Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB9637

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-10-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
2007/938
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart verzoekers niet-ontvankelijk wegens verlopen identiteitsbewijs man en het niet met de nodige zorg uitvoeren van het minnelijk traject door de Stadsbank. Hof laat hen alsnog toe tot schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 oktober 2007

eerste civiele kamer

rekestnummer 2007/938

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant sub 1]

en zijn echtgenote

[appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. J.H. Schaap.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 31 juli 2007 zijn appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) in hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 6 augustus 2007 per fax en op 8 augustus 2007 per gewone post ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en hebben zij het hof verzocht dit vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen dat zij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brieven met bijlagen van 14 augustus 2007 en 21 september 2007 van de advocaat van [appellanten], mr. B.A.M. Oude Breuil te Enschede.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 september 2007, waarbij [appellanten], vergezeld door de ouders van [appellante sub 2], zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Oude Breuil voornoemd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Uit de stukken en het verhoor ter zitting is gebleken dat [appellanten] in gemeenschap van goederen met elkaar zijn gehuwd en een gezamenlijke schuldenlast hebben van ongeveer € 30.000,-, bestaande uit onder meer een schuld aan de Finatabank van € 11.765,45, aan PrimeLine van € 4.167,37, aan DSB Bank van € 3.260,32, aan Wehkamp € 3.039,89, aan Comfort Card € 1.344,78 en aan de SNS Bank van € 2.471,26. Verder is gebleken dat het inkomen van [appellant sub 1] bestaat uit loon uit arbeid van circa € 670,- netto per maand, aangevuld met een WAO-uitkering van € 320,-netto en een pensioen van € 90,- netto per maand en dat het inkomen van [appellante sub 2] bestaat uit loon uit arbeid van circa € 514,- netto per maand op basis van 15 uur per week.

3.2 De rechtbank heeft [appellanten] (zonder hen hierover te horen) in hun verzoek om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet ontvankelijk verklaard, omdat, kort gezegd, [appellant sub 1] een kopie heeft overgelegd van een identiteitsbewijs, waarvan de geldigheidsduur was verlopen en voorts omdat, gelet op de in de afzonderlijke schuldsaneringsverklaringen van [appellanten] geconstateerde verschillen in inkomsten en schuldenlast, het minnelijke traject niet met de nodige zorg is uitgevoerd en de Stadsbank de verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een minnelijke regeling te komen, niet had mogen afgeven, waardoor deze verklaring geacht wordt te ontbreken.

3.3 [appellanten] kunnen zich met het vonnis van de rechtbank niet verenigen en stellen dat [appellant sub 1] inmiddels in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs, waarvan zich een kopie bij de stukken bevindt, en dat zij, indien zij een oproep voor een mondelinge behandeling zouden hebben ontvangen, graag de onduidelijkheden over hun inkomen en gezamenlijke schuldenlast ter zitting hadden weggenomen. Hun gezamenlijke netto inkomen bedraagt, zoals hierover onder rechtsoverweging 3.1 is weergegeven, circa € 1.594,- per maand en de schuldenlast bedraagt ongeveer € 30.000,-, bestaande uit onder meer leningen bij de Finatabank, ontstaan in 1995 en de DSB Bank, ontstaan in 2002. Ten tijde van het aangaan van de verplichtingen aan de Finatabank en DSB Bank konden [appellanten] de daaruit voortvloeiende verplichtingen nakomen. Pas nadat [appellant sub 1] in 1996 mede door een onverwerkte traumatische gebeurtenis (teelbalkanker) overspannen raakte en geruime tijd volledig werd afgekeurd, raakten [appellanten] in financiële problemen. Ondanks zijn afkeuring werkt [appellant sub 1] bij DCW-bedrijven, waar rekening wordt gehouden met zijn fysieke gesteldheid. [appellanten] hebben al sinds maart 2003 jaar een budgetbeheerrekening bij de Stadsbank, maar door een loonbeslag van € 513,- per maand zijn zij thans niet meer in staat te sparen voor hun schuldeisers en kunnen zij zelfs hun vaste lasten niet meer voldoen. In 2003 heeft de rechtbank een eerder door [appellanten] ingediend verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [appellanten] naar het oordeel van de rechtbank een in de jaren negentig door [appellante sub 2] ontvangen erfenis hadden moeten aanwenden voor de aflossing van hun schulden. De erfenis van de vader van [appellante sub 2] bedroeg toen ongeveer ƒ 6.000,-.

3.4 Het hof is van oordeel dat in hoger beroep is gebleken dat [appellanten] in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen en dat, nu niet is gebleken van afwijzingsgronden, zij behoren te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.5 Alle feiten en omstandigheden in onderling verband en in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en er zal als volgt worden beslist.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 31 juli 2007 en, opnieuw recht doende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellanten].

Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Brink, Van der Pol en Spek en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2007.