Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC0941

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-12-2007
Datum publicatie
28-12-2007
Zaaknummer
21-002327-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring terzake de verkrachting en drie pogingen tot aanranding van oudere dames in Bennekom.

Strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-002327-07

Uitspraak d.d.: 28 december 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 25 april 2007 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans verblijvende in [detentieadres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 december 2007 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr B.P.J. van Riel, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de wijziging van de tenlastelegging bijlage IIb)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 1 het volgende aangevoerd.

De primair tenlastegelegde pogingen tot verkrachting, alsmede de subsidiair tenlastegelegde pogingen tot aanranding kunnen naar het oordeel van de raadsman niet worden bewezen. Er is onvoldoende voorgevallen om van een begin van uitvoering van verkrachting of aanranding te kunnen spreken. Er is op geen enkele wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Ook voor wat het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde betreft heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De slachtoffers hebben de dader omschreven, maar er heeft geen fotoconfrontatie plaatsgevonden, zodat verdachte niet door de slachtoffers als de dader is herkend. De waarnemingen van de slachtoffers kunnen zijn beïnvloed door het nachtelijke tijdstip en de leeftijd van de slachtoffers en de raadsman betwist daarom de betrouwbaarheid van de waarnemingen. Voorts heeft [slachtoffer 4] verklaard dat de dader zijn handen door het openstaande raam van haar woning heeft gestoken. Bij dit raam zijn geen vingerafdrukken veiliggesteld. Er is onvoldoende bewijs om bewezen te verklaren dat verdachte gepoogd heeft de woningen van de slachtoffers binnen te dringen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

Het wordt door de verdediging voor mogelijk gehouden dat het petje, dat vlakbij de plaats delict is gevonden, van verdachte is. Maar dit zegt niets over de betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten.

De politie heeft de dader kort na de verkrachting enige tijd achtervolgd, maar is de dader uit het oog verloren. Wel worden er geluiden waargenomen en als vervolgens een speurhond wordt ingezet leidt het spoor naar verdachte. Er is echter niet onderzocht of er zich in de directe omgeving nog andere personen bevonden. De politie is er ten onrechte van uit gegaan dat de persoon die zij als eerste aantroffen de dader moest zijn.

Op pagina 36 van het proces-verbaal wordt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een signalement van de dader gegeven. De dader zou een donkergekleurde broek dragen. Op een later tijdstip verklaart [verbalisant 1] over een blauwe spijkerbroek. Er is geen onderzoek gedaan naar de kleding van verdachte en het staat volgens de raadsman niet vast dat verdachte aan het signalement voldeed.

De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken gelet op het gebrek aan overtuigend bewijs.

Overwegingen hof

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het navolgende vast komen te staan.

1. Op 8 juli 2006 omstreeks 02:08 uur begeven [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich na een melding naar [naam straat 1], alwaar zij een vrouw om hulp horen schreeuwen. De verbalisanten zien vervolgens een vrouw op haar rug in het gras liggen met een man bovenop haar. De man is gekleed in een donkerkleurige broek, een lichtgekleurd shirt en hij droeg op zijn hoofd een lichtgekleurde pet. De verbalisanten zien dat de man en de vrouw in een worsteling verwikkeld zijn. Als de verbalisanten hun aanwezigheid bekend maken, rent de man weg. De verbalisanten zetten de achtervolging in. Op enig moment ziet [verbalisant 1] de man over een hekwerk klimmen. Dit hekwerk is de scheiding tussen [naam straat 1] en de naastgelegen [naam straat 2]. De man verliest bij het afspringen zijn pet. De man vervolgt de vlucht via de [naam straat 2] en kort daarna verliezen de verbalisanten de man uit het oog als deze een tuin invlucht aan de achterzijde van een perceel aan de [naam straat 2]. Zij horen echter aan het kraken van takken in welke richting de man gaat en sturen een politiehond naar de achterzijde van de woningen aan de [naam straat 2].

2. De verdachte is aangetroffen aan de achterzijde van de woning aan perceel nummer 26 aan de [naam straat 2].

3. [Verbalisant 1] heeft verklaard dat de man die hij is gevolgd terwijl hij over het hek klom, alsmede de man die door collega-agenten is aangehouden, dezelfde man is als de man hij even daarvoor had aangetroffen op het slachtoffer.

4. De pet, die door de verdachte werd verloren toen hij over het hekwerk klom, is veiliggesteld voor onderzoek en door het NFI onderzocht op de aanwezigheid van celmateriaal. Uit dit onderzoek is gebleken dat het aangetroffen celmateriaal van verdachte afkomstig kan zijn.

5. [Slachtoffer 1] heeft verklaard dat een onbekende man haar woning, gelegen aan [naam straat 1] te Bennekom, binnendrong. Deze man begon direct woorden tegen haar te roepen als ‘kut, kutje likken’ en ‘neuken’. De onbekende man heeft op een ruwe manier de nachtkleding van het slachtoffer omhoog getrokken en is meermalen met zijn vingers in haar vagina gedrongen. De man bleef het slachtoffer daarbij vasthouden.

6. Bij de woning van [slachtoffer 1] wordt een sok aangetroffen. Deze sok wordt eveneens onderzocht door het NFI. Aan de binnenzijde van de sok wordt celmateriaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen man dit DNA-profiel heeft, is kleiner dan 1 op 1 miljard.

7. [Slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij op 8 juli 2006 omstreeks 02:00 uur lawaai hoorde bij het raam van haar slaapkamer in haar woning aan [naam straat 1]. Toen zij naar buiten keek zag zij een man staan. De man droeg een pet die licht van kleur was. Het slachtoffer hoorde dat de man tegen haar zei: ‘vagina’, en zij zag dat de man probeerde het raam van de slaapkamer verder te openen om binnen te kunnen komen. Nadat het slachtoffer de politie had gebeld was de man verdwenen.

8. [Slachtoffer 2] heeft verklaard dat er op 8 juli 2006 om 02:00 uur werd aangebeld bij haar woning aan [naam straat 1]. Zij hoorde dat de man die voor haar deur stond tegen haar zei: ‘kutje likken’. Toen zij de deur niet wilde opendoen heeft de man met kracht tegen de voordeur getrapt. De man heeft de deur niet opengekregen. Het slachtoffer heeft gezien dat de man een petje droeg wat licht van kleur was.

9. [Slachtoffer 4] verklaart dat zij op 8 juli 2006 lag te slapen in haar woning aan [naam straat 1], toen zij omstreeks kwart over 2 wakker werd van het geluid dat het raam in haar slaapkamer met een ruk werd geopend. Vervolgens ziet het slachtoffer dat er handen door het geopende raam naar binnen komen en zij hoorde een mannenstem zeggen: ‘kutje likken, kutje likken’. Op het moment dat het slachtoffer de handen zag, zag zij een hoofd met daarop een petje. Toen het slachtoffer riep dat de man moest weggaan, is de man verdwenen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op bovenstaande, verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de verkrachting van [slachtoffer 1]. Verdachte is herkend als de persoon die in de vroege ochtend van 8 juli 2006 op het slachtoffer werd aangetroffen, het DNA dat is aangetroffen op de pet, die door de dader werd verloren tijdens de vlucht, kan afkomstig zijn van verdachte, en op de plaats delict is een sok aangetroffen met DNA-materiaal van verdachte. De politie is weliswaar de dader tijdens de achtervolging op enig moment uit het oog verloren maar zij konden aan de hand van geluiden volgen wat de vluchtroute van de dader was. Verdachte is in de directe nabijheid van de plaats waar de dader uit het zicht verdween aangetroffen. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat verdachte niet de persoon was die door de politie werd achtervolgd.

Uit bovenstaande blijkt voorts dat bij [slachtoffer 2, 3 en 4] in dezelfde nacht, in hetzelfde tijdsbestek en in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer 1] een onbekende man heeft gepoogd de woning binnen te komen. Tegen deze drie slachtoffers heeft deze onbekende man seksuele opmerkingen gemaakt.

De wijze van handelen bij deze feiten komt vrijwel geheel overeen met die bij feit 2, nu de dader van de verkrachting tegen [slachtoffer 1] gelijkluidende seksuele opmerkingen maakte.

Daarnaast hebben [slachtoffer 2, 3 en 4] verklaard dat de onbekende man een lichtkleurige pet droeg. Ook dit komt overeen met het signalement van de dader van de verkrachting van [slachtoffer 1].

Gelet op de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het verdachte is die zich heeft schuldig gemaakt aan drie pogingen tot aanranding, nu de bewezenverklaarde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm als begin van uitvoering van dat delict kunnen worden aangemerkt. Het hof neemt aan dat uitsluitend omdat verdachte bij [slachtoffer 2, 3 en 4] de woning niet heeft weten binnen te dringen, het feit steeds niet is voltooid. Gelet op de daadwerkelijke verkrachting van [slachtoffer 1] acht het hof bewezen dat verdachte wel degelijk het voornemen had om de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2, 3 en 4] te schenden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. Hij in de nacht van 7 op 8 juli 2006 te Bennekom, gemeente Ede, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum]) en [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum]) en [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum]) te dwingen tot het dulden van (een) ontuchtige handeling(en), heeft getracht binnen te dringen in de woning van voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en (daarbij) dwingend/dreigend (in de richting van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4]) heeft geroepen/gezegd: “Kutje, kutje likken!”, althans woorden van gelijke dwingende/dreigende aard of strekking, terwijl genoemd voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Hij in de nacht van 07 op 08 juli 2006 te Bennekom, gemeente Ede, door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]) (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het telkens duwen/brengen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer 1], welk geweld of andere feitelijkheden hierin hebben bestaan dat verdachte de woning van voornoemde [slachtoffer 1] is binnengeklommen en die [slachtoffer 1] (vervolgens) heeft vastgepakt en die [slachtoffer 1] dwingend/dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Neuken!” en “Kut, kutje likken!”, en (de) nachtkleding van die [slachtoffer 1] omhoog heeft getrokken en met zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van die [slachtoffer 1] is gedrongen en die [slachtoffer 1] (bij voortduring) heeft vastgehouden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde:

Poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte midden in de nacht de woning van een destijds 68-jarige vrouw is binnengedrongen en deze vrouw heeft verkracht door met zijn vingers in haar vagina te dringen. Daarnaast heeft verdachte in dezelfde nacht getracht om ontucht te plegen met drie andere vrouwen op leeftijd.

Het bewezenverklaarde levert ernstige feiten op. Alle slachtoffers hebben het handelen van verdachte ervaren als zeer beangstigend en bedreigend. Door het plegen van deze feiten heeft verdachte op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijk en psychische integriteit van het slachtoffer dat hij verkracht heeft, alsmede inbreuk gemaakt op de gevoelens van veiligheid die de eigen woning normaal gesproken biedt.

Voor wat betreft de hoogte van de straf houdt het hof rekening met het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 5 december 2007, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden bij herhaling is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten, doch niet voor een soortgelijk feit als de onderhavige. Tevens neemt het hof in aanmerking dat de pogingen tot het plegen van ontucht beperkt zijn gebleven tot het proberen de huizen van de slachtoffers binnen te dringen en het uiten van seksuele opmerkingen.

Het bovenstaande in aanmerking genomen acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan enig strafbaar feit, zal het hof een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 1072,20. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 572,20. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het hierna te noemen bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 1000,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 500,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 57, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van EUR 572,20 (vijfhonderdtweeënzeventig euro en twintig cent).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van EUR 572,20 (vijfhonderdtweeënzeventig euro en twintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]:

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4], te betalen een bedrag van EUR 500,00 (vijfhonderd euro).

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 4], in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 4], een bedrag te betalen van EUR 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr A.W.M. Elders, voorzitter,

mr A.E. Harteveld en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr B.P. Snijder, griffier,

en op 28 december 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.