Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BC0607

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
TBS 2007\321
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het betreft een hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de afwijzing van de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

In het verlengingsadvies wordt beschreven dat het recidiverisico op korte en middenlange termijn als matig en op de lange termijn als hoog wordt ingeschat. De externe deskundigen laten zich hierover in soortgelijke bewoordingen uit. Blijkens informatie verstrekt ter zitting door de getuige-deskundige zal betrokkene via de weg der geleidelijkheid los moeten komen van de kliniek.

Het hof acht, anders dan de rechtbank, dat het gevaar voor opnieuw (ook ernstige) strafbare feiten wel aanwezig wanneer de terbeschikkingstelling zou eindigen en is van oordeel dat verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar is geïndiceerd. Bij tussenbeslissing verlengt het hof de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar en wijst toe het verzoek tot nader onderzoek teneinde te bezien of voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2007\321

Tussenbeslissing d.d. 18 december 2007

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen in de zaak van

[Terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 juli 2007, houdende afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Overwegingen:

• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet op grond van nieuwe stukken, alsmede gelet op artikel 509t, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de rechtbank niet binnen twee maanden na het indienen van de verlengingsvordering van de officier van justitie haar beslissing heeft genomen en daar het tot een andere beslissing komt.

• Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep ruim vijf maanden na het instellen van het hoger beroep behandeld. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

• In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat. Uit het verlengingsadvies volgt dat bij betrokkene sprake is van een gedeeltelijk in remissie zijnde aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en een thans in remissie zijnde afhankelijkheid van verschillende middelen. Tevens is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken. Op dit moment woont de terbeschikkinggestelde buiten de kliniek in het kader van een transmuraal verlof.

Anders dan de rechtbank acht het hof het gevaar voor opnieuw (ook ernstige) strafbare feiten wel aanwezig wanneer de terbeschikkingstelling zou eindigen. In het verlengingsadvies wordt beschreven dat de kans op terugval in middelengebruik groot wordt geacht wanneer betrokkene te maken krijgt met destabiliserende factoren, zoals daar in de situatie van betrokkene zijn: een vergrote verleiding voor alcohol en drugs, een beperkt netwerk en een moeilijke financiële situatie. Het recidiverisico wordt op korte en middenlange termijn ingeschat als matig en op de lange termijn als hoog. De externe deskundigen laten zich hierover in soortgelijke bewoordingen uit. Blijkens informatie verstrekt ter zitting door de getuige-deskundige zal betrokkene via de weg der geleidelijkheid los moeten komen van de kliniek. Dit ingezette traject dient te worden voortgezet.

Op grond hiervan acht het hof, net als de advocaat-generaal, het eindigen van de maatregel van de terbeschikkingstelling zonder dat er langere tijd een overgangssituatie is geweest -waarbij betrokkene langzamerhand naar volledige zelfstandigheid kan toewerken- onverantwoord.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar is geïndiceerd.

• Het verzoek tot aanhouding van de zaak voor het overige, zodat onderzoek kan worden verricht naar de haalbaarheid van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, wordt toegewezen. Het hof acht het voor de vorming van zijn eindoordeel noodzakelijk dat de Stichting Reclassering Nederland een rapport opstelt omtrent de (on)mogelijkheden van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege van betrokkene. Voor het geval de reclassering tot het oordeel komt dat voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege mogelijk is, verzoekt het hof om tevens te rapporteren over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de reïntegratie van de terbeschikkinggestelde in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging zou kunnen geschieden.

Tussenbeslissing:

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 16 juli 2007;

- verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar;

- wijst toe het verzoek tot nader onderzoek teneinde te bezien of voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege mogelijk is;

- heropent de behandeling van de zaak om voormelde reden en schorst het onderzoek tot de zitting van 3 maart 2008 te 10.00 uur;

- verzoekt de advocaat-generaal de stukken in handen te stellen van de reclassering, teneinde te rapporteren over de mogelijkheid van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege;

- beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde, tegen het hiervoor genoemde tijdstip en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsvrouw van de terbeschikkinggestelde.

Aldus gedaan door

mr Stikkelbroeck als voorzitter,

mrs Van der Herberg en Bartelds als raadsheren,

en drs Mensing en drs Boon als raden,

in tegenwoordigheid van Van Lieshout-Witjes als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2007.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.