Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB9671

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
018/2007
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging alimentatietermijn nieuw geval, duur huwelijk indien partijen tweemaal zijn gehuwd.

Gelet op convenant van partijen gesloten bij beëindiging tweede huwelijk heeft uitspraak HR 4-5-07 over duur huwelijk geen gevolg in dit geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 oktober 2007

Familiekamer

Rekestnummer 18/2007

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, hierna te noemen: “de man”,

procureur mr. P.A.C. de Vries,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr. B.F.M. Bos.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Op 5 juni 2007 heeft het hof een tussenbeschikking gegeven.

1.2 Het hof heeft kennisgenomen van een brief van 31 juli 2007 van de procureur van de vrouw met als bijlage een “akte uitlating na beschikking, tevens inhoudend incidenteel appèl”, een schrijven van de procureur van de vrouw met als aanhef “Antwoordakte na beschikking”, ingekomen ter griffie van dit hof op 10 september 2007, een brief van 20 september 2007 van de procureur van de vrouw en een brief van 24 september 2007 van de advocaat van de man, mr Van der Laak, advocaat te Moergestel.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1 Het hof neemt over en blijft bij hetgeen is overwogen in de beschikking van 5 juni 2007, voorzover hierna niet anders wordt overwogen.

2.2 In die beschikking heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de eventuele gevolgen voor de onderhavige zaak van de beslissing van de Hoge Raad van 4 mei 2007, NJ 2007, 405, waarin de Hoge Raad heeft beslist dat gelet op de ratio van artikel 1:157 lid 6 BW het voor de hand ligt dat twee elkaar volgende huwelijken, zoals in het onderhavige geval ook aan de orde, gelijk te stellen met een huwelijk dat even lang heeft geduurd als beide huwelijken samen en dat artikel 1:157 lid 6 BW zich dus niet verzet tegen toepassing van artikel 1:166 BW. Uit de reactie van partijen blijkt dat zij over de eventuele gevolgen geen overeenstemming hebben bereikt.

2.3 Volgens de vrouw betekent toepassing van deze uitspraak van de Hoge Raad dat, zoals zij zelf in eerste aanleg al had verdedigd - maar de rechtbank ten onrechte niet heeft gehonoreerd - de duur van de onderhoudsverplichting van de man jegens haar ingevolge artikel 1:157 lid 4 BW 12 jaar bedraagt welke termijn ingaat op 6 mei 2003, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeslissing van 28 juni 2002, en eindigt op 6 mei 2015. De rechtbank heeft haar niet gevolgd in haar visie dat er geen sprake was van een kort kinderloos huwelijk als bedoeld in artikel 1:157 lid 6 BW maar zij heeft hiertegen geen (incidenteel) beroep ingesteld. Zij stelt dat het hof in het kader van grief 4 van de man tot de door haar gewenste vernietiging van het bestreden vonnis kan komen. Voorts stelt zij alsnog incidenteel beroep in tegen de bestreden beschikking waartoe zij gerechtigd is op grond van de beslissing van de Hoge Raad die zij als novum aanmerkt. Zij betwist dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de man geen alimentatie zou betalen, dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw in tijd beperkt zou zijn en dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten in het convenant. Dat in de considerans van het convenant is opgenomen dat de onderhoudsverplichting van de man ingevolge de wettelijke bepalingen in duur is beperkt tot de duur van het huwelijk, is geen overeenkomst tussen partijen, noch zijn partijen overeengekomen dat die onderhoudsverplichting beperkt zou zijn tot die duur van het huwelijk.

2.4 De man stelt -kort samen gevat- dat de vrouw tegen de beslissing van het hof te ’s-Hertogenbosch van 18 februari 2003, waarin deze de duur van de alimentatieplicht gelijk heeft gesteld aan de duur van het huwelijk op 16 maart 2000, niet is opgekomen in cassatie zodat deze uitspraak formele rechtskracht heeft en niet terzijde kan worden geschoven naar aanleiding van de beslissing van de Hoge Raad van 4 mei 2007. De vrouw heeft in genoemd convenant bevestigd het eens te zijn met de duur van de alimentatieverplichting gelijk aan de tijdsduur van het desbetreffende ontbonden huwelijk waarmee zij de beschikking van 18 februari 2003 definitief heeft erkend. Het convenant is niet anders te kwalificeren als een vaststellingsovereenkomst en is geldig ook als de inhoud in strijd is met het recht. De vrouw heeft geen beroep gedaan op (het hof begrijpt:) artikel 7:904 lid 1. Het instellen van incidenteel hoger beroep is tardief en in strijd met het procesrecht en de goede procesorde.

2.5 Het hof is met de man van oordeel dat het incidenteel beroep van de vrouw tardief is. De vrouw had de gelegenheid uiterlijk in haar verweerschrift in hoger beroep tevens beroep in te stellen van de beslissing van de rechtbank voorzover dat betrof de toepasselijkheid van artikel 1:157 lid 4 BW op het onderhavige geval. De vrouw heeft dat nagelaten en heeft daarmee berust in die beslissing. Nu de man er niet ondubbelzinnig mee instemt dat de vrouw alsnog een grief tegen deze beslissing aanvoert is de rechtstrijd in deze beperkt tot het door de man aangevallen onderdeel van de bestreden beschikking. Evenmin volgt het hof de vrouw in haar stelling dat tot het door de vrouw gewenste resultaat kan worden gekomen middels honorering van grief 4 van de man nu de man daarmee niet grieft tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 1:166 BW geen gevolgen heeft voor de werking van artikel 1:157 lid 6 BW.

2.6 De stelling van de man dat het hof te ’s-Hertogenbosch in de beschikking van 18 februari 2003 heeft beslist dat in dit geval de duur van de alimentatieplicht gelijk is aan de duur van het tweede huwelijk van partijen is niet juist. In die beschikking heeft dat hof hierover niet(s) beslist. Het hof heeft slechts de hoogte van de alimentatie vastgesteld en daarbij een aantal voor de hoogte van de behoefte en de behoeftigheid relevante omstandigheden genoemd in 4.7.

2.7 Vervolgens is aan de orde wat de betekenis is van de in de considerans van het na de beschikking van het hof te ’s-Hertogenbosch op 16 april 2003 ondertekende echtscheidingsconvenant voorkomende zin “ De onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is ingevolge de wettelijke bepaling in de duur beperkt tot de duur van het huwelijk, zodat de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw na ommekomst van deze periode van rechtswege eindigt”.

In de tussenbeschikking van 5 juni 2007 is de considerans ruimer geciteerd maar ontbrak nog de eerste alinea die luidt:

“Partijen hebben vanaf 1980 een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 19-2-1982 zijn zij te [plaatsnaam] met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit dat huwelijk is één kind geboren: [het kind], geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] 1983. (…) In 1989 is het huwelijk van partijen door echtscheiding ontbonden. Vervolgens zijn zij op 16-3-2000 te [plaatsnaam] wederom met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd.”

Voorop moet worden gesteld dat het bij de uitleg van contractsbepalingen, waartoe het hof ook de considerans van het convenant rekent, aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hiervan uitgaande, in aanmerking nemend dat beide partijen rechtskundige bijstand hadden en gelet op de gehele considerans in onderlinge samenhang, oordeelt het hof dat met de duur van het huwelijk in dit geval redelijkerwijs werd gedoeld op de duur van het tweede huwelijk. Dat daarmee bedoeld zou zijn de duur van het eerste huwelijk of de duur van beide huwelijken samen heeft de vrouw in deze procedure niet gesteld en ligt niet voor de hand. Deze bedoeling sluit ook aan op de wettelijke regeling in artikel 1:157 lid 6 dat een speciale regeling geeft voor een kinderloos huwelijk dat niet langer duurt dan 5 jaar. Bovendien heeft de advocaat van de vrouw, mr Bos, die betrokken was bij de totstandkoming van het convenant, desgevraagd namens de vrouw verklaard dat met de duur bedoeld was de duur van het tweede huwelijk van partijen en heeft de vrouw verklaard dat zij wist dat de alimentatie na die duur zou stoppen. Dat de exacte duur van het tweede huwelijk niet in dit convenant is genoemd, vindt zijn verklaring hierin dat op dat moment de echtscheidingsbeschikking nog niet was ingeschreven in de betreffende registers. Wel zijn partijen in artikel 1 van het convenant overeengekomen dat zij direct na ondertekening van het convenant de akte van berusting zullen ondertekenen en tevens de opdracht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking over te gaan. Te verwachten was dan ook dat die inschrijving snel tot stand zou komen waardoor het tweede huwelijk ruimschoots korter zou duren dan de in artikel 1:157 lid 6 BW bedoelde termijn van vijf jaar. Dat met die duur bedoeld zou zijn de duur van beide huwelijken samen ligt ook daarom niet voor de hand en mocht de vrouw daarom ook redelijkerwijs niet verwachten omdat dit een bijzondere -van de regeling van zowel lid 4 als lid 6 van artikel 1:157- afwijkende afspraak zou betreffen die dan toch nadere beschrijving zou behoeven. Dit betekent dat het hof de man volgt in zijn stelling dat tussen partijen is overeengekomen dat de wettelijke duur van de alimentatie is beperkt tot de duur van het tweede huwelijk zoals bepaald in artikel 1:157 lid 6 BW. Deze termijn kan ingevolge artikel 1:157 lid 5 BW worden verlengd door de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde. Dat deze afspraak gelet op de recente jurisprudentie van de Hoge Raad van 4 mei 2007 in strijd is met het recht zoals toegepast door de Hoge Raad, doet aan de overeenkomst, die de man terecht kenmerkt als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW, niet af. De conclusie van het voorgaande is dat de uitspraak van de Hoge Raad van 4 mei 2007 geen gevolg heeft voor de beslissing in deze zaak en dat de rechtbank terecht op het verlengingsverzoek van de vrouw artikel 1:157 lid 6 van toepassing heeft geacht.

2.8 Ingevolge artikel 1:157 lid 6 eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege 3 jaren, 1 maand en 20 dagen na 6 mei 2003, dus op 26 juni 2006, en niet zoals de rechtbank heeft overwogen op 6 juni 2006.

2.9 Het hof overweegt dat de man terecht stelt dat de stelplicht en de bewijslast van de omstandigheden die beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard maken dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden, op de vrouw rust. De vrouw heeft aangevoerd dat het tweede huwelijk van partijen weliswaar kinderloos was maar dat het eerste huwelijk, waaruit [het kind] is geboren, is ontbonden op verzoek van de man op zakelijke gronden doch dat deze scheiding geen enkele wijziging tot gevolg had in de wijze waarop partijen met elkaar omgingen. Partijen bleven na de scheiding met [het kind] bij elkaar wonen als waren zij gehuwd en binnen de intieme familie- en vriendenkring van partijen was niet bekend dat zij gescheiden waren. Materieel was er sprake van een huwelijk en de man voorzag in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, aldus de vrouw. De man heeft een en ander wel betwist maar hij heeft niet betwist dat partijen met [het kind] bleven samenwonen als gezin en dat er financieel niets veranderde na de eerste echtscheiding. De vrouw die al sinds haar 17de bij de man is en sindsdien altijd -ook in de periode dat partijen officieel gescheiden waren- financieel door hem is onderhouden, heeft geen beroepsopleiding genoten en heeft zich vanaf de geboorte van [het kind] hoofdzakelijk beziggehouden met de huishouding van partijen en de verzorging en opvoeding van [het kind] en incidenteel een baantje buitenshuis gehad, terwijl de man voor het gezinsinkomen zorgde, welk inkomen volgens de vrouw altijd zeer royaal was. De man heeft deze stellingen van de vrouw evenmin gemotiveerd betwist. De levensstandaard van partijen tijdens de laatste jaren van het huwelijk was aanzienlijk zoals het hof ’s-Hertogenbosch in de beschikking van 18 februari 2003 heeft vastgesteld. De vrouw had op het moment dat partijen in 2003 waren gescheiden een grote achterstand op de arbeidsmarkt ten gevolge van de keuzes die waren gemaakt door partijen vanaf de datum van het eerste huwelijk.

2.10 Na de tweede scheiding is de vrouw met ingang van 15 april 2004 in de zaak van een vriendin gaan werken als verkoopster voor 20 uur in de week. Zij heeft haar werkzaamheden en haar inkomen niet aan de man gemeld. De vrouw stelt wel dat zij haar huidige baan niet kan uitbreiden maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij elders geen baan heeft kunnen vinden dan wel alsnog zou kunnen vinden als verkoopster voor 36 uur per week dan wel een baan voor 16 uur naast haar huidige baan. De vrouw heeft verklaard dat zij in 2006 vier sollicitatiebrieven heeft verstuurd, zonder succes. Een dergelijke inspanning acht het hof onvoldoende tegen de achtergrond dat de vrouw wist dat de wettelijke alimentatietermijn in haar geval werd bepaald door artikel 1:157 lid 6 BW, zoals de advocaat van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard. Hij heeft toegelicht dat met de in 2.7 als eerste weergegeven zin in het convenant gedoeld werd op de wettelijke limitering van artikel 1:157 lid 6 met de mogelijkheid tot verlenging door de rechter op basis van artikel 1:157 van lid 5. Nu de vrouw kennelijk gezond is en geen kind meer te verzorgen heeft, moet zij naar het oordeel van het hof in staat worden geacht met een baan voor 36 uur per week een inkomen te verwerven van circa € 1.340,- per maand bruto inclusief vakantiegeld. Dat de vrouw thans meer zou kunnen verdienen heeft de man wel gesteld maar heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt.

2.11 Bij de beoordeling van de vraag of beëindiging van de uitkering voor de vrouw ingrijpend is, vergelijkt het hof de situatie waarin de vrouw alleen alimentatie van de man ontvangt van € 2.372,- bruto per maand omdat de vrouw haar arbeidsinkomen niet aan de man heeft gemeld met de situatie dat de vrouw geen alimentatie meer ontvangt maar zelf € 1.340,- bruto per maand verdient als verkoopster. Het verschil bedraagt € 1.032,- per maand bruto. Ook bij dat inkomen van € 1.340,- bruto per maand acht het hof beëindiging van de uitkering voor de vrouw ingrijpend. De stelling van de vrouw dat haar behoefte hoger is dan de geldende alimentatie verwerpt het hof omdat het hof te ’s-Hertogenbosch in de beschikking van 18 februari 2003 bij de beoordeling van de behoefte van de vrouw in rechtsoverwegingen 4.4 - 4.8 heeft overwogen dat de verlangde -en vastgestelde- alimentatie van € 2.268,90 bruto per maand in overeenstemming is met de welstand van partijen tijdens de laatste jaren van het huwelijk en de vrouw het tegendeel thans niet aannemelijk heeft gemaakt.

2.12 Bij de beoordeling van de vraag of de beëindiging zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden neemt het hof de hiervoor onder 2.9 weergegeven feiten en omstandigheden in aanmerking. Deze omstandigheden gevoegd bij het feit dat het hof de verdiencapaciteit van de vrouw thans inschat op € 1.340,- bruto per maand maken dat algehele beëindiging van de uitkering van de vrouw niet gevergd kan worden. Verlaging van de uitkering tot € 1.032,- per maand bruto kan in deze omstandigheden wel van de vrouw gevergd worden. In zoverre is de wettelijke beëindiging van de uitkering niet te ingrijpend. Dit oordeel omtrent de verlenging van de termijn wordt niet anders door de omstandigheid dat de man, zoals hij stelt, vanaf de echtscheiding in 2003 mocht verwachten dat de onderhoudsverplichting definitief zou eindigen na ommekomst van de wettelijke termijn en dat hij een nieuw gezin heeft gesticht. Ook de man wist of kon weten dat de wet in artikel 1:157 lid 5 de mogelijkheid biedt de onderhoudsverplichting te verlengen mede gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval zoals geschetst in 2.9. De man had met deze mogelijkheid rekening kunnen houden. Die verwachting van de man weegt in ieder geval niet op tegen het belang van de vrouw bij verlenging van de termijn.

2.12 Op grond van het voorgaande acht het hof voorts verlenging van de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting van de man tot een bijdrage van € 1.032,- bruto per maand na 26 juni 2006 voortduurt redelijk. Voor de vaststelling van de duur van de termijn houdt het hof rekening met de hiervoor in 2.9 geschetste feiten en omstandigheden. Op grond hiervan acht het hof de door de rechtbank vastgestelde, verlengbare termijn van 5 jaar redelijk. Voor de verlengbaarheid van de termijn is met name van belang de lange duur van de relatie van partijen tijdens en tussen de huwelijken van partijen en de verminderde verdiencapaciteit van de vrouw ten gevolge van deze huwelijken en de geboorte van [het kind]. Het is aan de vrouw om als zij verlenging van de termijn zou verzoeken in ieder geval aan te tonen dat zij zich heeft ingespannen door middel van een fulltime baan in eigen levensonderhoud te voorzien, naast de ingevolge artikel 1:401 lid 2 BW vereiste ingrijpende wijziging van omstandigheden.

2.13 De man heeft geen belang meer bij beoordeling van zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring nu het hof heden uitspraak doet in hoger beroep. In dit verzoek zal het hof de man niet-ontvankelijk verklaren.

3 De slotsom

Omdat de grieven van de man ten dele slagen en het hof op onderdelen anders zal beslissen dan de rechtbank dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van de beschikking van de rechtbank Arnhem van 27 november 2006 zoals hersteld bij beschikking van 13 december 2006;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 27 november 2006, zoals hersteld bij beschikking van 13 december 2006, en opnieuw beschikkende:

verlengt de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw tot een bijdrage van € 1.032,- per maand voortduurt met 5 jaar, te rekenen van 26 juni 2006;

bepaalt dat deze termijn na ommekomst daarvan kan worden verlengd;

stelt vast dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw voor zover dit betreft de bijdrage boven € 1.032,- per maand is geëindigd met ingang van 26 juni 2006;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mens, Van Gelder en Ernes en is op 30 oktober 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.