Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB8049

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
26-11-2007
Zaaknummer
2006/253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt vast dat in de periode waarin het gestelde seksuele misbruik plaats vond, het oude recht (oud-BW) van vóór 1 januari 1992 nog van toepassing was. Op grond van art. 2004 oud-BW gold voor rechtsvorderingen als de onderhavige een verjaringstermijn van 30 jaren. Met ingang van 1 januari 1992 is deze verjaringstermijn met de invoering van art. 3:310 lid 1 BW verkort tot vijf jaren. In afwijking van art. 68a Ow NBW (onmiddellijke werking) geldt op grond van art. 73a Ow NBW in dit soort gevallen een “verlengde verjaringstermijn” van één jaar na invoering van het (huidig) BW, dus tot 1 januari 1993. In casu dient dus (eerst) de vraag beantwoord te worden of de vordering van [appellante] (al) verjaard was op 1 januari 1993. Dit is naar het oordeel van het hof niet het geval.

Uit de brieven en verslagen die zijn overgelegd betreffende de twee perioden waarin [appellante] in therapie was, blijkt dat er sprake is van serieuze psychiatrische (PTSS, depressie en dissociatie) problematiek en niet alleen in de eerste therapieperiode, maar ook (nog steeds) in de tweede therapieperiode. Tevens volgt uit die verslagen dat de reden voor het zoeken van deze professionele hulp gelegen was in klachten die verband hielden met seksueel misbruik in haar jeugd. Weliswaar ontkennen de ooms dat zij [appellante] seksueel hebben misbruikt, doch deze ontkenning doet geen afbreuk aan het feit dat algemeen bekend verondersteld mag worden dat slachtoffers van seksueel misbruik met een langdurige verwerkingsperiode geconfronteerd kunnen worden. Wat daarvan zij, gezien de psychiatrische, persoonlijke problematiek van [appellante], waarvan in ieder geval ook nog in de tweede therapieperiode sprake was, oordeelt het hof dat déze omstandigheden haar belet hebben om haar schadevordering tegen de ooms in te stellen en dat zij pas medio 2002, toen zij zich tot de politie wendde, daadwerkelijk in staat was om een rechtsvordering tot vergoeding van schade als gevolg van het (gestelde) seksueel misbruik door de ooms. Daarbij weegt mee dat (volgens de brief van 19 september 2003 van de Meerkanten) de eerste therapieperiode gericht was op stabilisatie en (nog) niet op verwerking.

Vanaf medio 2002 begint dus de verjaringstermijn te lopen. Met de al eerder genoemde brief van (de advocaat van) [appellante] van 15 oktober 2003 heeft zij deze verjaring (tijdig) gestuit. Het verjaringsverweer van de ooms faalt derhalve.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 oktober 2007

derde civiele kamer

rolnummer 2006/253

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

procureur: mr. H. van Ravenhorst,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

en

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

procureur: mr. H.J.D. ter Waarbeek.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 21 juli 2004 (het tussenvonnis) en 20 juli 2005 (het eindvonnis) die de rechtbank Zutphen tussen (principaal) appellante (hierna ook te noemen: [appellante] of [appellante]) als eiseres en (principaal) geïntimeerden (hierna ook te noemen: (tezamen) [geïntimeerden] of de ooms of (apart) [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2]) als gedaagden heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 6 oktober 2005 [geïntimeerden] aangezegd van het eindvonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van hen voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] drie grieven tegen het bestreden eindvonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en twee nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft tevens haar eis gewijzigd en – zakelijk weergegeven – gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, voor recht zal verklaren dat geïntimeerden aansprakelijk en schadeplichtig zijn jegens haar wegens door hen gepleegde onrechtmatige daden; geïntimeerden zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding, voorlopig begroot op € 50.000,- en tot betaling van verdere schade nader op te maken bij staat; en voorts geïntimeerden zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, waaronder het voorlopig getuigenverhoor.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden en verweer gevoerd en bewijs aangeboden. Zij hebben geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof de vorderingen van [appellante] zal afwijzen, met veroordeling van haar in de kosten van [bedoeld zal zijn:] het hoger beroep, waaronder het voorlopig getuigenverhoor.

Bij dezelfde memorie hebben [geïntimeerden] incidenteel beroep ingesteld tegen het tussenvonnis en het eindvonnis, en zij hebben daartegen één grief aangevoerd en toegelicht en – zakelijk weergegeven – gevorderd dat het hof de vonnissen betreffende de rechtsoverwegingen 5.4 van het tussenvonnis en 2.1 van het eindvonnis zal vernietigen en opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, zal bepalen dat de klachten van [appellante] als gemeld in de brieven en verslagen van de behandelaars in de periode 1993-1995 en 2000-2003 niet kunnen worden toegeschreven aan seksueel misbruik in haar jeugd, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

2.4 Bij memorie van antwoord, met productie, in het incidenteel beroep heeft [appellante] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen, met veroordeling van hen in de kosten van het incidenteel appel, uitvoerbaar bij voorraad.

2.5 Daarna hebben [geïntimeerden] een akte genomen om te reageren op de bij memorie van antwoord overgelegde productie, waarna [appellante] hierop bij antwoordakte heeft gereageerd.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. Daaronder bevinden zich de door beide partijen overgelegde processen-verbaal van voorlopig getuigenverhoor van 10 mei 2006 en 11 juli 2006

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 21 juli 2004 onder rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Samenvatting van de zaak en de gevoerde procedure

4.1 [appellante] (geboren op [geboortedatum] 1971) heeft in de jaren 1977 tot en met 1985, tezamen met haar anderhalf jaar oudere zus [A.], vakanties, feestdagen en zondagen doorgebracht bij haar grootouders in [plaatsnaam]. In die jaren woonden haar ooms, [geïntimeerde sub 1] (geboren [geboortedatum] 1961) en [geïntimeerde sub 2] (geboren op [geboortedatum] 1963), grotendeels nog bij hun ouders die tevens de grootouders van [appellante] zijn.

In de periode januari 1993 – januari 1995 is [appellante], met onderbrekingen, in behandeling geweest bij de Meerkanten, een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (het toenmalige Riagg) te Harderwijk. Zij is daar onder behandeling gekomen “in verband met klachten die verband hielden met seksueel misbruik in haar jeugd.” (brief van 19 september 2003 van de Meerkanten, prod. 1 inl.dagv.)

Op 29 juni 1999 is (na een half jaar op de wachtlijst te hebben gestaan) [appellante] bij de Gelderse Roos, een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, te Arnhem in behandeling genomen in verband met “depressieve klachten en ernstige seksuele problemen. Deze zouden verband houden met seksueel misbruik in het verleden.” (brief van 25 juni 2003 van de Gelderse Roos, prod. 2 inl.dagv.). Aldaar is de diagnose PTSS gesteld; [appellante] heeft ruim drie jaar wekelijks deelgenomen aan een incestverwerkingsgroep en een aantal individuele gesprekken gehad.

Medio 2002 heeft [appellante] contact gezocht met de politie om aangifte te doen van seksueel misbruik door de ooms. De politie heeft haar toen medegedeeld dat de (gestelde) misdrijven strafrechtelijk waren verjaard.

Per (aangetekende) brief van 15 oktober 2003 van de advocaat van [appellante] zijn de ooms aansprakelijk gesteld en is hen verzocht tot vrijwillige schadevergoeding over te gaan. Aan dit verzoek is geen gehoor gegeven.

4.2 Met de inleidende dagvaarding van 11 november 2003 heeft [appellante] de onderhavige procedure gestart tegen de ooms, een voorlopig bedrag van € 50.000,- aan schadevergoeding en voor de nadere vaststelling van de schade verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd. De grondslag van haar vordering is gebaseerd op onrechtmatig handelen van de ooms door haar gedurende vele jaren veelvuldig en gewelddadig seksueel te misbruiken. De ooms hebben deze beschuldigingen en aansprakelijkheid van de hand gewezen.

In het tussenvonnis van 21 juli 2004 heeft de rechtbank [appellante] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de ooms haar in de periode van 1977 tot 1985 (in de schoolvakanties, met kerst en oud en nieuw, op zondagen en met verjaardagen) regelmatig seksueel hebben misbruikt (door haar te vingeren, te tongzoenen en aan te raken op de borsten, vagina en billen, door haar vaginaal met de penis te penetreren, door haar te dwingen zich in aanwezigheid van vrienden uit te kleden en, ten aanzien van [geïntimeerde sub 2], door haar te dwingen hem af te trekken).

[appellante] heeft daartoe, in enquete, de volgende getuigen (op 2 november 2004) laten horen: haar moeder [B.], haar vader [C.] en haar zuster [A.]. In contra-enquete hebben de ooms de volgende getuigen (op 13 januari 2005) laten horen: hun broers [D.] en [E.] en de vrouw van [geïntimeerde sub 1], [F.].

Bij conclusie na enquete van de zijde van [appellante] heeft zij nog een eigen schriftelijke verklaring overgelegd die neergelegd is in een proces-verbaal van 10 februari 2005 ten overstaan van een notaris.

De rechtbank heeft bij eindvonnis van 20 juli 2005 [appellante] niet geslaagd geoordeeld in haar bewijsopdracht en haar vordering afgewezen.

4.3 Na het uitbrengen van de dagvaarding in hoger beroep heeft [appellante] bij verzoekschrift van 15 februari 2006, onder overlegging van twee producties, dit hof verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Dit verzoek is gehonoreerd bij beschikking van 21 maart 2006. Vervolgens zijn op 10 mei 2006 [appellante] en haar zuster [A.] als getuigen gehoord; daarna zijn op 11 juli 2006 [G.] (een vroegere buurjongen van de ooms), [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] als getuigen gehoord.

Na afloop van het voorlopig getuigenverhoor is de procedure in hoger beroep voortgezet met de gebruikelijke stukkenwisseling (zie rov. 2.2 - 2.5).

4.4 De drie grieven van [appellante] (in het principaal appel) komen op tegen de bewijswaardering van de rechtbank. De grief in het incidenteel appel van de zijde van de ooms, komt op tegen het oordeel van de rechtbank (tussenvonnis 21 juli 2004, rov. 5.4) dat uit de door [appellante] overgelegde behandelingsverslagen en brieven van behandelaars kan worden opgemaakt dat de klachten waarvoor zij in de jaren 1993-1995 en 2000-2003 is behandeld, kunnen worden toegeschreven aan seksueel misbruik in haar jeugd.

Alvorens op deze grieven in te gaan zal het hof eerst het meest vergaande verweer van de ooms tegen de vordering van [appellante] beoordelen namelijk hun beroep op verjaring ex art. 3:310 lid 1 BW, daarbij veronderstellenderwijs uitgaande van het gestelde seksueel misbruik.

Verjaring van de vordering tot schadevergoeding

4.5 Op grond van art. 3:310 lid 1 BW verjaart de vordering tot schadevergoeding door verloop van vijf jaren na, kort gezegd, de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, doch in ieder geval door verloop van twintig jaren. Aan de lange verjaringstermijn van twintig jaren, die begint te lopen door het intreden van de schadeveroorzakende gebeurtenis, ligt de rechtszekerheid ten grondslag (vgl. HR 3 november 1995, NJ 1998, 380). De korte verjaringstermijn van vijf jaren staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. Voor de aanvangstermijn van die korte verjaringstermijn is in de rechtspraak van de Hoge Raad het volgende criterium ontwikkeld: gelet op de strekking van art. 3:310 lid 1 BW begint die termijn pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen (HR 31 oktober 2003, NJ 2006, 112 en HR 27 mei 2005, NJ 2006, 114). In eerdere arresten had de Hoge Raad ten aanzien van vorderingen wegens seksueel misbruik en kindermishandeling al geoordeeld dat indien de benadeelde zijn vordering niet kan instellen door omstandigheden die aan de schuldenaar moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich erop zou kunnen beroepen dat de vijfjarige termijn een aanvang heeft genomen op het in art. 3:310 lid 1 BW omschreven aanvangstijdstip (HR 23 oktober 1998, NJ 2000, 15 en HR 25 juni 1999, NJ 2000, 16).

Met inachtneming van voorgaande jurisprudentie oordeelt het hof in deze zaak verder als volgt.

4.6 Het gestelde seksuele misbruik heeft plaatsgevonden in de periode tussen 1977 en 1985. [appellante] (geboren op [geboortedatum] 1971) heeft dit verteld aan haar moeder toen zij rond de 19-20 jaar was (rond 1990-1991 dus); dit volgt uit de getuigenverklaring (in eerste aanleg) van de moeder van [appellante]. Vanaf 1 januari 1993 tot 1 januari 1995 is zij hiervoor in therapie gegaan bij het toenmalige Riagg (thans Meerkanten) te Harderwijk. De toen bij haar vastgestelde diagnose is (volgens de DSM IV classificatie) geweest: een posttraumatische stress-stoornis (PTSS), een dysthyme stoornis en een gegeneraliseerde angststoornis.

In verband met dezelfde problematiek is zij in juni 1999 in behandeling gekomen bij de Gelderse Roos, een instelling voor geestelijke gezondheidszorg; er was toen sprake van een depressie, dissociatie en PTSS. Zij heeft toen ruim drie jaar (dus tot het jaar 2003) deelgenomen aan een incestverwerkingsgroep. In de brief van 25 juni 2003 van de Gelderse Roos wordt over die periode onder andere vermeld: “Cliënte was het eerste jaar niet in staat haar gevoelens onder woorden te brengen of anderszins te uiten. Haar klachten (…) namen toe. Situatie was zorgelijk. Medicatie is overwogen maar cliënte wilde op eigen kracht het verwerkingsproces aan. (…) Steeds meer werd duidelijk dat hier sprake is van zeer ernstig en langdurig seksueel misbruik.”

In die periode van behandeling heeft [appellante] medio 2002 contact gezocht met de politie om aangifte te doen. Per brief van 15 oktober 2003 heeft zij (via haar de advocaat) de ooms civielrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de door haar gestelde schade.

4.7 De ooms stellen zich op het standpunt dat de vordering in 1998 is verjaard, want [appellante] was in 1993, toen zij voor de eerste maal in therapie ging, met de schade en de aansprakelijke personen bekend, althans in ieder geval aan het einde van die therapieperiode, namelijk 1995 (CvA sub 7 en CvD sub 8). [appellante] stelt zich op het standpunt, samengevat, dat zij door het verwerkingsproces niet eerder in staat was om weloverwogen een beslissing te nemen over een vordering tot schadevergoeding jegens de ooms (CvR sub 12).

4.8 Het hof stelt vast dat in de periode waarin het gestelde seksuele misbruik plaats vond, het oude recht (oud-BW) van vóór 1 januari 1992 nog van toepassing was. Op grond van art. 2004 oud-BW gold voor rechtsvorderingen als de onderhavige een verjaringstermijn van 30 jaren. Met ingang van 1 januari 1992 is deze verjaringstermijn met de invoering van art. 3:310 lid 1 BW verkort tot vijf jaren. In afwijking van art. 68a Ow NBW (onmiddellijke werking) geldt op grond van art. 73a Ow NBW in dit soort gevallen een “verlengde verjaringstermijn” van één jaar na invoering van het (huidig) BW, dus tot 1 januari 1993. In casu dient dus (eerst) de vraag beantwoord te worden of de vordering van [appellante] (al) verjaard was op 1 januari 1993. Dit is naar het oordeel van het hof niet het geval.

Uit de brieven en verslagen die zijn overgelegd betreffende de twee perioden waarin [appellante] in therapie was, blijkt dat er sprake is van serieuze psychiatrische (PTSS, depressie en dissociatie) problematiek en niet alleen in de eerste therapieperiode, maar ook (nog steeds) in de tweede therapieperiode. Tevens volgt uit die verslagen dat de reden voor het zoeken van deze professionele hulp gelegen was in klachten die verband hielden met seksueel misbruik in haar jeugd. Weliswaar ontkennen de ooms dat zij [appellante] seksueel hebben misbruikt, doch deze ontkenning doet geen afbreuk aan het feit dat algemeen bekend verondersteld mag worden dat slachtoffers van seksueel misbruik met een langdurige verwerkingsperiode geconfronteerd kunnen worden. Wat daarvan zij, gezien de psychiatrische, persoonlijke problematiek van [appellante], waarvan in ieder geval ook nog in de tweede therapieperiode sprake was, oordeelt het hof dat déze omstandigheden haar belet hebben om haar schadevordering tegen de ooms in te stellen en dat zij pas medio 2002, toen zij zich tot de politie wendde, daadwerkelijk in staat was om een rechtsvordering tot vergoeding van schade als gevolg van het (gestelde) seksueel misbruik door de ooms. Daarbij weegt mee dat (volgens de brief van 19 september 2003 van de Meerkanten) de eerste therapieperiode gericht was op stabilisatie en (nog) niet op verwerking.

Vanaf medio 2002 begint dus de verjaringstermijn te lopen. Met de al eerder genoemde brief van (de advocaat van) [appellante] van 15 oktober 2003 heeft zij deze verjaring (tijdig) gestuit. Het verjaringsverweer van de ooms faalt derhalve.

Bewijswaardering

4.9 Het hof keert terug naar de door [appellante] met drie grieven aangevallen bewijswaardering van de rechtbank. Terzijde merkt het hof op dat er, terecht, niet is opgekomen tegen de bewijslastverdeling, in die zin dat [appellante] het bewijs draagt van haar stelling dat zij door de ooms regelmatig seksueel is misbruikt in de periode 1977-1985.

4.10 Uit de getuigenverklaringen van [appellante] en haar (anderhalf jaar oudere) zuster [A.] blijkt ten aanzien van het gestelde seksuele misbruik (van hen beiden) door de ooms het navolgende. Zowel [appellante] als [A.] verklaren dat zij, ieder apart, door de ooms seksueel zijn misbruikt. Het misbruik vond meestal plaats in of rondom de woning van de ooms (tevens de woning van hun opa en oma) en binnen het familiegebeuren van verjaardagen, feestdagen en tijdens schoolvakanties in de zomer als zij daar logeerden. Alle gehoorde getuigen binnen de familiekring verklaren eenduidig over de familiebijeenkomsten in de woning van de ooms. Verder verklaren zowel [appellante] als [A.] dat zij door de ooms altijd apart werden genomen en dat hun jongere zusje met rust werd gelaten.

[A.] verklaart verder hierover als getuige (in eerste aanleg): “Als we boven speelden en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] er waren, werden de andere kinderen weggestuurd. Ik bleef dan met [appellante] achter. Een van de broers nam mij en de ander [appellante]. Wie wie meenam wisselde per keer dat we daar waren. (…) Ze namen ons mee naar een kamertje en ook wel naar de tent buiten. (…) Als ik door een van de broers werd meegenomen, moest ik mij soms alleen maar uitkleden. Ook raakten ze me aan. Ik heb het dan over mijn borsten en genitaliën. Ze gingen steeds een stapje verder. (…) Na mijn 14e begreep ik pas dat wat gebeurde niet hoorde. Ik ben toen de broers gaan ontwijken wat meestal lukte. Ik dacht ook dat als [appellante] en ik maar bij elkaar bleven, het wel zou lukken om ze weg te houden. (…) Voor mij was duidelijk dat [appellante] ook misbruikt werd. (…) Maar omdat de broers telkens ons apart meenamen en ik wist wat er met mij gebeurde, wist ik ook wel [wat er] met [appellante] gebeurde. (…) Als we bij mijn grootouders logeerden gebeurde het meestal voor het naar bed gaan. (…) Ik heb nooit gehuild of geschreeuwd. (…) Ik had in die tijd niet door dat het niet hoorde en verzette mij niet. (…) De broers waren voor mij “lief”. Het gebeurde van mijn 8e tot mijn 14e. Mijn ooms waren 6 en 8 jaar ouder dan ik. (…) Ze waren mijn ooms en ik had niet veel in te brengen. Als ik zeg dat ze verder gingen bedoel ik dat ze gemeenschap met mij hadden. Dat ze met hun penis in mijn vagina penetreerden (…) ik moest ze ook wel eens aftrekken”

In hoger beroep, bij het voorlopig getuigenverhoor, heeft [A.] deze getuigenverklaring als getuige bevestigd en verder verklaard: “Na mijn veertiende wilde ik ook niet meer en bleef uit de buurt van mijn ooms. Ik wilde samen met [appellante] blijven. (…) Het is heel vaag, als we werden opgehaald om meegenomen te worden, dan wachtten wij op elkaar. (…) Er zijn momenten geweest dat we samen waren en dat [H.], een ander nichtje, werd weggestuurd. De ene keer ging ik met [geïntimeerde sub 1] mee en de andere keer met [geïntimeerde sub 2]. Dan ging [appellante] met de ander mee. Mijn jongste zusje werd weggestuurd … en zo ging het ook met mijn neefje [I.]. Mijn ooms misbruikten mij allebei en mijn conclusie was: als ze het met mij doen apart dan doen ze het ook apart met [appellante]. (…) Ik ben in therapie geweest van 1992 tot 2004. Ik vond dat wel lang genoeg. (…) Ik heb een dagboek meegenomen uit 1981. Ik schreef toen dingen op in mijn dagboek. Op één bladzijde staat letterlijk: ik heb met [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] gevrijd. Ik heb dat verhaal toen geschreven en ik heb ook dat dagboek toen geschreven.”

4.11 [appellante] heeft als getuige haar verklaring van 10 februari 2005 die zij voor de notaris heeft afgelegd (prod. 1 concl. na enquête van 2 maart 2005) onder ede bevestigd. Hierin verklaart zij onder andere dat [geïntimeerde sub 2] zijn penis in haar vagina deed en dat zij hem af moest trekken en dat ook [geïntimeerde sub 1] zijn penis in haar vagina deed. Zij verklaart verder: “Het klopt dat ik in de schoolvakanties, met Kerst en Oud- en nieuw en op zondagen als we bij mijn opa en oma logeerden seksueel misbruikt ben door mijn ooms. Het klopt dat ze me gevingerd hebben en dat ik verkracht ben. Het klopt dat dat gebeurde boven op de kamers van de ooms, op de zolder, in de caravan en in het duivenhok. Ik heb er niet over gesproken met [A.]. Bij ons thuis werd niet veel gepraat; er was een taboe op seks. We wisten wel dingen van elkaar maar het werd nooit uitgesproken. Als we samen boven waren en meegenomen waren, dan werden we verkracht. Ik wist wat er met mijn zus gebeurde, want als zij opgehaald werd dacht ik te weten wat er ging gebeuren. Mijn zus en ik deden veel dingen samen maar ik durfde dit niet met haar te bespreken. (…) Ik weet dat het niet klopte wat er gebeurde. Ik heb alles gedaan om het geheim te houden. Ik was bang voor mijn ooms. (…) Ik voelde mij bedreigd. Ik heb geen signalen afgegeven naar anderen, zoals een buurvrouw of opa en oma. Ik was bang dat anderen er achter zouden komen. (..)

Ik moest ze ook aftrekken. (…) U vraagt mij wat de aanleiding was om het aan mijn moeder te vertellen. Ik had een vriendje en die had ik het verteld. Ik had moeite met bepaalde seksuele handelingen en hij zei mij dat ik het aan mijn moeder moest vertellen. Daarna ben ik in therapie gegaan, dat was een aantal jaren later …. Het was alles bij elkaar, ik wilde dood. Ik had mijn ouders over het misbruik verteld en ik was ook boos op mijn ouders (…) Ik was me toen bewust van het seksueel misbruik dat had plaatsgevonden. De eerste therapie had ik nodig om te weten dat ik niet gek was, en dat het niet mijn schuld was. (…) Ik heb [A.] wel betrokken bij het starten van deze civiele procedure. Zij koos er heel duidelijk voor om het niet te doen. Zij heeft ook geen aangifte gedaan. Ze vindt het te belastend, want ze heeft een gezinnetje en dan komt het weer boven. Zij is ook in therapie geweest. (…)

Het klopt dat [A.] en ik op een gegeven ogenblik hebben afgesproken om bij elkaar te blijven. Het was een idee van mijn zus, ze wilde niet meer alleen naar boven en ze zei dat we altijd samen moesten zijn. Ik kan mij niet herinneren of we daar verder over hebben gesproken. Daarna is het misbruik gestopt.”

4.12 De moeder van [appellante] (en [A.]) heeft als getuige onder ander verklaard: “Toen we vroeger bij mijn schoonouders waren vroegen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] wel eens of [appellante] en [A.] mee naar boven gingen omdat ze mooi speelgoed hadden. De andere nichtjes moesten dan beneden blijven en ook het jongste zusje. Ik had daar een gevoel bij van “niet pluis”. Als ik ging kijken hoorden ze mij op de trap aankomen en waren ze rustig aan het spelen. [appellante] was toen zes en de jongens 12. Dit kwam vaker voor bij verjaardagen die wij daar bijwoonden. Als ik de jongens en de meisjes naar beneden riep, reageerden de jongens wat schuldig en de meisjes bozig, maar dat was uit angst. Als ik vroeg wat er aan de hand was zeiden ze dat zij aan het spelen waren. (…)

Het was op de MEAO dat ze mij vertelde dat ze was misbruikt. Ze was toen tegen de 20 en ze had een vriendje. Het was op haar slaapkamer dat ze tegen mij zei: “ik ben met [geïntimeerde sub 2] naar bed geweest”. Ik ben daar van geschrokken. Ik heb toen ook zo iets gezegd “had ik destijds maar doorgedramd”. De schok was zo groot omdat mijn vermoeden bewaarheid werd. Het waren ook mijn zwagers die ik van jongs af aan kende en die ook bij ons gelogeerd hadden. (…) [A.] en [appellante] zijn allebei in therapie gegaan. [appellante] heeft een tijdje het contact met ons verbroken. Dat kwam vooral omdat ze het vertrouwen in mij is kwijtgeraakt omdat ik heb gezegd dat ik toen iets had moeten doen en niet heb gedaan. Langzaamaan herstelt het gezin zich. (…)

Wij waren bij mijn schoonouders op verjaardagen, zondagen, met oud- en nieuw en op Tweede Kerstdag. Daarnaast waren [appellante] en [A.] ook tijdens de schoolvakanties daar.”

4.13 De vader van [appellante] (en [A.]) heeft als getuige onder andere verklaard: “Ik hoorde voor het eerst dat mijn dochters door mijn broers seksueel waren misbruikt nadat [A.] mij had gevraagd bij het RIAGG te komen waar zij in therapie was. (..) Het was een enorme klap voor mij. (…) Ik heb [geïntimeerde sub 2] rechtstreeks geconfronteerd maar hij gaf geen antwoord. Later zijn mijn broer [D.], [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 1] en ik bij elkaar geweest. [geïntimeerde sub 1] heeft toen alles ontkend en [geïntimeerde sub 2] heeft niets gezegd. (…)

[appellante] en [A.] speelden met [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] als wij daar waren, in de kamer boven. (…) Er is mij daar nooit iets bijzonders opgevallen. (…)

[A.] heeft in dat gesprek [met hem, zijn vrouw en [appellante] in 1992-1993 – toev. hof] gezegd dat [geïntimeerde sub 1] haar had gepenetreerd. [appellante] vertelde dat [geïntimeerde sub 2] haar had gepenetreerd. (…) Het was bij mijn ouders boven gebeurd. Het was ook vaker dan een keer gebeurd.“

4.14 Als getuigen (in hoger beroep) hebben zowel [geïntimeerde sub 2] als [geïntimeerde sub 1] de beschuldigingen c.q. het seksueel misbruik van [appellante] (en [A.]) ontkend. Hun broers, [D.] en [E.], die als getuigen (in eerste aanleg) zijn gehoord, verklaren dat zij nooit iets gezien, gehoord of gemerkt hebben. Een jeugdvriend van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1], [G.], heeft als getuige (in hoger beroep) niets relevants kunnen verklaren omdat hij niet op verjaardagen van de familie kwam en in huis meestal niet verder dan de keuken kwam. De vrouw van [geïntimeerde sub 1], [F.], heeft als getuige (in eerste aanleg) verklaard dat zij nooit heeft gemerkt “dat er iets tussen [geïntimeerde sub 1] en [appellante] of [A.] speelde”.

4.15 Ter zitting van het hof, toen [appellante] en [A.] als getuigen zijn gehoord, heeft [A.] aan de rechter-commissaris haar dagboekje uit 1981 getoond; de beide advocaten hebben het dagboekje ook in handen gehad. Bij de datum van 9 juli 1981 staat in een kinderlijk handschrift geschreven: “toen moesten we nog naar een verjaardag van opa toen heb ik ook nog met [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] gevrijd (lekker)”. [A.] was toen elf jaar. De authenticiteit van het dagboekje is door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet bestreden.

Als getuige heeft [geïntimeerde sub 1] hierover het navolgende verklaard: “U confronteert mij met het dagboekfragment van [A.]. Ik vind het heel raar. Het is sowieso zeer onwaarschijnlijk dat de verjaardag van mijn vader toen is gevierd, want in datzelfde jaar is op 28 april 1981 mijn broer [J.] overleden. Het zou wel kunnen dat mijn broers op visite zijn gekomen bij mijn vader. (…) Er stond in het dagboekfragment ook achter de zin “Ik heb met [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] gevreeën”, “lekker”. Er stond ook niet bij Oom [geïntimeerde sub 2] of Oom [geïntimeerde sub 1], zo werden wij meestal door hen genoemd. Ik weet niet waar hun verhaal vandaan komt.”

Als getuige heeft [geïntimeerde sub 2] hierover verklaard: “U vraagt mij om een reactie op het dagboekfragment van [A.]. In het jaar 1981 is mijn broer [J.] overleden, dus ik kan me niet voorstellen dat de verjaardag van mijn vader werd gevierd. Ik vind het een vreemd verhaal. Er zijn ook andere jongens die [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] heten. (…) Ik weet niet hoe [A.] bij dit verhaal komt.”

4.16 Het hof keert terug naar de bewijsopdracht waarbij [appellante] is toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de ooms haar in de periode van 1977 tot 1985 (in de schoolvakanties, met kerst en oud en nieuw, op zondagen en met verjaardagen) regelmatig seksueel hebben misbruikt (door haar te vingeren, te tongzoenen en aan te raken op de borsten, vagina en billen, door haar vaginaal met de penis te penetreren, door haar te dwingen zich in aanwezigheid van vrienden uit te kleden en, ten aanzien van [geïntimeerde sub 2], door haar te dwingen hem af te trekken).

Naar het oordeel van het hof is [appellante] geslaagd in haar bewijsopdracht dat zij door haar ooms seksueel is misbruikt, met inachtneming van het navolgende. [appellante] heeft gesteld dat het misbruik veelal plaatsvond in de woning van haar opa en oma, de ouders van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1]. Uit de getuigenverklaringen kan opgemaakt en vastgesteld worden dat [appellante] en [A.] van jongs af aan tot de leeftijd van ongeveer 12 respectievelijk14 jaar, in de schoolvakanties, met kerst en oud en nieuw, op zondagen en met verjaardagen in huis waren bij hun opa en oma. Uit de getuigenverklaring van [appellante] volgt verder dat het misbruik altijd plaatsvond samen met haar zus [A.], waarbij de ooms hen om de beurt meenamen. De getuigenverklaring van [appellante] wordt ondersteund door die van [A.], zodat er sprake is van aanvullend bewijs in de zin van art. 164 lid 2 Rv. De getuigenverklaring van de moeder van [appellante] en [A.] (rov. 4.12) ondersteunt hun verklaringen ten aanzien van de feiten dat zij met de ooms naar boven gingen en dat de andere kinderen dan beneden bleven. Hetzelfde geldt voor de getuigenverklaring van de vader van [appellante] en [A.] op dit punt. De moeder van [appellante] en [A.] verklaart verder dat ze toentertijd een “niet pluis” gevoel heeft gehad en dat achteraf haar “vermoeden bewaarheid” werd.

Uit al deze verklaringen, in het bijzonder die van [appellante] en [A.], leidt het hof af dat het seksueel misbruik door de ooms, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1], steeds plaatsvond jegens beide “meisjes”, ook al spraken [appellante] en [A.] daarover toen niet met elkaar. Hun verklaringen over het (stilzwijgende) einde van het seksuele misbruik komen in essentie overeen; ze bleven steeds bij elkaar en lieten elkaar niet meer alleen. De verklaringen van [appellante] en [A.] zijn consistent en congruent zonder dat het hof de indruk heeft dat zij (welbewust) hun verklaringen op elkaar “afgestemd” hebben.

Het dagboekfragment uit 1981 van [A.] spreekt boekdelen: er staat letterlijk dat zij, toen zij op verjaardagsvisite bij opa waren, met [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] heeft gevrijd. Het verweer van de ooms dat er ook anderen zijn die [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] heten, is in dit verband niet relevant. Dat het volgens hen bijna niet mogelijk is geweest dat hun vader toen zijn verjaardag zou hebben gevierd vanwege het overlijden van hun broer, doet niets af aan de datum in het dagboek (welke datum onbestreden de verjaardag is van hun vader) en strookt ook overigens met de feiten dat [appellante] en [A.] op verjaardagen van de familie bij de ooms over de vloer kwamen.

Verder weegt het hof mee dat zowel [appellante] als [A.] in therapie zijn geweest in verband met seksueel misbruik in hun jeugd. Het is het hof niet gebleken dat er sprake zou zijn van “hervonden herinneringen”, zoals de ooms stellen (in hun toelichting bij hun incidentele grief). [appellante] heeft rond 1991-1992 zélf aan haar moeder verteld dat er sprake was van seksueel misbruik door de ooms en uit het verslag over haar eerste therapieperiode van 1993-1995 blijkt dat zij onder behandeling is gekomen in verband met klachten die verband hielden met seksueel misbruik in haar jeugd. [appellante] heeft steeds ook gesteld en verklaard dat ze altijd geweten heeft dat deze gebeurtenissen hadden plaatsgevonden, maar dat zij gedachten hierover naar achteren heeft gedrongen; in vergelijkbare zin verklaart [A.].

Het feit tenslotte dat anderen nooit iets gemerkt hebben van het seksueel misbruik (zie rov. 4.14) ligt wel voor de hand. Seksueel contact tussen ooms en hun jongere nichtjes gebeurt uiteraard stiekem. Inherent aan seksueel misbruik is immers juíst dat het plaatsvindt buiten het zicht van anderen.

Dat er hier bij het seksueel misbruik ook mogelijk derden betrokken waren, is overigens niet vast komen te staan (zoals het uitkleden in aanwezigheid van vrienden) en daarmee niet bewezen. Het bewijsaanbod van de ooms om nog met name genoemde andere personen (derden) als getuigen te horen, kan aan het vorenstaande oordeel dat bewezen is dat [appellante] door de ooms seksueel is misbruikt (onder meer door haar te vingeren, te tongzoenen en door haar vaginaal met de penis te penetreren en, ten aanzien van [geïntimeerde sub 2], door haar te dwingen hem af te trekken) niets afdoen en is voor het overige niet meer relevant zodat het hof dit aanbod passeert.

4.17 Met het voorgaande oordeel staat thans rechtens vast dat [appellante] in de periode 1977-1985, tijdens verjaardagen, feestdagen e.d. als zij in de woning van de ooms verbleef of logeerde, regelmatig seksueel is misbruikt door de ooms en dat zij daarmee onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. De drie grieven in het principaal appel slagen daarom.

De door de ooms opgeworpen incidentele grief tegen rov. 5.4 van het tussenvonnis van 21 juli 2004, waarin geoordeeld is dat de klachten waarvoor [appellante] tijdens haar therapieperioden behandeld is geweest toegeschreven kunnen worden aan seksueel misbruik in haar jeugd, heeft verdere relevantie verloren door het bovenstaande oordeel van het hof. Deze grief wordt daarom verder niet besproken en beoordeeld.

Schadevergoeding

4.18 In hoger beroep heeft [appellante] haar vordering tot veroordeling tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding gehandhaafd. Voor het overige heeft zij verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd, waarbij zij vooral doelt op schade wegens verlies van verdienvermogen. Het hof oordeelt hierover als volgt.

Nu het onrechtmatig handelen van de ooms in rechte vaststaat, zijn zij gehouden tot schadevergoeding op de voet van art. 6:162 lid 1 BW. Algemeen bekend is dat seksueel misbruik in de jeugd in ieder geval leidt tot immateriële schade, waarvoor een smartengeldvergoeding op de voet van art. 6:106 lid 1 sub b BW op zijn plaats is. De hoogte van die immateriële schadevergoeding moet naar billijkheid worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van het misbruik en de gevolgen daarvan voor [appellante]. Bij de beoordeling van de hoogte van dit bedrag neemt het hof mede in aanmerking de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend – daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen – alsmede de sinds de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding (vgl. HR 17 november 2000, NJ 2001, 215).

Gelet op de langdurige periode van seksueel misbruik over acht jaren en de jonge leeftijd (van het 6e tot het 14e levensjaar) waarop het misbruik plaatsvond, het feit dat het binnen de familiekring plaatsvond en de lange therapieperioden, waarbij PTSS en depressie is geconstateerd en gezien recente uitspraken die opgenomen staan in de Smartengeldgids 2006, nrs. 1028, 1029, 1031, 1042 en 1058, oordeelt het hof een schadevergoeding van € 12.500,- op zijn plaats. Dit bedrag kan als onderdeel op het totale bedrag aan schade toegewezen worden, met de gevorderde wettelijke rente. De gevorderde hoofdelijke veroordeling kan op grond van de wet (art. 6:6 lid 2 jo 6:102 lid 1 BW) toegewezen worden.

4.19 De mogelijkheid dat [appellante] naast immateriële schade ook materiële schade heeft geleden, oordeelt het hof aannemelijk zodat hiervoor (volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, vgl. HR 27 november 1998, NJ 1999, 197) verwijzing naar de schadestaat-procedure kan plaatsvinden.

Slotsom

Nu de grieven in het principaal appel slagen kan het eindvonnis van 20 juli 2005 van de rechtbank Zutphen niet in stand blijven en zal het hof opnieuw recht doen zoals hiervoor eerder is geoordeeld (rov. 4.17, 4.18 en 4.19) en hierna in het dictum is opgenomen. De ooms zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep waaronder de kosten van het beslag en de kosten inzake de voorlopige getuigenverhoren.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 20 juli 2005 en doet opnieuw recht:

verklaart voor recht dat [geïntimeerden] op grond van onrechtmatig handelen jegens [appellante] aansprakelijk zijn voor de door [appellante] daardoor geleden schade;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 12.500,- aan immateriële schadevergoeding, binnen acht dagen na betekening van dit arrest en met de wettelijke rente hierover vanaf 11 november 2003, op grond van dat onrechtmatig handelen;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot vergoeding van de door [appellante] geleden en nog te lijden materiële schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 november 2003 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] begroot op € 12.750,17 (€ 5.403,47 in eerste aanleg en € 7.346,70 in hoger beroep), waarvan te voldoen;

aan de griffier van de rechtbank Zutphen (bankrekeningnummer 19.23.25.922 ten name van MvJ Arrondissement Zutphen, postbus 9008, 7200 GJ Zutphen, onder vermelding van het rolnummer 58949 HAZA 03/1376 en de namen van partijen) het bedrag van € 4.868,16 te weten:

- € 764,- voor in debet gesteld griffierecht;

- € 81,16 voor exploten;

- € 4.023,- voor salaris van de procureur,

en aan de procureur van [appellante] het bedrag ad € 106,- voor het eigen aandeel in het griffierecht, € 93,- voor getuigentaxen en € 80,- plus € 256,31 voor de kosten van het beslag,

en voorts

aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 19.23.25.752 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen) het bedrag van € 7.069,10 te weten:

- € 1.275,- voor in debet gesteld griffierecht;

- € 85,60 voor exploten;

- € 5.708,50 voor salaris van de procureur.

en aan de procureur van [appellante] het bedrag ad € 225,- voor het eigen aandeel in het griffierecht en € 52,60 voor getuigentaxen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Makkink, Dozy en Van Acht en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2007.

Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de oudste raadsheer in rang.