Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB9282

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
2006/172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vooropgesteld zij dat het hof de omstandigheden dat de opdracht in het verlengde lag van de eerdere contacten en niet als uitzonderlijk is aan te merken ten overvloede heeft genoemd, als extra redenen waarom [geïntimeerde] niet aan de volmacht van [A.] behoefde te twijfelen.

Overigens is het hof van oordeel dat appellanten onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat [appellant sub 2] op 3 juni 2004 met [geïntimeerde] heeft gesproken over een opdracht betreffende de totale financiële situatie. Het hof overweegt daartoe als volgt.

In de eerste plaats worden in de brief van [geïntimeerde] van 7 juni 2004 (productie 2 bij memorie van antwoord), gericht aan [appellante sub 3] en [appellant sub 2], aan appellanten ruim 35 vragen gesteld over onder meer de testamenten, huwelijkse voorwaarden, maandelijkse netto-behoefte, voorzieningen betreffende arbeidsongeschiktheid en mogelijk overlijden, schulden, jaarrekeningen van de B.V.’s, afgesloten verzekeringen en de vermogensverdeling tussen appellanten. Deze brief geeft grond om aan te nemen dat op 3 juni 2004 over de totale financiële situatie is gesproken. Appellanten hebben in de akte van 12 september 2006 opgemerkt dat [appellant sub 2] de vragenlijst niet heeft beantwoord en dat de vragenlijst voor de beperkte opdracht die [appellant sub 2] had gegeven ook niet nodig was. Dat dit de reden was van het feit dat [appellant sub 2] die vragenlijst niet heeft beantwoord volgt daaruit echter niet zonder meer, nu [appellant sub 2] vlak na 7 juni 2004, op 12 juni 2004, is opgenomen en hij derhalve nauwelijks de tijd heeft gehad om de vragen te beantwoorden. Appellanten hebben verder niet betwist dat [geïntimeerde], zoals zij stelt (conclusie van antwoord in reconventie, pagina 2, en memorie van antwoord, pagina 4) alleen op basis van een totaalsituatie adviezen verstrekt, zodat het (ook) op grond daarvan in de lijn ligt dat de opdracht op 3 juni 2004 betrekking had op de totale financiële situatie.

Ten slotte wordt ook in de begeleidende brief bij de opdrachtverlening van 24 juni 2004 melding gemaakt van het gesprek op 3 juni 2004, waarbij (naar het hof begrijpt) met name [appellante sub 3] zou hebben aangegeven inzicht in de financiële situatie te willen. Gesteld noch gebleken is dat [appellante sub 3] (destijds) heeft aangegeven zich in deze weergave door [geïntimeerde] niet te kunnen vinden, terwijl, gelijk hiervoor is aangenomen, [appellante sub 3] daartoe wel in staat was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 oktober 2007

tweede civiele kamer

rolnummer: 2006/172

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellante sub 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr L. Paulus,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr J.A.C. van Etten.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 27 maart 2007. Ingevolge dat tussenarrest hebben [appellanten sub 2 en 3] (verder gezamenlijk te noemen: appellanten) een akte (met productie) genomen en [geïntimeerde] een antwoordakte.

1.2. Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1. Het hof blijft bij hetgeen het in het tussenarrest heeft overwogen.

In het tussenarrest heeft het hof overwogen (in r.o. 4.7) dat het de stellingen van [geïntimeerde] aldus begrijpt dat zij betwist dat [appellante sub 3] op het moment dat zij de opdracht verleende in een zodanige psychische toestand verkeerde dat zij niet in staat was haar wil te bepalen en, voor zover dit wel het geval zou zijn geweest, [geïntimeerde] geen reden had om aan de geestvermogens van [appellante sub 3] te twijfelen. Nu appellanten nog niet op dit verweer hadden kunnen reageren heeft het hof appellanten in de gelegenheid gesteld om dit bij akte alsnog te doen.

2.2. In r.o. 4.8 van het tussenarrest heeft het hof verder overwogen dat het voorlopig van oordeel is dat “[geïntimeerde] terecht stelt dat zij in de gegeven omstandigheden erop heeft mogen vertrouwen dat [appellant sub 2] [A.] had gevolmachtigd, nu deze volmacht was neergelegd in een mede door [appellant sub 2] ondertekende notariële akte en [geïntimeerde] redelijkerwijze het vertrouwen mocht hebben dat de notaris had onderzocht of de in de notariële akte neergelegde verklaring van [appellant sub 2] overeenstemde met diens wil. De eisen van het rechtsverkeer brengen met zich dat een derde in beginsel erop moet kunnen vertrouwen dat een notaris heeft onderzocht of de inhoud van een in een notariële akte neergelegde verklaring overeenstemt met de wil van degene die deze verklaring heeft afgelegd. Daarbij komt nog dat [geïntimeerde] in dit concrete geval te minder behoefde te twijfelen aan de bevoegdheid van [A.] nu de door [A.] in naam van zijn vader gegeven opdracht in het verlengde lag van de eerdere contacten tussen [appellant sub 2] en [geïntimeerde] en de opdracht op zichzelf ook niet een vergaande of uitzonderlijke opdracht betrof. Het hof is dan ook voorshands van oordeel dat op grond van artikel 3:61 lid 2 BW een eventueel ontbreken van een rechtsgeldige volmacht niet aan [geïntimeerde] kan worden tegengeworpen.”

Het hof heeft appellanten in de gelegenheid gesteld om bij akte op het verweer van [geïntimeerde] alsmede het voorlopige oordeel van het hof te reageren.

Ten aanzien van de gestelde geestelijke stoornis van [appellante sub 3]

2.3. Appellanten hebben in hun akte gesteld dat [appellante sub 3] op 12 juni 2004, derhalve

zeer kort voordat het contact tussen haar en [geïntimeerde] tot stand kwam, bijna is gewurgd door [appellant sub 2]. Volgens appellanten blijkt uit de verklaring van drs. [B.], geregistreerd eerstelijnspsycholoog NIP (overgelegd als productie 1 bij de akte), dat [appellante sub 3] vanwege die poging tot wurging lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en dat zij de opdracht heeft verstrekt onder invloed van een tijdelijke geestelijke stoornis. De schriftelijke verklaring van [B.] heeft de volgende inhoud:

“Mevrouw [appellante sub 3], (…) is sedert juni 2006 bij mij in behandeling vanwege posttraumatische stressstoornis met betrekking tot de actie van haar echtgenoot in 2004, waarbij haar de keel fors is dichtgeknepen en zij zich bijna gewurgd voelde.

Mevrouw is een normaal begaafde vrouw die de reikwijdte van haar handelen kan overzien. Mevrouw lijdt aan een post traumatische stressstoornis, vanwege de actie van haar echtgenoot, waarbij zij zich bijna gewurgd voelde.

Het lijkt mij aannemelijk dat [appellante sub 3], ten tijde van het tekenen van de volmacht, de reikwijdte van haar handelen niet kon overzien ten gevolge van post traumatische stressstoornis, die de actie van haar echtgenoot teweeg heeft gebracht.”

Appellanten hebben bewijs aangeboden van hun stelling dat [appellante sub 3] de opdracht heeft verstrekt onder invloed van een tijdelijke geestelijke stoornis door het horen van drs. [B.] als getuige.

2.4. Appellanten stellen dat er voldoende feiten en omstandigheden waren die [geïntimeerde] hadden moeten doen twijfelen aan de geestesvermogens van [appellante sub 3]. Volgens hen was [appellante sub 3] na de spoedopname van [appellant sub 2] geestelijk volledig in de war en niet aanspreekbaar. [appellante sub 3] was tijdens het gesprek met [geïntimeerde] wel thuis, maar zij bleef volgens appellanten in een kamer boven, terwijl de bespreking beneden in het kantoor van [appellant sub 2] plaats vond. [appellante sub 3] was op dat moment niet in staat met [geïntimeerde] te spreken, laat staan afspraken te maken, aldus appellanten. Verder wist [geïntimeerde] dat [appellante sub 3] zich nimmer had bemoeid met financiële zaken, en heeft [appellante sub 3] aan [geïntimeerde] aangegeven dat de huisaccountant ingeschakeld diende te worden, maar heeft [geïntimeerde] haar verboden dat te doen. Op grond van deze feiten en omstandigheden had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen pas op de plaats te maken, althans op zijn minst te onderzoeken of de verklaring van [appellante sub 3] overeenstemde met haar wil. Van voormelde feiten en omstandigheden bieden appellanten bewijs aan door het laten horen van [appellante sub 3], de huisaccountant en [A.].

2.5. [geïntimeerde] betwist dat [appellante sub 3] bij het verlenen van de opdracht in een zodanige psychische toestand verkeerde dat zij haar wil niet kon bepalen en stelt dat de verklaring van [B.] daarvan niet het bewijs kan leveren noch levert. [geïntimeerde] wijst erop dat [B.] [appellante sub 3] pas enkele jaren na het verlenen van de opdracht voor het eerst heeft gezien. Bovendien, zo stelt [geïntimeerde], verklaart [B.] niet met zekerheid dat [appellante sub 3] niet in staat was om haar wil te bepalen, maar verklaart hij slechts dat hem dit aannemelijk lijkt. Verder stelt [geïntimeerde] opnieuw dat zij geen enkele reden had om te twijfelen aan de geestesvermogens van [appellante sub 3]. [geïntimeerde] stelt dat [appellante sub 3] aanspreekbaar was en niet in de war oogde. Verder heeft geen enkele betrokkene of (medische) instantie noch [appellante sub 3] zelf er tegenover haar, [geïntimeerde], over gesproken dat er bij [appellante sub 3] sprake was van een tijdelijke geestesstoornis.

2.6. Het hof is van oordeel dat appellanten, tegenover de betwisting door [geïntimeerde], onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld dat [appellante sub 3] bij het verlenen van de opdracht niet in staat was haar wil te bepalen. Naar het oordeel van het hof biedt de verklaring van [B.] onvoldoende steun voor deze stelling. Allereerst is van belang dat, zoals uit de verklaring zelf kan worden afgeleid, [B.] [appellante sub 3] pas twee jaar na de opname van [appellant sub 2] in behandeling heeft gekregen. Hij kan derhalve niet uit eigen wetenschap verklaren in welke toestand [appellante sub 3] zich bevond ten tijde van het geven van de opdracht. Hij verklaart dan ook niet dat [appellante sub 3] destijds niet in staat was om haar wil te bepalen, doch hij verklaart slechts dat het hem aannemelijk “lijkt” dat [appellante sub 3] “ten tijde van het tekenen van de volmacht” de reikwijdte van haar handelen niet kon overzien.

[B.] licht evenwel op geen enkele manier toe waarom hem dat aannemelijk lijkt. De noodzaak voor een toelichting is te meer aanwezig, nu [B.] tevens verklaart: “Mevrouw is een normaal begaafde vrouw is die de reikwijdte van haar handelen kan overzien. Mevrouw lijdt aan een post traumatische stressstoornis, vanwege de actie van haar echtgenoot, waarbij zij zich bijna gewurgd voelde.” Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onbegrijpelijk waarom de posttraumatische stressstoornis waaraan [appellante sub 3] lijdt haar thans niet belet om de reikwijdte van haar handelen te overzien, terwijl dezelfde aandoening [appellante sub 3] “ten tijde van het tekenen van de volmacht” wel zou hebben belet om de reikwijdte van haar handelen te overzien.

Verder valt op dat [B.] in zijn verklaring spreekt over de geestestoestand van [appellante sub 3] “ten tijde van het tekenen van de volmacht”. In deze procedure staat echter ter discussie of [appellante sub 3] in staat was haar wil te bepalen bij de opdrachtverlening op 24 juni 2004. Onduidelijk is of [B.] het in zijn verklaring daarover heeft, nu hij spreekt over het tekenen van een volmacht. Verder is volstrekt onduidelijk over welke periode en/of welke datum [B.] het in zijn verklaring heeft. Dat is met name van belang nu de posttraumatische stress-stoornis [appellante sub 3] thans kennelijk niet belet om de reikwijdte van haar handelen te overzien.

Dat [appellante sub 3] bij het verlenen van de opdracht niet aanspreekbaar was (hetgeen appellanten stellen in de akte van 8 mei 2007, punt 4) wordt verder door henzelf weersproken waar zij erkennen dat [geïntimeerde] in ieder geval op 14 juni 2004 met [appellante sub 3] heeft gesproken (conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, pagina 3, derde alinea en memorie van grieven, punt 3.5 en 3.10). Nu appellanten overigens hun stelling, dat [appellante sub 3] bij het verlenen van de opdracht niet in staat was om haar wil te bepalen, niet hebben onderbouwd met een concrete omschrijving van de toestand waarin zij zich op dat moment bevond noch met verklaringen van de huisarts dan wel van direct betrokkenen die [appellante sub 3] in juni 2004 hebben meegemaakt, is het hof van oordeel dat appellanten, tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde], niet hebben voldaan aan hun stelplicht. Op deze grond dient de stelling van appellanten, dat [appellante sub 3] ten tijde van het verlenen van de opdracht niet in staat was om haar wil te bepalen, te worden verworpen en komt het hof niet toe aan een bewijsopdracht.

2.7. Het hof is voorts van oordeel dat, indien zou zijn aangenomen dat [appellante sub 3] ten tijde van het geven van de opdracht niet in staat was om haar wil te bepalen bovendien aan de betwisting door appellanten dat [geïntimeerde] geen reden had om aan de geestesvermogens van [appellante sub 3] te twijfelen, als onvoldoende gemotiveerd zou moeten zijn voorbijgegaan. Zoals reeds overwogen stellen appellanten weliswaar dat [appellante sub 3] niet aanspreekbaar was, maar appellanten hebben zelf erkend dat [geïntimeerde] op 14 juni 2004 met [appellante sub 3] heeft gesproken. Appellanten geven op geen enkele manier aan, niet door het overleggen van verklaringen van artsen en/of direct betrokkenen dan wel anderszins, op grond van welke concrete feiten en omstandigheden [geïntimeerde] had dienen te begrijpen dat [appellante sub 3] niet in staat was om haar wil te bepalen. De omstandigheden die appellanten in punt 4 van hun akte van 8 mei 2007 noemen zijn naar het oordeel van het hof geen omstandigheden waaruit [geïntimeerde] had kunnen en/of dienen af te leiden dat [appellante sub 3] daartoe niet in staat was. De omstandigheid dat [appellante sub 3] zich vóór juni 2004 nooit had bemoeid met de financiële zaken levert naar het oordeel van het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen reden voor [geïntimeerde] op om te twijfelen aan de geestelijke vermogens van [appellante sub 3] bij het verlenen van de opdracht. Overigens is het de vraag of [appellante sub 3] zich voordien niet met de financiële zaken bemoeide, nu appellanten zelf hebben erkend (conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, pagina 3, eerste alinea) dat [geïntimeerde] op 3 juni 2004 zowel met [appellant sub 2] als met [appellante sub 3] heeft gesproken.

Appellanten hebben verder gesteld dat er een afspraak met de huisaccountant was dat in geval [appellant sub 2] iets zou overkomen hij het nodige zou regelen. Ook indien zo’n afspraak zou hebben bestaan en [geïntimeerde] daarvan zou hebben afgeweten, welke beide stellingen [geïntimeerde] betwist, valt niet in te zien waarom [geïntimeerde] daaruit had kunnen en dienen af te leiden dat [appellante sub 3] ten tijde van het verlenen van de opdracht niet in staat was om haar wil te bepalen.

2.8. Op grond van de voorgaande overwegingen verwerpt het hof de stelling van appellanten dat [appellante sub 3] ten tijde van het verlenen van de opdracht niet in staat was om haar wil te bepalen. Het hof is voorts van oordeel dat appellanten onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat [geïntimeerde] geen reden had om aan de geestesvermogens van [appellante sub 3] te twijfelen.

Ten aanzien van de gestelde geestelijke stoornis van [appellant sub 2]

2.9. Appellanten hebben in hun akte verder gesteld dat [appellant sub 2] op het moment van de volmachtverlening niet in staat was om zijn wil te bepalen. [appellant sub 2] was volgens appellanten niet in staat om normale gesprekken te voeren met bijvoorbeeld [appellante sub 3] of [A.]. Appellanten stellen dat [appellant sub 2] geen opdracht heeft gegeven tot het opstellen van de volmacht. Volgens hen deelde dr. [C.], begeleidend arts in de inrichting, [appellant sub 2] mee dat de notaris zou komen om hem een volmacht te laten tekenen. Volgens [C.] moest [appellant sub 2] die volmacht tekenen. [appellant sub 2] voelde zich daardoor volgens appellanten onder druk gezet. De notaris is vervolgens bij [appellant sub 2] geweest en [appellant sub 2] heeft de volmacht ondertekend. De volmacht is volgens appellanten niet op voorhand in concept aan hem toegestuurd noch is hij aan [appellant sub 2] voorgelezen, laat staan dat [appellant sub 2] is uitgelegd wat de volmacht inhield, aldus appellanten. [appellant sub 2] was op dat moment bovendien niet in staat om zelf de volmacht te lezen en zich te realiseren welke consequenties ondertekening van de volmacht zou hebben. De notaris heeft niet onderzocht of [appellant sub 2] in staat was om zijn wil te bepalen, aldus appellanten.

2.10. Het hof constateert dat alle door appellanten genoemde feiten en omstandigheden dienen ter onderbouwing van hun stelling dat [appellant sub 2] op het moment van tekenen van de volmacht niet in staat was om zijn wil te bepalen. Het hof heeft evenwel in het tussenarrest reeds overwogen (r.o. 4.8 van het tussenarrest, hierboven onder 2.2 geciteerd) dat, ook indien zou komen vast te staan dat [appellant sub 2] zijn wil niet kon bepalen, [geïntimeerde] voorshands terecht stelt dat zij er in de gegeven omstandigheden op heeft mogen vertrouwen dat [appellant sub 2] [A.] een volmacht had verleend.

Appellanten hebben geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit afgeleid kan of dient (te) worden dat [geïntimeerde] dat vertrouwen niet heeft mogen hebben. Alle omstandigheden die appellanten aanvoeren betreffen zogenaamde “interne” omstandigheden waaronder de volmacht is afgegeven. Op geen enkele manier is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] van die omstandigheden op de hoogte was dan wel had kunnen zijn. Appellanten hebben niet gesteld dat [geïntimeerde] wist dan wel had dienen te begrijpen dat de begeleidend arts druk op [appellant sub 2] heeft uitgeoefend, dat de notaris [appellant sub 2] niet goed heeft uitgelegd wat de volmacht inhield en/of dat de notaris niet heeft onderzocht of [appellant sub 2] in staat was om zijn wil te bepalen. De door appellanten aangevoerde omstandigheden waaronder de ondertekening van de volmacht heeft plaatsgevonden kunnen, voor zover zij juist zijn, [geïntimeerde] om voornoemde redenen dan ook niet worden tegengeworpen.

2.11. Appellanten hebben in hun akte ten slotte nog aangevoerd dat, anders dan het hof in het tussenarrest heeft overwogen, de opdracht allerminst in het verlengde lag van de eerdere contacten tussen [appellant sub 2] en [geïntimeerde] en dat deze wel degelijk is aan te merken als een uitzonderlijke opdracht.

2.12. Het hof beoordeelt deze stellingen van appellanten als volgt.

Vooropgesteld zij dat het hof de omstandigheden dat de opdracht in het verlengde lag van de eerdere contacten en niet als uitzonderlijk is aan te merken ten overvloede heeft genoemd, als extra redenen waarom [geïntimeerde] niet aan de volmacht van [A.] behoefde te twijfelen.

Overigens is het hof van oordeel dat appellanten onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat [appellant sub 2] op 3 juni 2004 met [geïntimeerde] heeft gesproken over een opdracht betreffende de totale financiële situatie. Het hof overweegt daartoe als volgt.

In de eerste plaats worden in de brief van [geïntimeerde] van 7 juni 2004 (productie 2 bij memorie van antwoord), gericht aan [appellante sub 3] en [appellant sub 2], aan appellanten ruim 35 vragen gesteld over onder meer de testamenten, huwelijkse voorwaarden, maandelijkse netto-behoefte, voorzieningen betreffende arbeidsongeschiktheid en mogelijk overlijden, schulden, jaarrekeningen van de B.V.’s, afgesloten verzekeringen en de vermogensverdeling tussen appellanten. Deze brief geeft grond om aan te nemen dat op 3 juni 2004 over de totale financiële situatie is gesproken. Appellanten hebben in de akte van 12 september 2006 opgemerkt dat [appellant sub 2] de vragenlijst niet heeft beantwoord en dat de vragenlijst voor de beperkte opdracht die [appellant sub 2] had gegeven ook niet nodig was. Dat dit de reden was van het feit dat [appellant sub 2] die vragenlijst niet heeft beantwoord volgt daaruit echter niet zonder meer, nu [appellant sub 2] vlak na 7 juni 2004, op 12 juni 2004, is opgenomen en hij derhalve nauwelijks de tijd heeft gehad om de vragen te beantwoorden. Appellanten hebben verder niet betwist dat [geïntimeerde], zoals zij stelt (conclusie van antwoord in reconventie, pagina 2, en memorie van antwoord, pagina 4) alleen op basis van een totaalsituatie adviezen verstrekt, zodat het (ook) op grond daarvan in de lijn ligt dat de opdracht op 3 juni 2004 betrekking had op de totale financiële situatie.

Ten slotte wordt ook in de begeleidende brief bij de opdrachtverlening van 24 juni 2004 melding gemaakt van het gesprek op 3 juni 2004, waarbij (naar het hof begrijpt) met name [appellante sub 3] zou hebben aangegeven inzicht in de financiële situatie te willen. Gesteld noch gebleken is dat [appellante sub 3] (destijds) heeft aangegeven zich in deze weergave door [geïntimeerde] niet te kunnen vinden, terwijl, gelijk hiervoor is aangenomen, [appellante sub 3] daartoe wel in staat was.

2.13. Wat betreft het oordeel van het hof dat de op 24 juni 2004 aan [geïntimeerde] gegeven opdracht op zichzelf niet een vergaande of uitzonderlijke opdracht was, merkt het hof op dat het bij dit (niet voorlopig gegeven) oordeel blijft.

2.14. Op grond van hetgeen hiervoor onder 2.10 e.v. is overwogen blijft het hof bij zijn (voorlopige) oordeel dat [geïntimeerde] erop heeft mogen vertrouwen dat er een rechtsgeldige volmacht was afgegeven en het maakt dit thans tot zijn definitieve oordeel.

2.15. Gelet op hetgeen in 2.8 en 2.14 is overwogen in verbinding met hetgeen het hof in punt 4.5 van het tussenarrest heeft overwogen, dient er in rechte van te worden uitgegaan dat [appellante sub 3] en [A.] rechtsgeldig aan [geïntimeerde] opdracht hebben gegeven tot het vervaardigen van financieel basisplan zoals bedoeld in de opdracht van 24 juni 2004. Nu de grieven 3 tot en met 5 alle van de veronderstelling uitgaan dat [geïntimeerde] geen rechtsgeldige opdracht hebben verkregen tot het vervaardigen van een financieel basisplan, dienen die grieven reeds op deze grond te worden verworpen.

2.16. Met grief 6 maken appellanten bezwaar tegen de overweging van de rechtbank (in r.o. 7.8) dat het verweer van appellanten dat de adviezen van [geïntimeerde] beneden de maat waren en bij de uitvoering alleen tot vermogensverlies zouden leiden, gepasseerd dient te worden. Het hof deelt op dit punt het oordeel van de rechtbank en maakt dit tot het zijne. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat het uitgangspunt van de twee door [D.] gemaakte financiële planningen (productie 5 bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie) verschillend is. [D.] vergelijkt de situatie waartoe uitvoering van het rapport van [geïntimeerde] zou hebben geleid met die waarin de situatie van juni 2004 zou zijn gehandhaafd. Het rapport van [geïntimeerde] heeft blijkens zijn tekst echter tot doel om [appellant sub 2] en [appellante sub 3] financieel in rustiger vaarwater te laten komen. Dat blijkt uit de tekst van het rapport zelf. In het rapport van [geïntimeerde] staat (op pagina 6) vermeld:

“De huidige strategie van [appellant sub 2] is, door middel van kantoorvilla’s de inkomensstroom voor “de oude dag” veilig te stellen. De opbrengsten uit de kantoorvilla’s staan niet in verhouding ten opzichte van de inspanningen van [appellant sub 2] en het geïnvesteerde (pensioen)vermogen.

Los van deze financiële conclusie leeft er op dit moment het gevoel om te zoeken naar (financiële) rust. Vanuit dit motief hebben wij een scenario uitgewerkt waarbij wij hebben gestreefd naar de meest eenvoudige structuur.

Wij willen benadrukken dat deze uitwerking geen advies is, maar wij willen jullie inzicht geven in de uitwerking om te komen tot een eenvoudige structuur”.

2.17. Dat financiële rust het uitgangspunt is van het rapport van [geïntimeerde] wordt door appellanten in hun toelichting op grief 6 niet bestreden. Zij stellen evenwel dat er van “rustig vaarwater” geen sprake is als de opvolging van de adviezen snel leidt tot een zich verslechterende vermogenspositie. Dat doorvoering van het rapport van [geïntimeerde] tot een slechtere financiële situatie zou leiden dan wanneer de situatie van juni 2004 zou zijn gehandhaafd, levert echter niet zonder meer het bewijs op dat het rapport van [geïntimeerde] ondeugdelijk is, nu immers het uitgangspunt van beide berekeningen heel verschillend is. Zeker nu [geïntimeerde] in het rapport duidelijk aangeeft wat de financiële consequenties zijn van de verschillende mogelijk te nemen maatregelen, appellanten niet stellen dat deze berekeningen niet deugdelijk zijn, en zij evenmin aanvoeren dat er op (financieel) gunstiger wijze financiële rust zou (hebben) kunnen worden gevonden, kan niet worden gezegd dat het rapport ondeugdelijk is, althans hebben appellanten hun stellingen op dit punt onvoldoende toegelicht. Op deze gronden dient de stelling te worden verworpen dat het rapport van [geïntimeerde] ondeugdelijk is. Grief 6 faalt dan ook.

2.18. Grief 7 heeft geen zelfstandige betekenis, behoudens voor zover appellanten in hoger beroep (alsnog) verweer voeren tegen de door [geïntimeerde] gevorderde en door de rechtbank toegewezen buitengerechtelijke kosten (ten bedrage van € 1.356,60). Volgens appellanten blijkt uit niets dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en vallen de met de voorbereiding van de procedure verband houdende kosten alsmede het opstellen en versturen van een enkele sommatiebrief onder de proceskostenveroordeling. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat na uitvoerig overleg met haar advocaat op 12 november 2004 een sommatiebrief is gestuurd aan appellanten alsook dat [appellant sub 2] in november 2004 telefonisch contact heeft opgenomen met de advocaat van [geïntimeerde], waarna is overgegaan tot dagvaarding.

2.19. Nu kosten die verband houden met de voorbereiding van de procedure alsmede het opstellen en het versturen van een enkele sommatiebrief inderdaad geacht worden te horen tot de werkzaamheden ter voorbereiding en instructie van de zaak, en namens [geïntimeerde] slechts een sommatiebrief is verzonden en een telefoongesprek is gevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] ter zake van buitengerechtelijke kosten dient te worden afgewezen. In zoverre slaagt grief 7.

2.20. Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1 tot en met 6 falen en dat grief 7 gedeeltelijk slaagt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd behoudens voor zover de rechtbank de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft toegewezen. Opnieuw recht doende zal het hof de gevorderde buitengerechtelijke kosten afwijzen.

2.21. Appellanten, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, alsmede [appellant sub 1] die in het tussenarrest reeds niet-ontvankelijk is verkaard in het hoger beroep, zullen worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 2 november 2005, behoudens voor zover de rechtbank de door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.356,60 heeft toegewezen en vernietigt het bestreden vonnis in zoverre;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering voor zover strekkende tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten af;

veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 5.264,-- voor salaris van de procureur en op € 396,-- voor griffierecht en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Van Wijland-Kalkman, Frankena en Van der Beek en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2007.