Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC1554

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-12-2007
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
TBS 2007\316
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing tbs-verlengingsvordering van de officier van justitie.

Het hof ziet zich voor een dilemma gesteld. Daarbij wijst het hof allereerst op de eerdere beslissing van dit hof van 27 februari 2006, onder meer inhoudende:

“Een wijziging van koers is te overwegen teneinde te voorkomen dat betrokkene nog (zeer) langdurig in de terbeschikkingstelling zal blijven. Tegen die achtergrond dient de noodzaak zich aan dat de kliniek en betrokkene de nodige inspanningen zullen verrichten met betrekking tot de voorbereiding van een resocialisatietraject van betrokkene, teneinde te bezien of betrokkene in staat is met meer vrijheden om te gaan.” Daaraan is geen gevolg gegeven. Betrokkene heeft zich gedurende de lange tijd dat hij ter beschikking is gesteld, steeds onttrokken aan de behandeling. Het valt voorts niet te verwachten dat betrokkene in de toekomst zal meewerken aan enige vorm van behandeling. Resocialisatie vanuit de kliniek waar betrokkene thans verblijft, is niet realistisch. De praktijk leert dat bij eventuele overplaatsing naar een andere kliniek min of meer van begin af aan een nieuw traject zal worden ingezet dat naar verwachting jaren zal duren. Betrokkene is niet daadwerkelijk behandeld, maar hij is – in de woorden ven mevrouw Kaiser – wel geconditioneerd. Daarbij is betrokkene inmiddels ouder geworden en heeft hij een sociale inbedding in de maatschappij verworven in de vorm van een echtgenote, werk en een sociaal netwerk. Bovendien blijkt uit voornoemde rapportages dat er wel sprake is van recidiverisico, doch dat het hierbij niet primair gaat om delicten waarbij gebruik gemaakt wordt van excessief geweld. Tegen de achtergrond hiervan is het hof van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat thans de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de terbeschikkingstelling nog eist, zodat voor verlenging van de terbeschikkingstelling onvoldoende grond is. Daaraan staat niet in de weg dat niet uitgesloten kan worden dat betrokkene in de toekomst nog delicten zal plegen die weliswaar niet primair op het terrein van de bedoelde veiligheid liggen, maar die naar het oordeel van het hof zullen kunnen worden afgedaan met straf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 509o
Wetboek van Strafvordering 509t
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2007\316

Beslissing d.d. 28 december 2007

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van de officier van justitie te ’s-Hertogenbosch in de zaak van

[Terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 juli 2007, houdende afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Overwegingen:

• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, gelet op artikel 509t, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de rechtbank niet binnen twee maanden na het indienen van de verlengingsvordering van de officier van justitie haar beslissing heeft genomen en daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken.

• In het bijzonder gelet op de advisering door de kliniek en de externe gedragsdeskundigen is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen niet langer verlenging van de terbeschikkingstelling eist, dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen en dat de terbeschikkingstelling dient te worden beëindigd.

Uit het verlengingsadvies en de aanvullende informatie van de kliniek volgt dat bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met borderline en paranoïde trekken. Er is op verschillende manieren geprobeerd om betrokkene gemotiveerd te krijgen voor zijn behandeling, doch zonder resultaat. Niet te verwachten valt dat betrokkene op enig moment wel zal meewerken aan enige vorm van behandeling. Ook uit de rapportages van de gedragsdeskundigen Oudejans, Kaiser, Sanders en Offermans komt naar voren dat de medewerking van betrokkene aan toekomstige behandelmogelijkheden vrijwel nihil zal zijn.

Oudejans vermeldt in zijn rapportages dat op grond van de resultaten van de afgenomen persoonlijkheidsvragenlijsten blijkt van problematiek in het (primair) narcistisch-antisociale spectrum, doch dat geen aanwijzingen te vinden zijn voor duidelijke stoornissen op het terrein van de impuls- en agressieregulatie. Met name de resultaten van de BDHI-D schetsen een man die vanuit opportunistisch-antisociale overwegingen mensen kan benadelen en daarin weinig geremd wordt, doch die wel beschikt over voldoende controlemogelijkheden en remmingen om zijn agressieve impulsen te controleren en te reguleren. Deze resultaten geven geen indicatie voor een overmatige directe dan wel indirecte agressie. Op grond van de resulaten van de PLC-R kan voorts worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanzienlijke psychopatische component in het functioneren van betrokkene, doch dat hij scoort beneden de grenzen van de criteria van het concept “psychopathie”. Uit afname van de HCR-20 komt onder meer naar voren dat er een reëel recidivegevaar bestaat waar het gaat om vermogensdelicten, overtreding van de Opiumwet en om geweldsdelicten. Hierbij wordt de kanttekening gemaakt dat de kans op excessief geweld dat vergelijkbaar is met de poging tot doodslag waarvoor betrokkene veroordeeld is, relatief kleiner is, althans niet met dezelfde vanzelfsprekendheid voortvloeit uit de aard van betrokkenes persoonlijkheids- en verslavingspathologie. Kaiser concludeert in haar rapportage dat de kans dat betrokkene een delict zal plegen dat als tbs-waardig ingeschat wordt, klein is in die zin dat er niet verwacht wordt dat hij een delict zal plegen waarbij aangetoond kan worden dat er een dusdanige samenhang is tussen zijn persoonlijkheidsstoornis en het delict. Ook Offermans spreekt in zijn rapportage over het feit dat op grond van het huidige klinische beeld en de risicotaxatie-instrumenten de kans dat betrokkene op korte tot (middel)lange termijn komt tot een nieuw, als tbs-waardig te beoordelen delict vrij gering is.

Het hof ziet zich voor een dilemma gesteld. Daarbij wijst het hof allereerst op de eerdere beslissing van dit hof van 27 februari 2006, onder meer inhoudende:

“Een wijziging van koers is te overwegen teneinde te voorkomen dat betrokkene nog (zeer) langdurig in de terbeschikkingstelling zal blijven. Tegen die achtergrond dient de noodzaak zich aan dat de kliniek en betrokkene de nodige inspanningen zullen verrichten met betrekking tot de voorbereiding van een resocialisatietraject van betrokkene, teneinde te bezien of betrokkene in staat is met meer vrijheden om te gaan.” Daaraan is geen gevolg gegeven. Betrokkene heeft zich gedurende de lange tijd dat hij ter beschikking is gesteld, steeds onttrokken aan de behandeling. Het valt voorts niet te verwachten dat betrokkene in de toekomst zal meewerken aan enige vorm van behandeling. Resocialisatie vanuit de kliniek waar betrokkene thans verblijft, is niet realistisch. De praktijk leert dat bij eventuele overplaatsing naar een andere kliniek min of meer van begin af aan een nieuw traject zal worden ingezet dat naar verwachting jaren zal duren. Betrokkene is niet daadwerkelijk behandeld, maar hij is – in de woorden ven mevrouw Kaiser – wel geconditioneerd. Daarbij is betrokkene inmiddels ouder geworden en heeft hij een sociale inbedding in de maatschappij verworven in de vorm van een echtgenote, werk en een sociaal netwerk. Bovendien blijkt uit voornoemde rapportages dat er wel sprake is van recidiverisico, doch dat het hierbij niet primair gaat om delicten waarbij gebruik gemaakt wordt van excessief geweld. Tegen de achtergrond hiervan is het hof van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat thans de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de terbeschikkingstelling nog eist, zodat voor verlenging van de terbeschikkingstelling onvoldoende grond is. Daaraan staat niet in de weg dat niet uitgesloten kan worden dat betrokkene in de toekomst nog delicten zal plegen die weliswaar niet primair op het terrein van de bedoelde veiligheid liggen, maar die naar het oordeel van het hof zullen kunnen worden afgedaan met straf.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 juli 2007 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Wijst af de vordering van de officier van justitie.

Aldus gedaan door

mr Vegter als voorzitter,

mrs van Kuijck en Zwinkels als raadsheren,

en drs van Kordelaar en drs van Weers als raden,

in tegenwoordigheid van mr ten Elshof als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2007.

Mr Zwinkels en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.