Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB7523

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-10-2007
Datum publicatie
09-11-2007
Zaaknummer
06-00266
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BJ8524, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heffingsrente.

Vertraging in oplegging definitieve aanslag geen reden voor matiging van heffingsrente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/5.1.2
FutD 2007-2120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 06/00266

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank te Arnhem van 6 juni 2006, nummer AWB 05/5113 (hierna: de Rechtbank), in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. De beschikking, het bezwaar en het geding voor de Rechtbank

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.951 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 939. Gelijktijdig met het opleggen van die aanslag heeft de Inspecteur belanghebbende bij beschikking € 160 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de in rekening gebrachte heffingsrente bezwaar ingediend. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2005 de beschikking gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen bij de Rechtbank te Arnhem beroep aangetekend.

1.3. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2. Het geding voor het Hof

2.1 Belanghebbende heeft hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 augustus 2007 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

2.3 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

3. De feiten

3.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een op 22 januari 2003 gedagtekende voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.653.

3.2 Belanghebbende heeft op 30 juni 2004 aangifte IB/PV voor het jaar 2003 gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.951 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 939. Belanghebbendes echtgenote heeft haar aangifte IB/PV voor het jaar 2003 gelijktijdig met de aangifte van belanghebbende ingediend. Met dagtekening 28 juli 2004 heeft de Inspecteur belanghebbendes echtgenote een definitieve aanslag opgelegd.

3.3. Belanghebbende heeft de Inspecteur niet verzocht om een voorlopige aanslag. De Inspecteur heeft belanghebbende de definitieve aanslag IB/PV 2003 met dagtekening 15 april 2005 conform de aangifte opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur belanghebbende bij beschikking tevens een bedrag van € 160 aan heffingsrente in rekening gebracht.

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. In geschil is of de Inspecteur de heffingsrente heeft berekend over de juiste periode.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de rente is verschuldigd over de periode 1 januari 2004 tot en met 28 juli 2004. Hij wijst erop dat zijn echtgenote op 28 juli 2004 een (voorlopige) aanslag IB/PV 2003 is opgelegd en dat hem de aanslag IB/PV 2003, ondanks de verwevenheid tussen de desbetreffende, gelijktijdig op 1juli 2004 ingediende aangiften, eerst op 15 april 2005 is opgelegd.

Indien ervan uit moet worden gegaan dat de Inspecteur voor het vaststellen van een aanslag een termijn van drie maanden moet worden gelaten, dan verdedigt belanghebbende het standpunt dat de periode waarover de heffingsrente in dit geval moet worden berekend loopt van 1 januari 2004 tot 1 oktober 2004.

4.3 In hoger beroep blijft de Inspecteur bij zijn in beroep ingenomen standpunten. Hij heeft de nieuwe stellingen van belanghebbende in hoger beroep bestreden en eerder ingenomen stellingen nader onderbouwd. Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, wettekst 2003, – voor zover hier van belang – wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Ingevolge het derde lid van dat artikel wordt de heffingsrente met betrekking tot de inkomstenbelasting enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het tijdvak waarover belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet.

De Inspecteur heeft de in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig berekend.

5.2 Tegenover de stelling van de Inspecteur dat de heffingsrente voortvloeit uit de wet en dat er geen omstandigheden zijn die matiging van de heffingsrente rechtvaardigen heeft belanghebbende gesteld dat voormelde wettekst in het licht van de parlementaire behandeling de ruimte biedt de heffingsrente te matigen indien niet binnen drie maanden na het indienen van een aangifte een (voorlopige) aanslag is vastgesteld. Voorts stelt belanghebbende dat de vaststelling van de aanslag, gelet op de door hem aangevoerde omstandigheden, onredelijk lang is uitgebleven.

5.3 In de Memorie van Toelichting van wetsvoorstel 25 051 inzake heffingsrente (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 051, nr. 3, blz. 11) heeft de Regering zich als volgt uitgelaten:

“Vanzelfsprekend moet worden voorkomen dat heffingsrente wordt berekend als gevolg van de enkele omstandigheid dat de inspecteur niet binnen een redelijke termijn na het indienen van de aangifte een belastingaanslag vaststelt. De opzet is daarom dat de belastingdienst vanaf 1997 binnen drie maanden nadat een aangifte is ingediend een definitieve of voorlopige aanslag zal vaststellen.”

5.4 In de Nota naar aanleiding van het Verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25051, nr. 5, blz. 6) is het volgende opgemerkt:

“Vanzelfsprekend verdient het de voorkeur dat de aanslag binnen de drie-maandsperiode meteen definitief wordt vastgesteld. Het beleid van de belastingdienst is daar ook op gericht. Dat is echter niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld omdat de aangifte aanleiding geeft tot een nader feitenonderzoek. In die gevallen wordt wel steeds een voorlopige aanslag vastgesteld. Daarbij wordt de aangifte tot uitgangspunt genomen. De aangifte hoeft dan nog niet integraal beoordeeld te zijn.”

5.5 Uit de duidelijke tekst van de wet en de bewoordingen van de door de Regering tijdens de parlementaire behandeling gedane uitlatingen kan naar het oordeel van het Hof slechts worden afgeleid wat in de uitvoeringssfeer beleidsmatig als uitgangspunt heeft te gelden. De Regering heeft zich in dat verband niet uitgelaten over mogelijke beperking van de heffingsrente. Vermindering van heffingsrente is slechts toegezegd voor gevallen waarin niet is voldaan aan een uitdrukkelijk verzoek om vaststelling van een (nadere) voorlopige aanslag.

5.6 Gelet op de strikte bewoordingen van de wet biedt deze onvoldoende basis voor de door belanghebbende bepleite beperking van de heffingsrente. De enkele omstandigheid dat belanghebbende, ondanks de door hem aangevoerde omstandigheden, niet binnen de driemaandstermijn een voorlopige aanslag is opgelegd vormt dan ook geen reden om de heffingsrente te beperken.

5.7 Naar het oordeel van het Hof kan van het tijdvak waarover de heffingsrente is berekend in casu niet worden gezegd dat het onredelijk lang is. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur een fout heeft gemaakt die beperking van de heffingsrente rechtvaardigt.

5.8 Het beroep is ongegrond; de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is op 22 oktober 2007 gedaan door de raadsheren mr. Lamens, voorzitter, mr. J.A. Monsma en mr. J. van de Merwe.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De voorzitter,

J. Lamens

De griffier is door vakantie verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 oktober 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.