Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB8295

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-10-2007
Datum publicatie
20-11-2007
Zaaknummer
TBS 2007\224
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bestreden beslissing van verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling is niet overeenkomstig het in artikel 509u van het Wetboek van Strafvordering bepaalde aan de terbeschikkinggestelde betekend. Aan hem is dus ook niet de kennisgeving gedaan dat hij binnen 14 dagen na de betekening beroep kon instellen. Nu de beroepstermijn is gekoppeld aan de betekening en betekening niet heeft plaatsgevonden, kan de overschrijding van de termijn die bij betekening zou hebben gegolden niet aan betrokkene worden tegengeworpen. Dat de voorzitter van de rechtbank bij de uitspraak betrokkene heeft gewezen op de mogelijkheid en de termijn van beroep doet hier niet aan af.

Gelet op het onverminderd aanwezige delictgevaar, het feit dat betrokkene nog gedurende lange tijd behandeling, zorg en structuur nodig heeft, is het hof van oordeel dat een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar is geïndiceerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2007\224

Beslissing d.d. 15 oktober 2007

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Dordrecht van 19 januari 2007, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken.

Het beroep is tijdig ingesteld. Vaststaat dat de bestreden beslissing niet overeenkomstig het in artikel 509u van het Wetboek van Strafvordering bepaalde aan betrokkene is betekend. Aan hem is dus ook niet de kennisgeving gedaan dat hij binnen 14 dagen na de betekening beroep kon instellen. Nu de beroepstermijn is gekoppeld aan de betekening en betekening niet heeft plaatsgevonden, kan de overschrijding van de termijn die bij betekening zou hebben gegolden niet aan betrokkene worden tegengeworpen. Dat de voorzitter van de rechtbank bij de uitspraak betrokkene heeft gewezen op de mogelijkheid en de termijn van beroep doet hier niet aan af.

Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep zeven maanden na het instellen van het hoger beroep behandeld. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van

anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat. Uit het verlengingsadvies volgt dat bij betrokkene sprake is van persoonlijkheidsproblematiek met narcistische en paranoïde trekken. Er is geen overeenstemming tussen betrokkene en het behandelteam aangaande zijn problematiek en de daartoe behorende behandeling. Een daadwerkelijke behandeling is derhalve nog niet aangevangen.

Het hof acht zich voldoende voorgelicht, zodat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen. Nadere diagnostiek zou geïndiceerd kunnen zijn, maar dat gegeven doet niets af aan de conclusie van het advies en de noodzaak tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

De kans op toekomstig gewelddadig gedrag in de maatschappij wordt op thans onverminderd hoog geschat.

Het uitgangspunt van het hof is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, de terbeschikkingstelling in principe verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren. Het hof stelt vast dat, mede gezien de houding van betrokkene, het niet te verwachten is dat binnen een jaar gronden aanwezig zijn die een beëindiging van de terbeschikkingstelling rechtvaardigen. Een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar zou bij betrokkene ten onrechte de verwachting kunnen wekken dat dit wel het geval zou kunnen zijn.

Gelet op het onverminderd aanwezige delictgevaar, het feit dat betrokkene nog gedurende lange tijd behandeling, zorg en structuur nodig heeft, is het hof van oordeel dat een verlenging met een termijn van twee jaar is geïndiceerd.

Het hof vindt het -gelet op het vorenstaande- niet noodzakelijk de zaak aan te houden om voor het nemen van een beslissing geïnformeerd te worden over de “WOTS-zaak”

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Dordrecht van 19 januari 2007 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr Stikkelbroeck als voorzitter,

mrs Lensing en Bartelds als raadsheren,

en drs Boon en drs van Kordelaar als raden,

in tegenwoordigheid van Van Lieshout-Witjes als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2007.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen