Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC0610

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
TBS 2007\156
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alsnog verpleging van overheidswege.

Het hof gaat er van uit dat de terbeschikkinggestelde een voorwaarde heeft overtreden die verband hield met het delictgevaar. Gelet verder op hetgeen wordt opgemerkt over de houding van de terbeschikkinggestelde (hij is niet veranderingsgezind) en zijn opvatting over de bewezenverklaarde feiten (waarvoor hij de verantwoordelijkheid niet neemt) acht het hof een tbs met voorwaarden onvoldoende om het aanwezige delictgevaar te keren en zal om die reden bevelen dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. Het hof is daarbij van oordeel dat de behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met name ook gericht moet zijn op de psychiatrische aspecten van de betrokkene en niet merendeels op zijn (soft)druggebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2007\156

Beslissing d.d. 14 december 2007

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Haarlem van 16 maart 2007, houdende de beslissing dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.

Overwegingen:

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht zal doen mede op grond van nieuwe stukken en op grond van hetgeen de getuige-deskundige ter zitting van het hof heeft verklaard.

Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep negen maanden na het instellen van het hoger beroep behandeld. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

Bij uitspraak van 6 december 2006 heeft de rechtbank Haarlem betrokkene ontslagen van alle rechtsvervolgingen en hem een tbs met voorwaarden opgelegd. Eén van de voorwaarden luidt: ‘De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de voorwaarden die de behandelaar omtrent alcohol en drugsgebruik stelt.’

Tijdens zijn behandeling is het de terbeschikkinggestelde duidelijk gemaakt dat het hem niet is toegestaan cannabis te gebruiken. Uit het rapport van Brijder verslavingszorg van 27 februari 2007 blijkt dat betrokkene cannabis heeft gebruikt en dat hij ondanks de verschillende waarschuwingen door is gegaan met het gebruik.

Door en namens de terbeschikkinggestelde wordt niet betwist dat hij een door de rechtbank gestelde voorwaarde heeft overtreden. Aangevoerd is wel dat de overtreden voorwaarde geen verband houdt met het delictgevaar en dat gezocht moet worden naar een minder ingrijpend alternatief zoals wijziging van de voorwaarden of plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

Het hof stelt voorop dat overtreding van een voorwaarde opgelegd in het kader van een tbs met voorwaarden in beginsel dient te leiden tot een omzetting in een tbs met verpleging. De voorwaarden die in dat kader worden opgelegd hebben immers tot doel het delictgevaar te beteugelen en de wetenschap bij de terbeschikkinggestelde dat overtreding van een voorwaarde tot omzetting leidt, moet werken als aansporing voor hem om zich aan de voorwaarden te houden. Een dergelijke aansporing dient niet alleen de behandeling van de terbeschikkinggestelde, maar ook de veiligheid van de maatschappij.

Namens de terbeschikkinggestelde is aangevoerd dat uit de rapportage van het PBC zou blijken dat er geen relatie bestaat tussen het gebruik van cannabis en de bewezenverklaarde feiten.

Op p. 41 van dat rapport staat inderdaad: ‘De ten laste gelegde feiten kunnen naar het oordeel van het onderzoekend team volledig vanuit de psychopathologie worden verklaard.’

Bij de behandeling van de terbeschikkinggestelde dient echter niet alleen acht te worden geslagen op factoren die het delict hebben veroorzaakt, maar ook op factoren die bepalend zijn voor het delictgevaar. Hoewel er vaak een overlap bestaat tussen die factoren, hoeft het daarbij niet om identieke factoren te gaan. Ten aanzien van het delictgevaar staat op p. 42 van het PBC rapport:

‘De kans op herhaling (….) moet naar ons oordeel als aanzienlijk worden geacht. Er is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een al langer bestaande waanstoornis en een structurele kwetsbaarheid in de vorm van zwakbegaafdheid. Belangrijke risicofactoren zijn het wegvallen van de externe structuur en het niet slikken van medicatie. De langdurige cannabisafhankelijkheid lijkt niet direct delictgerelateerd, maar kan vanwege het ondermijnen van de realiteitstoetsing wel als een risicofactor worden gezien.’

Gelet op deze passage, de rapportage van de Brijder van 27 februari 2007 en hetgeen door de heer Kaart op de zitting is gezegd, gaat het hof er van uit dat de terbeschikkinggestelde een voorwaarde heeft overtreden die verband hield met het delictgevaar. Uit de aanwezige stukken blijkt verder dat de verdachte niet wenst te stoppen met het gebruik van cannabis en aldus een factor in stand wenst te houden die mede bepalend is voor het delictgevaar.

Gelet verder op hetgeen in het rapport van de Brijder wordt opgemerkt over de houding van de terbeschikkinggestelde (hij is niet veranderingsgezind) en zijn opvatting over de bewezenverklaarde feiten (waarvoor hij de verantwoordelijkheid niet neemt) acht het hof een tbs met voorwaarden onvoldoende om het aanwezige delictgevaar te keren en zal om die reden bevelen dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. Het hof is daarbij van oordeel dat de behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met name ook gericht moet zijn op de psychiatrische aspecten van de betrokkene en niet merendeels op zijn (soft)druggebruik.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Haarlem van 16 maart 2007 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Beveelt dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gedaan door

mr Stikkelbroeck als voorzitter,

mrs Sutorius en den Hartog als raadsheren,

en drs Schudel en drs Harmsen als raden,

in tegenwoordigheid van mr ten Elshof als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2007.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.