Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC2695

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
2007/1304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van tussenbeschikking.

Art. 358 lid 4 Rv.

Onjuiste mededeling van de griffier dat van de beschikking hoger beroep mogelijk is, is niet een beslissing van de pachtkamer dat tussentijds hoger beroep open kan worden ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2007

pachtkamer

rekestnummer 2007/1304 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

1. [appellant],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. D.M.H.M. van Dijk,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. B. Nijman.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de tussenbeschikking van 12 september 2007, die de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem, tussen appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) als verwerende partij en geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als verzoekende partij heeft gewezen. Van genoemde tussenbeschikking is een fotokopie aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] heeft bij op 12 oktober 2007 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift van voormelde tussenbeschikking hoger beroep ingesteld en tegen die beschikking drie grieven opgeworpen.

2.2 Bij brief van 13 november 2007 heeft de procureur van [appellanten] zich nader over de zaak uitgelaten en daarbij aangegeven dat hij het zou toejuichen wanneer voor wat betreft de ontvankelijkheid van het hoger beroep het hof zou oordelen zonder eerst een mondelinge behandeling te gelasten.

2.3 Naar aanleiding van een brief van de griffier van 16 november 2007 heeft de procureur van [geïntimeerde] bij brief van 21 november 2007 laten weten er geen bezwaar tegen te hebben dat mondelinge behandeling van de zaak achterwege blijft. Bij dezelfde brief heeft [geïntimeerde] een verweerschrift ingezonden, dat op 22 november 2007 ter griffie van het hof is binnengekomen. Bij dat verweerschrift heeft [geïntimeerde] onder meer geconcludeerd dat het hof [appellanten] niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

2.4 Vervolgens is de beschikking bepaald op heden.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep

3.1 Het onderhavige hoger beroep heeft betrekking op een beschikking die ook volgens [appellanten] het karakter van een tussenbeschikking draagt. [appellanten] stellen zich echter op het standpunt dat de pachtkamer in eerste aanleg op de voet van artikel 358 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft bepaald dat tussentijds hoger beroep mogelijk is.

3.2 [appellanten] beroepen zich voor hun standpunt op een zinsnede die ónder de ondertekening van de beschikking door kantonrechter-voorzitter en griffier op het aan partijen verstrekte afschrift van de beschikking voorkomt. Onder die ondertekening staat op het afschrift een horizontale streep, met daaronder een aantekening van de datum van verzending. Dááronder staat bedoelde zinsnede, die als volgt luidt:

“Tegen deze beschikking kunnen partijen tot een maand na de dag van verzending hoger beroep instellen bij de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem…”.

Onder deze zinsnede is ten slotte een stempel zichtbaar, luidende:

“Voor eensluidend afschrift

De griffier van de Rechtbank Arnhem

Sector Kanton, locatie…”

welk stempel is voorzien van een handtekening van de griffier.

3.3 Aldus behelst de hiervoor bedoelde zinsnede klaarblijkelijk een (onjuiste) mededeling van de griffier die het afschrift van de beschikking heeft afgegeven, en niet een beslissing van de pachtkamer in eerste aanleg. In eigenlijke zin maakt de zinsnede dan ook geen deel uit van de bestreden beschikking. De omstandigheid dat de griffier van de pachtkamer in eerste aanleg, namens de kantonrechter-voorzitter, naar aanleiding van een schrijven van de gemachtigde van [appellanten] heeft laten weten dat sprake is van een kennelijke fout in de beschikking als bedoeld in artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, maakt dat niet anders, daargelaten of bedoelde griffier en voorzitter zich terecht op dat standpunt hebben gesteld.

3.4 Uit het voorgaande volgt dat het standpunt van [appellanten] omtrent de ontvankelijkheid van hun hoger beroep onjuist is. Het hof zal hen niet-ontvankelijk verklaren en veroordelen in de kosten van dit beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen. Het hof zal de beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4 Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 632,— voor salaris procureur en op € 251,— voor griffierecht en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Valk, Olthof en Van Osch en de raden ing. De Lorijn en ir. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2007.