Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB8687

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
21-003551-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een lange periode meerdere vrouwen, onder wie ook naaste familieleden, die zich op dat moment in een psychisch dan wel lichamelijk moeilijke positie bevonden en die zich juist tot verdachte hadden gewend om hulp en zorg van hem te krijgen, op grove wijze heeft misbruikt en beschadigd door een of meermalen tegen hun wil seksuele handelingen met hen te plegen en/of gemeenschap met een aantal van hen te hebben. Als behandelaar had verdachte een vertrouwensrelatie met deze vrouwen. Van dit vertrouwen en van hun hoop op genezing heeft verdachte stelselmatig misbruik gemaakt. De slachtoffers zullen nog jarenlang, zo niet hun hele leven in ernstige mate last ondervinden van hetgeen verdachte hen heeft aangedaan.

Zes jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-003551-06

Uitspraak d.d.: 9 oktober 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 22 augustus 2006 in de strafzaak tegen

verdachte

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 6 februari 2007, van 2 mei 2007, van 25 juli 2007 en van 25 september 2007 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr B.P.J. van Riel naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsverweer

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van 25 september 2007 gesteld te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de gedane aangiften. In dit verband heeft de raadsman naar voren gebracht dat deze aangiften pas na een lange tijd zijn gedaan, dat over (de inhoud van) deze aangiften vooroverleg heeft plaatsgevonden tussen de betrokkenen en dat betrokkenen, ondanks de beweerdelijke handelingen van verdachte, toch steeds weer bij hem terugkwamen om behandeld te worden.

Het hof verwerpt voornoemd verweer en overweegt daartoe als volgt.

Hoewel betrokkenen (soms) lange tijd hebben gewacht met het doen van aangifte, hebben zij omtrent de door verdachte gepleegde handelingen bij de politie gedetailleerde en consistente verklaringen afgelegd. Vervolgens hebben zij bij de rechter-commissaris ieder voor zich authentieke en met hun – bij de politie – afgelegde aangiften overeenkomstige verklaringen afgelegd. Hierbij hebben aangeefsters tevens verklaard waarom zij niet eerder aangifte hebben gedaan en waarom zij zich de handelingen van verdachte al die tijd hebben laten welgevallen. Het hof ziet geen aanknopingspunten om aan de inhoud van deze verklaringen te twijfelen.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof af dat sommige aangeefsters inderdaad contact hebben gehad met elkaar. Niet aannemelijk is echter geworden dat daarbij tussen hen afspraken zijn gemaakt omtrent datgene dat aangeefsters aan de politie dan wel aan de rechter-commissaris zouden gaan verklaren of hebben verklaard. Daarenboven is evenmin aannemelijk geworden dat die personen die spontaan na mediaberichtgeving bij de politie hebben verklaard dat zij door verdachte op de bewezenverklaarde seksuele wijze zijn benaderd, zoals <persoon> en <persoon>, voorafgaande aan deze verklaring door andere betrokkenen zijn benaderd.

Voor zover verdachte en zijn raadsman hebben willen betogen dat de slachtoffers telkens vrijwillig en met toestemming de handelingen van verdachte hebben ondergaan, oordeelt het hof dat dit geenszins aannemelijk is geworden. Uit de door de slachtoffers afgelegde verklaringen leidt het hof af dat zij dachten dat zij in verband met hun lichamelijke of psychische klachten door verdachte zouden worden geholpen, dat zij zich daarom van hem afhankelijk hadden gemaakt en dat zij aanvankelijk dachten dat de handelingen, zoals door verdachte gepleegd, onderdeel waren van de door hem te geven zorg en hulp.

Voorts heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting gesteld dat de – onder 1 primair en onder 4 – tenlastegelegde penetratie met de vinger niet kan worden bewezen, omdat niet is komen vast te staan dat de spijkerbroek, die door de verbalisant is bekeken, ook inderdaad betreffende spijkerbroek was. Deze enkele stelling van de raadsman zonder enige onderbouwing is voor het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers <aangeefster> en <aangeefster> op dit punt. Het hof zal het verweer dan ook verwerpen.

Ten slotte is het hof van oordeel dat het door verdachte en zijn raadsman overigens gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, onder 2, onder 3, onder 4, onder 5, onder 6, onder 7 en onder 8 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Verkrachting.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt en/of cliënt aan zijn hulp en zorg heeft vertrouwd,

meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt en/of cliënt aan zijn hulp en zorg heeft vertrouwd,

meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt en/of cliënt aan zijn hulp en zorg heeft vertrouwd.

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt en/of cliënt aan zijn hulp en zorg heeft vertrouwd,

meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

Als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt en/of cliënt aan zijn hulp en zorg heeft vertrouwd,

meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Als degene die werkzaam is in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt en/of cliënt aan zijn hulp en zorg heeft vertrouwd,

meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 8 primair bewezenverklaarde:

Verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof wijst het – ter terechtzitting van 25 september 2007 gedane – verzoek van de advocaat-generaal om verdachte aan een multidisciplinair onderzoek te onderwerpen af. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij een dergelijk onderzoek niet nodig vindt. Voorts acht het hof zich – gelet op het zich onder de gedingstukken bevindende rapport van psychiater J.H. Verhoef – voldoende voorgelicht over verdachte.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

In eerste aanleg heeft de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren gevorderd. De rechtbank heeft verdachte tot voormelde straf veroordeeld. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - dat verdachte gedurende een lange periode meerdere vrouwen, onder wie ook naaste familieleden, die zich op dat moment in een psychisch dan wel lichamelijk moeilijke positie bevonden en die zich juist tot verdachte hadden gewend om hulp en zorg van hem te krijgen, op grove wijze heeft misbruikt en beschadigd door een of meermalen tegen hun wil seksuele handelingen met hen te plegen en/of gemeenschap met een aantal van hen te hebben. Als behandelaar had verdachte een vertrouwensrelatie met deze vrouwen. Van dit vertrouwen en van hun hoop op genezing heeft verdachte stelselmatig misbruik gemaakt. De slachtoffers zullen nog jarenlang, zo niet hun hele leven in ernstige mate last ondervinden van hetgeen verdachte hen heeft aangedaan. Op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan is een zeer langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf daarom passend en geboden.

Voorts heeft het hof ten nadele van verdachte in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet tot inzicht is gekomen van de ernst van zijn handelingen en van de gevolgen daarvan voor zijn slachtoffers. Het hof heeft in de persoon van verdachte of in zijn omstandigheden geen aanknopingspunten gevonden om tot oplegging van een lagere straf te komen dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Op grond van het vorenstaande komt het hof hiermee tot een aanmerkelijk zwaardere straf dan door de rechtbank is opgelegd. Een en ander maakt dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de duur van zes jaar, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, aangewezen is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 242 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair, onder 2, onder 3, onder 4, onder 5, onder 6, onder 7 en onder 8 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr J.A. Coster van Voorhout, voorzitter,

mr J.A.W. Lensing en mr R. de Groot, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr J.M.C. Schuurman-Kleijberg, griffier,

en op 9 oktober 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.