Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB8833

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
29-11-2007
Zaaknummer
2007/941
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evident is dat de wijze waarop partijen thans samenleven verre van ideaal is. Dit gegeven leidt echter niet tot de conclusie dat [geïntimeerde] de woning op stel en sprong zou moeten verlaten. Het hof is, evenals de kantonrechter, van oordeel dat [appellante] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een zodanig spoedeisend belang bij haar vordering heeft dat niet van haar gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht. Partijen hebben beiden een eigen kamer, waarin zij zich kunnen terugtrekken. [appellante] heeft voorts haar stelling ter zake de beweerdelijk denigrerende en kwetsende houding van [geïntimeerde] in het geheel niet onderbouwd. In aanmerking genomen dat – zoals hiervoor overwogen – in dit stadium van de procedure nog allerminst duidelijk is wie van partijen de woning zal moeten verlaten, kon enige onderbouwing van haar worden gevergd op dit punt. Aangezien [appellante] zich heeft beperkt tot het louter stellen – en niet onderbouwen – van haar spoedeisend belang bij exclusieve voortzetting van het gebruik van de woning voor de duur van het geding, gaat het hof daaraan voorbij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 oktober 2007

vijfde civiele kamer

rolnummer 2007/941

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het provisionele incident,

procureur: mr. R.J.Th. Leijzer,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het provisionele incident,

procureur: mr.drs. J.L. Zegelink.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 8 juni 2007 en 29 juni 2007, die de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen), tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als eiseres in de hoofdzaak en in het provisionele incident en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde in de hoofdzaak en in het provisionele incident heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 17 juli 2007 [geïntimeerde] aangezegd van het provisionele vonnis van 29 juni 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij de aan het exploot van 17 juli 2007 gehechte memorie van grieven heeft [appellante] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Bij exploot van 25 juli 2007 heeft zij aan [geïntimeerde] een in de memorie van grieven genoemde, maar daaraan ten onrechte niet gehechte productie betekend. [appellante] heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest zal bepalen dat zij alleen en met uitsluiting van [geïntimeerde] gerechtigd is tot het gebruik van de woning, gelegen te [plaatsnaam] aan de [adres], met bevel aan [geïntimeerde] deze woning te verlaten en niet meer te betreden, met compensatie van de proceskosten in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof de vorderingen van [appellante] in hoger beroep zal afwijzen met instandhouding van het bestreden vonnis in het incident.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Het bestreden vonnis betreft een incidenteel vonnis terzake van een door [appellante] ingestelde provisionele vordering. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank niet expliciet vaststaande feiten opgenomen. Voor zover van belang in deze procedure staan tussen partijen in hoger beroep de navolgende feiten vast.

? [appellante] en [geïntimeerde] hebben een affectieve relatie gehad. Partijen wonen sinds 1 maart 1999 samen en voeren een gemeenschappelijke huishouding.

? Partijen hebben op 19 mei 2000 bij notariële akte een samenlevingscontract gesloten, welk contract op 12 januari 2005 is gewijzigd.

? Partijen zijn op 18 december 2003 met Vivare een huurovereenkomst aangegaan betreffende de woning aan de [adres] te [plaatsnaam].

? [appellante] heeft het samenlevingscontract tegen 8 februari 2007 opgezegd.

? [geïntimeerde] heeft zich in januari 2007 als woningzoekende ingeschreven bij Entree.

? [appellante] heeft [geïntimeerde] gedagvaard voor de kantonrechter en heeft daarbij (in de hoofdzaak) gevorderd te bepalen dat zij de huurovereenkomst alleen kan voortzetten. [appellante] heeft daarnaast een provisionele eis ingesteld strekkende tot het uitsluitend gebruik van de woning met ontruiming van deze woning door [geïntimeerde].

? Bij provisioneel vonnis van 29 juni 2007 heeft de kantonrechter de incidentele vordering van [appellante] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten in het incident gevallen.

? [appellante] heeft zich – nadat de kantonrechter het provisionele vonnis had gewezen – ingeschreven als woningzoekende.

4. De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Het hoger beroep van [appellante] richt zich tegen de afwijzing van haar provisionele vordering. Uit de inhoud en de toelichting op de grieven leidt het hof af dat [appellante] het geschil van partijen in het incident in volle omvang aan het hof voorlegt.

4.2 Voor toewijzing van een provisionele vordering is vereist – daargelaten de thans niet in het geding zijnde eisen dat de hoofdvordering aanhangig is en de provisionele vordering daarmee samenhangt – dat aannemelijk is dat de vordering in de hoofdzaak zal worden toegewezen alsmede dat feiten en omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het belang van de eisende partij zodanig dringend is dat niet kan worden gevergd dat hij of zij de afloop van de bodemzaak afwacht. De belangen aan weerskanten spelen hierbij een rol, zulks bezien in samenhang met de te verwachten duur van de procedure en de proceskansen daarin.

Aannemelijkheid vordering

4.3 [appellante] heeft ter onderbouwing van haar provisionele vordering gesteld dat [geïntimeerde] heeft toegezegd de woning te zullen verlaten. [geïntimeerde] heeft deze stelling betwist. Evenals de kantonrechter acht het hof het enkele feit dat [geïntimeerde] zich heeft ingeschreven voor woonruimte onvoldoende om voorshands aannemelijk te achten dat [geïntimeerde] heeft toegezegd de woning te zullen verlaten. [geïntimeerde] heeft immers gesteld dat partijen zich beiden zekerheidshalve zouden gaan inschrijven, hetgeen ook [appellante] (uiteindelijk) heeft gedaan. [appellante] heeft haar stelling in het kader van deze procedure onvoldoende aannemelijk gemaakt, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

4.4 [appellante] heeft voorts gesteld dat een belangafweging ten voordele van haar dient uit te vallen. [appellante] heeft daartoe als omstandigheden aangevoerd dat de woning multifunctioneel is, waardoor deze gemakkelijk kan worden aangepast ingeval zij vanwege haar progressieve artrose op een rolstoel aangewezen zou worden; dat het voor haar – anders dan voor [geïntimeerde] - gelet op haar inkomen moeilijk zal zijn om op korte termijn andere woonruimte te vinden en zij niet bij haar kinderen of haar vader terecht kan. [appellante] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde] tijdelijk in de kampeerauto kan verblijven.

4.5 [geïntimeerde] heeft betwist dat hij meer mogelijkheden heeft dan [appellante] om op korte termijn vervangende woonruimte te vinden.

4.6 Het hof overweegt dat [appellante] in het kader van dit geding onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij meer belang heeft bij het gebruik van de woning dan [geïntimeerde]. Onvoldoende gebleken is dat één van partijen makkelijker andere – al dan niet tijdelijke – huisvesting zal kunnen vinden. [appellante] heeft weliswaar een brief van haar vader in het geding gebracht, waaruit blijkt dat zij niet bij hem kan wonen, maar daarmee heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij niet tijdelijk bij haar kinderen zou kunnen wonen, zoals zij dat ook van [geïntimeerde] verwacht. Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat redelijkerwijze niet van [geïntimeerde] verwacht kan worden dat hij voor een onbepaalde periode in zijn kampeerauto gaat wonen.

4.7 Ook hetgeen [appellante] stelt over het inkomensverschil en de gevolgen daarvan voor het (snel) kunnen verkrijgen van passende woonruimte is gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] in het kader van dit geding onvoldoende aannemelijk geworden.

4.8 Voorts staat weliswaar vast dat [appellante] artrose heeft, niet aannemelijk is geworden dat zij ten gevolge daarvan in de nabije toekomst een aangepaste woning nodig heeft. [appellante] heeft ter onderbouwing van haar stelling een door haar op 11 februari 2003 ingevuld vragenformulier “herbeoordeling arbeidsongeschiktheid” en een beschikking van het UWV uit 2003 in het geding gebracht, waaruit blijkt dat zij voor een periode van vijf jaar volledig arbeidsongeschikt is verklaard. [appellante] heeft geen recente, medische gegevens in het geding gebracht.

4.9 Daarentegen heeft [appellante] niet betwist dat de woning door de door [geïntimeerde] opgebouwde urgentierechten is verkregen en dat hij een bedrag van € 25.000 heeft geïnvesteerd in de woning.

4.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet op voorhand aannemelijk is dat het belang van [appellante] dient te prevaleren boven dat van [geïntimeerde].

Spoedeisend belang

4.11 Over het spoedeisend belang heeft [appellante] gesteld dat het samenleven onder één dak met [geïntimeerde] onmogelijk is, omdat zij door hem gekleineerd en gepest wordt en [geïntimeerde] zich schuldig maakt aan psychologische oorlogsvoering. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] haar naar een kleine logeerkamer op de bovenverdieping verdreven. [appellante] heeft gesteld dat de spanningen zó hoog zijn opgelopen dat één van beiden de woning dient te verlaten.

4.12 [geïntimeerde] heeft deze stellingen betwist. Volgens hem is de samenwoning niet problematisch, omdat de woning zodanig is ingedeeld dat partijen elkaar voldoende ruimte kunnen laten en daar in ieder geval in afwachting van een definitieve uitspraak in de bodemzaak kunnen vertoeven. [geïntimeerde] betwist de aantijgingen van [appellante] aan zijn adres.

4.13 Evident is dat de wijze waarop partijen thans samenleven verre van ideaal is. Dit gegeven leidt echter niet tot de conclusie dat [geïntimeerde] de woning op stel en sprong zou moeten verlaten. Het hof is, evenals de kantonrechter, van oordeel dat [appellante] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een zodanig spoedeisend belang bij haar vordering heeft dat niet van haar gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht. Partijen hebben beiden een eigen kamer, waarin zij zich kunnen terugtrekken. [appellante] heeft voorts haar stelling ter zake de beweerdelijk denigrerende en kwetsende houding van [geïntimeerde] in het geheel niet onderbouwd. In aanmerking genomen dat – zoals hiervoor overwogen – in dit stadium van de procedure nog allerminst duidelijk is wie van partijen de woning zal moeten verlaten, kon enige onderbouwing van haar worden gevergd op dit punt. Aangezien [appellante] zich heeft beperkt tot het louter stellen – en niet onderbouwen – van haar spoedeisend belang bij exclusieve voortzetting van het gebruik van de woning voor de duur van het geding, gaat het hof daaraan voorbij.

4.14 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellante] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar vordering in de hoofdzaak zal worden toegewezen, noch dat zij een spoedeisend belang bij haar vordering heeft. De kantonrechter heeft de provisionele vordering terecht afgewezen.

4.15 Anders dan de kantonrechter ziet het hof geen aanleiding voor een veroordeling van [appellante] in de proceskosten. Aangezien partijen een affectieve relatie hebben gehad en de vordering niet bij voorbaat kansloos was, zal het hof de kosten in eerste aanleg tussen partijen in het incident gevallen, compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

Slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen stuiten de grieven 1, 2 en 3 af dan wel behoeven zij geen behandeling meer. Grief 4 slaagt. Het besteden vonnis moet worden bekrachtigd, behoudens voorzover [appellante] daarbij in de proceskosten is veroordeeld.

Gelet op de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben gehad en het geschil hieruit is voortgevloeid, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het bestreden provisionele vonnis van 29 juni 2007, voor zover [appellante] daarbij is veroordeeld in de proceskosten, en compenseert de kosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

bekrachtigt het bestreden provisionele vonnis voor het overige;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Fokker, Katz-Soeterboek en De Groot en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2007.