Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC3139

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
2005/1266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenmin kan de inhoud van het door [appellant] overgelegde verwijsformulier tot die conclusie leiden. In dit formulier is door de bedrijfsarts vermeld dat [appellant] ziek thuis is in verband met spanningsklachten, waarbij werkdruk een belangrijke rol speelt. Uit de inhoudelijk niet betwiste uitgebreide diagnose van de klinisch psychologe [A.] (weergegeven in het tussenarrest) van 5 maart 2004 blijkt dat de psychische toestand van [appellant] betrekking heeft op de gehele persoonlijke situatie van [appellant], waarvan het werk slechts een van de aspecten is.

In zijn tussenarrest heeft het hof voorlopig overwogen dat die psychische toestand en daarmede de arbeidsongeschiktheid van [appellant] niet in rechtens relevante mate is ontstaan door de door More aan [appellant] opgedragen werkzaamheden. Feiten die tot een ander oordeel kunnen leiden, zijn niet gesteld of gebleken. Het voornoemde oordeel van het hof is thans definitief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 oktober 2007

Vijfde civiele kamer

Rolnummer 05/1266

G e r e c h t s h o f t e A r n h e m

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr F.J. Boom,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

More Advertising/Marketing B.V.,

handelende onder de naam More Communicatie & Marketing,

gevestigd te Deventer,

geïntimeerde,

procureur: mr J.M. Bosnak.

1 De procedure

Voor het verloop van de procedure tot 24 april 2007 verwijst het hof naar het op die datum in deze zaak uitgesproken tussenarrest.

De bij dat arrest bepaalde enquête heeft niet plaatsgevonden; ter terechtzitting van 14 augustus 2007 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij [appellant] drie producties heeft overgelegd (die aan het proces-verbaal van die terechtzitting zijn gehecht).

Nadat de raadsheer-commissaris de zaak naar de rol had verwezen, hebben de partijen wederom voor het wijzen van arrest de processtukken van de beide instanties aan het hof overgelegd.

2 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Het hof volhardt bij hetgeen het in zijn tussenarrest van 24 april 2007 heeft overwogen.

Grieven 2 tot en met 6

2.2 Bij dat arrest was [appellant] toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit volgt dat zijn arbeidsongeschiktheid in overwegende mate is ontstaan door de door More aan hem opgedragen werkzaamheden.

2.3 [appellant] heeft afgezien van het doen horen van getuigen.

Wel heeft [appellant] een drietal producties overgelegd, te weten een verslag van „account-besprekingen” van 18 en 24 november 1997, notulen van het managementteamoverleg bij More van 6 juni 1998 en een formulier, waarmee de bedrijfsarts [appellant] op 26 augustus 1998 heeft verwezen naar een psycholoog.

2.4 Deze stukken - ook in onderlinge samenhang bezien - leiden niet tot het bewijs van de stelling dat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] in overwegende mate is ontstaan door de door More aan hem opgedragen werkzaamheden.

Uit het verslag van de besprekingen van 18 en 24 november 1997 blijkt volgens [appellant] dat er gebrek was aan discipline en/of professionaliteit op diverse afdelingen van More, dat de afdeling account bij More niet efficiënt was en dat de personele bezetting niet goed was. Indien dit al juist is, volgt hieruit nog niet dat [appellant] in overwegende mate ten gevolge van de aan hem opgedragen werkzaamheden arbeidsongeschikt is geworden. Gebrek aan discipline, professionaliteit en efficiëntie - indien al komt vast te staan dat daarvan destijds bij More sprake was - leidt immers niet noodzakelijkerwijs (in overwegende mate) tot arbeidsongeschiktheid, terwijl geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken dat deze daartoe bij [appellant] wel hebben geleid.

Hetzelfde geldt voor het verslag van 6 juni 1998, waaruit volgens [appellant] eveneens blijkt van het „wegvloeien” van kwaliteitsbesef en scherpte bij More en van een grote werkdruk. Ook deze feiten - indien die al zouden komen vast te staan - kunnen niet zonder meer leiden tot de conclusie dat de aan hem opgedragen werkzaamheden de arbeidsongeschiktheid van [appellant] in overwegende mate hebben veroorzaakt. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat dit bij [appellant] wel het geval was zijn gesteld noch gebleken.

Evenmin kan de inhoud van het door [appellant] overgelegde verwijsformulier tot die conclusie leiden. In dit formulier is door de bedrijfsarts vermeld dat [appellant] ziek thuis is in verband met spanningsklachten, waarbij werkdruk een belangrijke rol speelt. Uit de inhoudelijk niet betwiste uitgebreide diagnose van de klinisch psychologe [A.] (weergegeven in het tussenarrest) van 5 maart 2004 blijkt dat de psychische toestand van [appellant] betrekking heeft op de gehele persoonlijke situatie van [appellant], waarvan het werk slechts een van de aspecten is.

In zijn tussenarrest heeft het hof voorlopig overwogen dat die psychische toestand en daarmede de arbeidsongeschiktheid van [appellant] niet in rechtens relevante mate is ontstaan door de door More aan [appellant] opgedragen werkzaamheden. Feiten die tot een ander oordeel kunnen leiden, zijn niet gesteld of gebleken. Het voornoemde oordeel van het hof is thans definitief.

2.5 Hieruit volgt dat het probandum niet is bewezen.

2.6 [appellant] heeft tevens gesteld dat zijn ontslag kennelijk onredelijk is, nu More zich onvoldoende heeft ingespannen om [appellant] in het arbeidsproces te re-integreren.

De grieven 2 en 3 hebben de strekking te betogen dat More is tekortgeschoten in haar re-integratie-inspanningen en dat More [appellant] niet in de gelegenheid heeft gesteld passende werkzaamheden te verrichten.

2.7 Vast staat dat More in december 1998 [appellant] in de gelegenheid heeft gesteld zijn werkzaamheden te hervatten, doch tevens dat [appellant] zich weer ziek heeft gemeld nadat More hem erop had aangesproken dat hij niet goed functioneerde en More had aangegeven de functie van [appellant] aan te passen.

Tevens heeft More in augustus en september 1999 pogingen gedaan [appellant] aan werk te helpen, zoals blijkt uit de door More bij haar conclusie van antwoord overgelegde (en door [appellant] niet gemotiveerd betwiste) brieven aan GEA van 24 augustus 1999 en aan [appellant] van 31 augustus 1999 en 2 september 1999 en het feit dat [appellant] van 7 december 1999 tot en met 6 januari 2000 op detacheringsbasis voor More werkzaamheden bij Zeylmaker & partners te Apeldoorn heeft verricht. Ondanks deze pogingen is het niet gelukt [appellant] in het arbeidsproces te re-integreren.

Dit laatste neemt niet weg dat More zich naar het oordeel van het hof in voldoende mate heeft ingespannen om [appellant] te re-integreren, zodat het ontslag ook niet kennelijk onredelijk is wegens een gebrek aan dergelijke inspanningen.

2.8 Onder de hiervoor geschetste omstandigheden zijn de gevolgen van het ontslag voor [appellant] niet te ernstig in vergelijking met die van More, die belang heeft bij de beëindiging van de dienstbetrekking met [appellant], nu deze vijf jaren nagenoeg onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest zonder redelijk vooruitzicht op herstel binnen een afzienbare termijn.

2.9 Het hiervoor overwogene brengt mede dat de grieven 2 tot en met 6 falen en dat de vordering van [appellant] wegens kennelijk onredelijk ontslag niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Slotsom en grief 7

2.10 De grieven 2 tot en met 6 falen.

Nu grief 1 gedeeltelijk slaagt, zullen de bestreden vonnissen worden vernietigd. Om de in het tussenarrest genoemde redenen zal More worden veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 21.900,56, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 15 september 2003.

Voor het overige dient [appellant] zijn vordering te worden ontzegd.

2.11 De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu tegen de ontzegging van de vordering op dat onderdeel geen grief is gericht.

Bovendien is gesteld noch gebleken dat [appellant] kosten heeft gemaakt voor verrichtingen buiten (de gebruikelijke voorbereiding van) deze procedure waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

2.12 Aangezien de partijen over en weer op bepaalde punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van de beide instanties tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Derhalve slaagt grief 7.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

1. vernietigt de tussen de partijen uitgesproken vonnissen van de kantonrechter (rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Deventer) van 19 mei 2005 en 8 september 2005,

en, opnieuw recht doende,

2. veroordeelt More om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 21.900,56 (eenentwintigduizendnegenhonderd euro en zesenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 15 september 2003 tot aan de dag van voldoening;

3. ontzegt [appellant] zijn vordering voor het overige;

4. compenseert de kosten van de beide instanties tussen de partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5. verklaart dit arrest, voor zover het de onder 2 genoemde veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Van Loo, Knottnerus en Duitemeijer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 30 oktober 2007.