover van belang, als volgt.

art. 2.3:

“(…) De veilinghouder aanvaardt alleen aansprakelijkheid voor onjuiste omschrijvingen voor zover voorzien in artikel 6 van deze voorwaarden.”

Art. 6.1:

“Tenzij uitdrukkelijk voor bepaalde voorwerpen in de catalogus of kavellijst uitgesloten, is (…) de veilinghouder bereid een geveild voorwerp tegen gelijktijdige restitutie van de in rekening gebrachte koopprijs en veilingkosten terug te nemen, indien de koper binnen een periode van drie weken na de verkoop ten genoegen van de veilinghouder bewijst dat het geveilde zulke ernstige verborgen gebreken vertoont of de verstrekte omschrijving zo onjuist is, dat indien deze gebreken of de juiste omschrijving aan de koper op het ogenblik van toewijzing bekend waren geweest, hij van de koop zou hebben afgezien of slechts tegen een aanmerkelijk lagere prijs gekocht zou hebben. Dit geldt niet indien de gebreken alleen de condities van het voorwerp betreffen (zoals bijvoorbeeld slijtage en restauraties).”

Art. 6.3:

“De bereidheid tot terugname vervalt ook als de koper het geveilde niet kan teruggeven in dezelfde staat als waarin het zich bij toewijzing bevond, zulks ter beoordeling van de veilinghouder.”

4.7 Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de door het Notarishuis gehanteerde algemene voorwaarden op de tussen partijen gesloten overeenkomst van toepassing zijn.

De rechtbank heeft in haar eindvonnis (rov. 4.6) overwogen dat het Notarishuis ter comparitie heeft aangegeven niet langer vast te houden aan haar eerder in de procedure ingenomen stelling dat [appellant], gelet op art. 6.1 van de algemene voorwaarden, niet tijdig heeft geklaagd over de door hem gestelde onjuistheid van de omschrijving van het schilderwerk. Nu ook [appellant] blijkens de memorie van grieven ervan is uitgegaan dat dit verweer is prijsgegeven en uit de stellingname van het Notarishuis in appel niet anders blijkt, gaat ook het hof hiervan uit. Het op de algemene voorwaarden gebaseerde verweer van het Notarishuis concentreert zich derhalve op de daarin vervatte artikelen 2.3 en 6.3.

Het hof wenst inlichtingen over de betekenis van deze bepalingen, mede over de vraag naar de gebruikelijkheid van deze bepalingen en de betekenis die daaraan in de branche wordt gegeven.

Het onderzoek en de restauratie door [A.]

4.8 Het onderhavige geval wordt erdoor gekenmerkt dat op het schilderij, naar onbestreden vaststaat, onder de vernislaag een UV-werende harslaag was aangebracht als gevolg waarvan, binnen de mogelijkheden die bestonden voor onderzoek aan het schilderij voorafgaand aan de veiling (volgens partijen: inschakeling van een deskundige en onderzoek met behulp van een UV-lamp), de overschilderingen niet aan het licht hadden kunnen komen (zie rov. 4.5). Voorts staat als onweersproken vast dat nadat [appellant] het schilderij op 6 december 2005 in handen kreeg, ook een eerste inspectie op 9 december 2005 met de UV-lamp niets bijzonders liet zien.

Volgens het restauratierapport van [A.] heeft zij het oppervlaktevuil verwijderd, vervolgens de topvernislaag en toen de daaronder gelegen tweede – UV-werende – vernislaag van kunsthars. Bij de afname van deze tweede vernislaag werd haar duidelijk dat het hier “een zeer zwaar overgeschilderd schilderij” betrof. De onderliggende verflaag was volledig uitgehard en onaantastbaar. Vervolgens heeft zij de zeer vele, in olieverf uitgevoerde, retouches verwijderd. Het schilderij was volgens [A.] ongeveer 15 jaar geleden bijna geheel overgeschilderd. Tenslotte heeft zij enige retouches uitgevoerd, aldus het rapport.

Het hof wenst inlichtingen over de door [A.] verrichte werkzaamheden, over de vraag op welk moment twijfel ontstond of had moeten ontstaan over de authenticiteit van het werk en over de betekenis die het verwijderen van overschilderingen en het aanbrengen van nieuwe retouches in dit geval heeft voor (de waarde van) het schilderwerk.

Voorts wenst het hof nader te worden ingelicht over het overleg dat tussen [B.] en [appellant] plaats heeft gehad in de periode dat [A.] haar restauratiewerkzaamheden verrichtte en over de eventuele wetenschap van [B.] voorafgaand aan de verkoop over de aanwezigheid van overschilderingen en de voorgeschiedenis van het schilderij.

De authenticiteit van het werk

4.9 Zoals hiervoor is overwogen, vormt in deze procedure de omstandigheid dat het schilderij – zoals in de catalogus was beschreven – van de hand van Leickert is, een eigenschap van de zaak die [appellant] op grond van de overeenkomst mocht verwachten (art. 7:17 lid 2 BW). Voorts heeft [appellant] gesteld dat hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten indien hij zou hebben geweten dat het schilderij niet van de hand van Leickert is. Deze stelling is op zichzelf niet weersproken, terwijl het Notarishuis van haar zijde niet heeft gesteld dat zij mocht aannemen dat [appellant] het schilderij ongeacht de authenticiteit toch zou hebben gekocht (art. 6:228 lid 1 sub a BW). Verder kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, niet worden geoordeeld dat een eventuele dwaling omtrent de authenticiteit van het schilderij voor rekening van [appellant] dient te blijven (art. 6:228 lid 2 BW). Het hof verwijst naar artikel 6.1 van de algemene voorwaarden, dat een contractuele dwalingsregeling bevat.

Zowel voor de beoordeling van het beroep op non-conformiteit als het beroep op dwaling is de authenticiteit van het werk derhalve essentieel.

4.10 [appellant] beroept zich ter onderbouwing van zijn stelling dat het schilderij niet aan Leickert kan worden toegeschreven, op een taxatierapport d.d. 14 februari 2006, opgesteld door [C.] van Christie’s. Dit rapport vermeldt onder meer:

“(…) Na uitgebreid onderzoek hebben wij moeten concluderen dat het door u aangebrachtre schilderij niet toegeschreven kan worden aan Charles Henri Joseph Leickert (1816 – 1907)”.

In appel heeft [appellant] bij akte een brief van 23 oktober 2006 van drs [F.] van Christie’s overgelegd, waarin staat vermeldt:

“Naar aanleiding van uw verzoek om het schilderij ‘Wintergezicht met figuren’ (…) te beoordelen met de gehele afdeling 19e eeuwse schilderkunst, deel ik u het volgende mede.

Hierbij bevestig ik, dat wij naar aanleiding van ons onderzoek tot onze spijt de authenticiteit van het werk niet kunnen garanderen. Wij zijn van mening dat, op basis van stilistisch onderzoek met vergelijkbaar werk van de kunstenaar uit de jaren 70 van de 19e eeuw, er gegronde reden is om te moeten concluderen dat het hier niet een werk van de hand van de 19e eeuwse kunstenaar Charles Leickert (1816-1907) betreft. (…)”

[appellant] heeft daarnaast een brief van [D.] van Sotheby’s van 2 mei 2006 overgelegd, waarin onder andere staat vermeld:

“Na inspectie van het schilderij (…) dat (…) wij ter onderzoek innamen, zijn wij helaas tot de conclusie gekomen dat het schilderij niet van de hand van Charles Leickert is. De stijl van dit werk wijkt te sterk af van de ons bekende werken uit het oeuvre van Charles Leickert. (…)”

In een in appel door [appellant] overgelegde brief van 23 oktober 2006 van [D.] staat vermeld:

“Middels deze brief willen wij u bevestigen dat wij, experts van de afdeling 19e eeuwse schilderkunst op 16 april jl het schilderij Figuren op een bevroren rivier (…) gezien hebben en tot de conclusie zijn gekomen dat het schilderij niet van de hand van Charles Leickert is. De stijl van dit werk wijkt te sterk af van de ons bekende werken uit het oeuvre van Charles Leickert.”

4.11 Het Notarishuis heeft ter onderbouwing van haar stelling dat het schilderij wél van de hand van Leickert is, een door taxateur [E.] opgesteld rapport d.d. 23 maart 2006 in het geding gebracht (prod. 3 bij conclusie van antwoord), waarin onder meer staat:

“(…) het schilderij is, afgezien van de matige conditionele staat (reeds op de veiling in gerestaureerde staat en voorzien van cosmetische ingrepen), volgens ondergetekende een authentiek werk van ‘Charles’ Henri Joseph Leickert; ondergetekende heeft een vergelijkbaar werk in zijn bezit, en heeft van het onderhavige werk een kleinere versie (ca. 14 x 18 cm) in zijn bezit gehad.”

4.12 Het hof wenst zich door een deskundige te laten voorlichten over de vraag of het om een werk van Charles Leickert gaat.

Het hof verzoekt partijen zich voorafgaand aan de inlichtingencomparitie bij brief uit te laten over de te benoemen deskundige, over de aan de deskundige te stellen vragen en zich hierover met elkaar al te verstaan.

Gelet op de door [appellant] in deze procedure overgelegde deskundigenrapporten enerzijds en het door het Notarishuis daartegenover gestelde, enkele, deskundigenrapport anderzijds, ziet het hof aanleiding om de kosten van het voorschot van de te benoemen deskundige ten laste van het Notarishuis te laten komen (art. 195 Rv.).

Slotsom

5.1 Het hof zal een inlichtingencomparitie gelasten in verband met de vragen die onder 4.7, 4.8 en 4.12 staan vermeld. Hiervoor wenst het hof naast partijen ook de aanwezigheid van [A.] en [B.], opdat aan deze laatstgenoemden ook vragen kunnen worden gesteld en zij het hof nader kunnen informeren. Daarom zal de zaak naar de rol worden verwezen voor het opgeven van verhinderdata van alle hiervoor genoemden.

5.2 Alle overige beslissingen worden aangehouden.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat [appellant] in persoon en het Notarishuis vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is, en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking), tezamen en met hun raadslieden, alsmede tezamen met [A.] en [B.] zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. Lenselink die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 4.7, 4.8 en 4.12 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden februari en maart 2008 zullen worden opgegeven op de rolzitting van 18 december 2007, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en alsdan in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt dat partijen de brieven als bedoeld in rov. 4.12 tijdig vóór de comparitiezitting aan de wederpartij en aan het hof dienen te verzenden, zodanig dat deze uiterlijk een week vóór de zitting kunnen zijn ontvangen;

bepaalt dat partijen, indien zij zich willen beroepen op nieuwe bescheiden, deze tijdig vóór de zitting aan de wederpartij en aan het hof dienen te verzenden, zodanig dat deze uiterlijk een week vóór de zitting kunnen zijn ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Dozy en Lenselink en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2007.