Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC2782

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
409/2007
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is een zaaddonor belanghebbende in de zin van art 798 Rv bij een adoptieprocedure van dit kind? Family life

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 228
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 798
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2007

Familiekamer

Rekestnummer 409/2007

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster sub 1],

en

[verzoekster sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoeksters, verder te noemen respectievelijk “verzoekster en de moeder”,

procureur mr. H.J.F.M. van Rijswijck,

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “de man”,

procureur mr. L. Paulus.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 29 december 2006, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 144627/FA RK 06-11932.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 26 maart 2007, zijn verzoekster en de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de adoptie uit te spreken van de nader te noemen [kind 1] en [kind 2] door verzoekster.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 8 mei 2007, heeft de man het verzoek in hoger beroep bestreden. De man verzoekt het hof verzoekster en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek in hoger beroep althans hen dat verzoek te ontzeggen althans te bepalen hetgeen het hof juist acht.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 1 november 2007 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, verzoekster en de moeder bijgestaan door mr. W.J. Eusman, advocaat te Amsterdam, en de man bijgestaan door mr. S.N. Meijerink, advocaat te Amsterdam. Namens de Raad voor de Kinderbescherming te Arnhem (verder te noemen “de raad”) is mr. [...] verschenen.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van de advocaat van verzoekster en de moeder van 10 augustus 2007 met bijlagen en een faxbericht van de advocaat van verzoekster en de moeder van 31 oktober 2007 met bijlage.

3 De vaststaande feiten

3.1 Uit de moeder zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1999 te [woonplaats] en

- [kind 2], op [geboortedatum] 2003 te [woonplaats],

over wie de moeder alleen het gezag uitoefent.

3.2 De moeder is zwanger geworden door (zelf) inseminatie met donorzaad van de man.

3.3 Verzoekster leeft sinds medio 1995 samen met de moeder. Zij hebben de kinderen sinds hun geboorte gezamenlijk verzorgd en opgevoed.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 16 augustus 2006, heeft verzoekster verzocht de adoptie uit te spreken van [kind 1] en [kind 2] door haar. De moeder heeft zich gerefereerd aan het verzoek. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Grief 1 stelt de vraag aan de orde of de man belanghebbende is in deze adoptieprocedure in de zin van artikel 798 Rv. Daarvoor is nodig dat hij kan worden aangemerkt als ouder in de zin van artikel 1:227 lid 3 BW. Uit de beschikking van de Hoge Raad van 21 april 2006 (NJ 2006, 584) volgt dat indien er tussen de man en de kinderen sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM de man kan worden aangemerkt als ouder in de zin van artikel 1: 227 BW. Het hof is van oordeel dat er sprake is van family life. Daarvoor zijn de navolgende omstandigheden van belang. Verzoekster, de moeder en de man hebben samen voor de conceptie van de kinderen met elkaar afgesproken dat de kinderen door verzoekster en de moeder zouden worden opgevoed en dat zij de man in de gelegenheid zouden stellen de kinderen regelmatig te zien. De moeder en verzoekster hebben de inhoud van deze afspraak erkend en hebben aangegeven hier bewust voor gekozen te hebben in het belang van de kinderen, zodat de kinderen een vader zouden hebben. Na de geboorte van de kinderen hebben de moeder, verzoekster en de man zich ook overeenkomstig deze afspraken gedragen. De man staat bij beide kinderen op hun geboortekaartjes als ouder vermeld en hij is bij de aangifte van de geboorte van [kind 2] aanwezig geweest. De kinderen weten dat de man hun biologische vader is. Er is vanaf de geboorte van de kinderen regelmatig contact tussen de man en de kinderen geweest, waarbij tevens de familie van de man is betrokken, en de man heeft in het verleden tijdens zomervakanties een aantal dagen met verzoekster, de moeder en de kinderen doorgebracht. Nu vast staat dat de man de biologische vader is van de kinderen en er naar het oordeel van het hof sprake is van family life tussen de man en de kinderen, brengen deze beide omstandigheden mee dat de man kan worden aangemerkt als ouder in de zin van artikel 1:227 BW en dient hij dientengevolge als belanghebbende te worden aangemerkt in deze adoptieprocedure.

4.2 Ingevolge artikel 1:227 lid 3 BW kan het verzoek tot adoptie alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is en op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het kind niets meer van zijn ouder(s) te verwachten heeft. Voorts dient aan de voorwaarden gesteld in artikel 1:228 BW te worden voldaan.

4.3 De Memorie van Toelichting (kamerstukken II, 1998-1999, 26 673 nr. 3 p. 4, 5 en 6 ) bij de wijziging van boek 1 BW waarbij het bovenstaande criterium in de wet werd opgenomen luidt onder meer als volgt:

“Het criterium dat het kind van zijn oorspronkelijke ouder of ouders niets meer te verwachten heeft, ziet op de ouder/kind-relatie. Het gaat dus niet om de vraag of het kind met zijn oorspronkelijke ouders in het geheel geen feitelijke contacten meer heeft of nog zal krijgen. Van belang is of het kind wel of niet kan verwachten dat de ouders nog inhoud kunnen geven aan het ouderschap. Slechts indien vaststaat dat het kind ten aanzien van zijn oorspronkelijke ouders als ouders niets te verwachten heeft, zal aan het nieuwe criterium voor adoptie zijn voldaan. Centraal staat het begrip ouderschap. Ouderschap impliceert het dragen van verantwoordelijkheid jegens het kind, onder meer ten aanzien van verzorging, opvoeding of uitoefening van het gezag. Tevens is ouderschap naar zijn aard bestendig en duurzaam, bij voorbeeld wat het geven van liefde, aandacht en affectie betreft. (....)

Is er twijfel over het antwoord op de vraag of aan de gestelde voorwaarde wordt voldaan, dan zal naar mijn oordeel de rechter de oorspronkelijke ouder het voordeel van de twijfel moeten geven. (...)

In het geval dat de oorspronkelijke ouder of ouders het verzoek tegenspreken, kan zich de vraag voordoen of dit feit betekent dat de nieuwe voorwaarde voor adoptie, te weten dat het kind van zijn oorspronkelijke ouders niets meer te verwachten heeft, niet is vervuld. Deze vraag moet in zijn algemeenheid ontkennend worden beantwoord. (...)

Indien de tegenspraak echter wel is gegrond op de stelling dat de oorspronkelijke ouder de familierechtelijke relatie met het kind wenst te behouden, zal deze stelling moeten meewegen in de vaststelling of het kind, gelet op alle feiten en omstandigheden, van de ouder als ouder werkelijk niets meer te verwachten heeft.”

4.4 Naar het oordeel van het hof kan in dit geval niet worden gezegd dat de kinderen niets meer van de man te verwachten hebben. Naast de inzet van de man, zoals gebleken uit de hiervoor onder 4.1 genoemde omstandigheden heeft de man bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat hij er voor de kinderen wil zijn, ook indien verzoekster en de moeder onverhoopt zouden wegvallen en heeft hij aangegeven dat hij graag invulling blijft geven aan het ouderschap en betrokken wil blijven worden bij opvoedkundige zaken. Gebleken is voorts dat de man voor beide kinderen een studieplanverzekering bij de ABN-AMRO bank heeft afgesloten waarvoor hij maandelijks een premie betaalt. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat met onvoldoende zekerheid valt vast te stellen dat de rol van de man in de toekomst niet van relevante betekenis voor de kinderen zal kunnen zijn. Aan de voorwaarden die de wet aan adoptie stelt is daarom niet voldaan. De huidige ontwikkelingen in de wetgeving, met name het voorstel van de Commissie Kalsbeek waar verzoekster en de moeder zich op beroepen hebben, doet aan dit oordeel niet af. Het betreft hier slechts een advies tot wijziging van wetgeving, waarop in het kader van deze zaak niet kan worden geanticipeerd.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 29 december 2006.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Ter Veer, De Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn en Wammes, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.