Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB8998

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
29-11-2007
Zaaknummer
2006/690
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorop staat dat, als - zoals in het geval van [appellanten] - een werknemer in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de werkgever overeenkomstig het in artikel 7:658 lid 2 BW bepaalde, in overeenstemming met de werknemer een plan van aanpak moet opstellen, dat dan, met medewerking van de werknemer, regelmatig wordt geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. De werknemer is overeenkomstig het in artikel 7:660a, aanhef en sub b BW bepaalde verplicht aan het opstellen van het plan van aanpak mee te werken. Zolang hij dat zonder deugdelijke grond niet doet, kan de werkgever hem het verschuldigde loon onthouden (artikel 7:629 lid 3 sub e BW). Vraag is derhalve of [appellanten] zonder deugdelijke grond hebben geweigerd aan het opstellen van het plan van aanpak mee te werken. Leidraad daarbij vormen in het bijzonder de brieven van hun gemachtigde. In de door de Arbodienst ten behoeve van Hectas opgestelde plannen van aanpak met betrekking tot [appellante sub 2] en [appellant sub 1] van 11 februari 2003, respectievelijk 18 februari 2003 zijn als kerngegevens eerste probleemanalyse vermeld: eerste arbeidsongeschiktheidsdag, datum eerste probleemanalyse, functie, oorzaak van het verzuim, aard van de beperkingen, eindconclusie, prognose arbeidsmogelijkheden, prognose eigen werk en het advies. In beide voorgestelde plannen van aanpak staat achter eindconclusie : “nu geen benutbare mogelijkheden, in de toekomst wel benutbare mogelijkheden” en achter prognose eigen werk: “momenteel niet belastbaar”, respectievelijk “het eigen werk is te belastend wegens de beperkingen voor lopen, bukken en tillen.” [appellanten] hebben geweigerd deze plannen van aanpak te ondertekenen. Gelet op de inhoud van deze plannen zijn de daartoe aangevoerde gronden niet voldoende steekhoudend om daaraan het predikaat “deugdelijke grond” (art. 7:629 lid 3 BW) te kunnen geven. Dit betekent dat Hectas met recht vanaf 3 maart 2003 de betaling van het verschuldigde loon heeft stopgezet. Derhalve zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd en zullen [appellanten], als de in het ongelijk te stellen partijen, in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 oktober 2007

vijfde civiele kamer

rolnummer 2006/690

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. [appellant sub 1]

en

2. [appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. L. Paulus,

tegen:

de commanditaire vennootschap

Hectas Bedrijfsdiensten C.V.,

gevestigd te Duiven,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.R.O. Dantuma.

1 Het verloop van de procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van de rechtbank Rotterdam (sector kanton, locatie Rotterdam) van 27 juli 2005 en 24 augustus 2005 en van de rechtbank Arnhem (sector kanton, locatie Arnhem) van 23 januari 2006, 27 maart 2006 en 27 maart 2006, zoals gecorrigeerd d.d. 22 mei 2006, alle gewezen tussen appellanten (hierna: [appellanten]) als eisers en geïntimeerde (hierna: Hectas) als gedaagde. Het vonnis van 27 maart 2006, zoals gecorrigeerd d.d. 22 mei 2006, is in fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1 [appellanten] zijn bij exploot van 27 juni 2006 van (naar het hof begrijpt:) laatstgenoemd vonnis in hoger beroep gekomen, met dagvaarding van Hectas voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] tegen het bestreden vonnis drie grieven aangevoerd en toegelicht, een aantal nieuwe producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, zal bevestigen dat [appellanten] recht hebben op loon, opbouw en uitbetaling van vakantierechten, alsmede van pensioenrechten voor de periode tot het moment dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd, en Hectas alsnog zal veroordelen tot betaling van de bedragen voor zover dat nog niet is gebeurd, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsschade ex artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de wettelijke rente ex artikel 6:199a BW, nader op te maken bij staat, met veroordeling van Hectas in de kosten van beide instanties, alsmede de nakosten.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Hectas de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof [appellanten] in hun vordering in hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het door hen in hoger beroep gevorderde zal ontzeggen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep.

2.4 Ten slotte hebben partijen de stukken voor arrest aan het hof overgelegd.

3 De grieven

Grief 1

Ten onrechte heeft de kantonrechter gemeend dat het echtpaar [appellant] niet, althans onvoldoende, meegewerkt heeft aan het opstellen van een plan van aanpak.

Grief 2

Ten onrechte heeft de kantonrechter gemeend dat aan het echtpaar [appellant] geen loon toekomt vanaf 3 maart 2003 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd.

Grief 3

Ten onrechte heeft de kantonrechter gemeend dat aan het echtpaar [appellant] geen vakantietoeslag toekomt vanaf 3 maart 2003. Evenmin heeft de rechter in eerste aanleg ten onrechte niet geoordeeld dat het echtpaar [appellant] aanspraak heeft op de opbouw van vakantierechten en pensioenrechten, alsmede de uitbetaling van de reeds opgebouwde vakantierechten.

4 De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven of bezwaren aangevoerd. Het hof zal dan ook eveneens van die feiten uitgaan.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1 In het kort komt het op het volgende neer. [appellanten] zijn in januari 2002 als schoonmakers bij Hectas in dienst getreden en begin januari 2003 ziek geworden. In februari 2003 heeft de Arbodienst voor ieder van hen een plan van aanpak opgesteld, dat Hectas aan hen heeft voorgelegd. [appellanten] hebben die plannen van aanpak bij brieven van hun gemachtigde van 25, respectievelijk 11 februari 2003 afgewezen. Na hen bij brief van 27 februari 2003 te hebben gewezen op hun verplichting om aan het totstandkomen, evalueren en bijstellen van het plan van aanpak mee te werken en hun te hebben aangezegd dat bij gebreke daarvan loondoorbetaling zou worden opgeschort, heeft Hectas de doorbetaling van loon met ingang van 3 maart 2003 stopgezet. Bij brief van 24 april 2003 aan hun gemachtigde heeft Hectas aan [appellanten] meegedeeld dat zij het ziekengeld zou blijven inhouden, "totdat volledige inzet voor een spoedige reïntegratie zal worden getoond." Hectas heeft de arbeidsovereenkomsten met [appellanten] met ingang van 13 december 2004 beëindigd, nadat het CWI haar daartoe toestemming had verleend.

5.2 De kantonrechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering van [appellanten] tot betaling van loon, vakantietoeslag en wettelijke rente over de periode van 3 maart 2003 tot 13 december 2004 afgewezen, omdat zij geen rechtens te respecteren gronden hebben aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat van hen geen medewerking aan het plan van aanpak kan worden gevergd.

5.3 Met hun grieven, die gezamenlijk zullen worden behandeld, bestrijden [appellanten] de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Beiden stellen dat zij steeds bereid en voor zover mogelijk beschikbaar zijn geweest voor het verrichten van werkzaamheden, waaronder ook andere dan de bedongen werkzaamheden. Zij hebben echter geen concreet inzicht in hun mogelijkheden kunnen verschaffen als gevolg van hun medische beperkingen en het uitblijvende herstel. Zij konden zich daarom geen van beiden in het voor hen opgestelde plan van aanpak vinden. Zo is [appellante sub 2] van mening dat, gezien haar medische klachten, slechts uitzicht op hervatting van werkzaamheden bestaat, indien medische behandeling plaatsheeft. De noodzakelijk geachte steunkousen waren echter eind februari 2003 nog niet binnen. Toen ze uiteindelijk waren gearriveerd, bleken ze de medische belemmeringen nauwelijks weg te nemen. Vervolgens bleef Hectas volgens [appellante sub 2] in gebreke met het aanpassen van het plan van aanpak. [appellant sub 1] bestrijdt de conclusie in het voor hem geldende plan van aanpak dat in de toekomst wel benutbare mogelijkheden zouden bestaan, met name gezien zijn leeftijd (in 2004 65 jaar) en het feit dat nog geen probleemanalyse was gemaakt. Volgens hem mocht en mag niet worden verwacht dat de medische problemen zullen afnemen. In een door Hectas bij schrijven van Comit-arbo van 21 februari 2003 voorgestelde bespreking over de toekomst zag hij geen nut. Hectas bleef volgens [appellant] ook in zijn geval in gebreke met het aanpassen van het concept-plan van aanpak, nadat hij bij de brief van zijn gemachtigde van 25 februari 2003 had uitgelegd waarom hij het met dat plan niet eens was.

5.4 Voorop staat dat, als - zoals in het geval van [appellanten] - een werknemer in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de werkgever overeenkomstig het in artikel 7:658 lid 2 BW bepaalde, in overeenstemming met de werknemer een plan van aanpak moet opstellen, dat dan, met medewerking van de werknemer, regelmatig wordt geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. De werknemer is overeenkomstig het in artikel 7:660a, aanhef en sub b BW bepaalde verplicht aan het opstellen van het plan van aanpak mee te werken. Zolang hij dat zonder deugdelijke grond niet doet, kan de werkgever hem het verschuldigde loon onthouden (artikel 7:629 lid 3 sub e BW).

Vraag is derhalve of [appellanten] zonder deugdelijke grond hebben geweigerd aan het opstellen van het plan van aanpak mee te werken. Leidraad daarbij vormen in het bijzonder de brieven van hun gemachtigde.

5.5 In de door de Arbodienst ten behoeve van Hectas opgestelde plannen van aanpak met betrekking tot [appellante sub 2] en [appellant sub 1] van 11 februari 2003, respectievelijk 18 februari 2003 zijn als kerngegevens eerste probleemanalyse vermeld: eerste arbeidsongeschiktheidsdag, datum eerste probleemanalyse, functie, oorzaak van het verzuim, aard van de beperkingen, eindconclusie, prognose arbeidsmogelijkheden, prognose eigen werk en het advies. In beide voorgestelde plannen van aanpak staat achter eindconclusie : “nu geen benutbare mogelijkheden, in de toekomst wel benutbare mogelijkheden” en achter prognose eigen werk: “momenteel niet belastbaar”, respectievelijk “het eigen werk is te belastend wegens de beperkingen voor lopen, bukken en tillen.”

5.6 [appellanten] hebben geweigerd deze plannen van aanpak te ondertekenen. Gelet op de inhoud van deze plannen zijn de daartoe aangevoerde gronden niet voldoende steekhoudend om daaraan het predikaat “deugdelijke grond” (art. 7:629 lid 3 BW) te kunnen geven. Dit betekent dat Hectas met recht vanaf 3 maart 2003 de betaling van het verschuldigde loon heeft stopgezet. Derhalve zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd en zullen [appellanten], als de in het ongelijk te stellen partijen, in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 27 maart 2006;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van Hectas gevallen en tot op heden begroot op € 623,- voor salaris van de procureur en € 248,- voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs Fokker, Duitemeijer en Groefsema en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2007.