Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB6922

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
01-11-2007
Zaaknummer
2006/1187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 36 e.v. Pachtwet; art. 7:368 e.v. BW; art. 74 Overgangswet Nieuw BW.

Overgangsrecht; eigen gebruik.

Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Aan de orde is de vraag of het geschil tussen partijen naar oud dan wel naar nieuw recht dient te worden beslist.

Kenmerkend voor het onderhavige geval is dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe recht door de verpachter een kennisgeving van niet-verlenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 36 Pachtwet is uitgebracht en dat eveneens daaraan voorafgaand door de pachter tijdig om verlenging is verzocht als bedoeld in het derde lid van dat artikel.

Het nieuwe recht met betrekking tot de verlenging van een pachtovereenkomst verschilt wezenlijk van het oude, niet alleen wat betreft de toepasselijke regels van procesrechtelijke aard, maar ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist. Artikel 7:367 Burgerlijk Wetboek voorziet in opzegging door de verpachter, welke opzegging volgens artikel 7:368 Burgerlijk Wetboek – anders dan de kennisgeving van niet-verlenging van artikel 36 Pachtwet – op straffe van nietigheid gronden dient te vermelden. Artikel 7:369 Burgerlijk Wetboek houdt in dat, indien de pachter zich binnen zes weken met opgave van redenen tegen de opzegging verzet, het aan de verpachter is om – op de gronden vermeld in de opzegging – te vorderen (het gaat hier dus om een dagvaardingsprocedure) dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. De artikelen 7:370 e.v. Burgerlijk Wetboek voorzien vervolgens in een beoordeling van deze vordering op basis van regels die niet alleen wat betreft hun systematiek maar deels ook inhoudelijk belangrijk verschillen van de regeling van de artikelen 38 e.v. Pachtwet.

Volgens het eerste lid van artikel 74 Overgangswet Nieuw BW heeft de inwerkingtreding van het nieuwe recht geen gevolgen voor de aard van een lopende procedure, zodat in zoverre oud recht van toepassing blijft. De verzoekschriftprocedure van artikel 36 e.v. Pachtwet is een bijzondere procedure, gericht op de beoordeling van de vraag of – niettegenstaande de kennisgeving van niet-verlenging van de verpachter – verlenging van de pachtovereenkomst dient plaats te vinden, en die procedure kan naar zijn aard niet op iets anders worden gericht. In verband met het hiervoor bedoelde wezenlijke verschil tussen oud en nieuw recht ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist en tegen de achtergrond van het beginsel van rechtszekerheid, dat het overgangsrecht mede beheerst, moet worden aangenomen dat die materiële regels de aard van de procedure mede bepalen en dat gelet daarop ook wat betreft die materiële regels in beginsel het oude recht van toepassing blijft. Een en ander stemt overeen met de uitleg die door de Minister van Justitie, alsmede door de regeringscommissaris Nieuw Burgerlijk Wetboek, tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de art. 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is gegeven.

Eigen gebruik, voor zover al ernstig gemeend, niet uitvoerbaar. Beslissing naar billijkheid ten gunste van pachter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 oktober 2007

pachtkamer

rekestnummer: P 2006/1187

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de beschikking van 16 oktober 2006 die de pachtkamer van de rechtbank Almelo, sector kanton, tussen appellant (verder te noemen: [appellant]) als verzoeker en geïntimeerde (verder te noemen: [geïntimeerde]) als verweerder heeft gegeven. Van die beschikking is een fotokopie aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2. 1 [appellant] is bij op 16 november 2006 per fax en op 20 november 2006 per gewone post ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 16 oktober 2006. Hij heeft daarbij zeven grieven tegen die beschikking aangevoerd, producties overgelegd, bewijs aangeboden en het hof verzocht bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw recht doende, het verzoek van [geïntimeerde] tot verlenging van de pachtovereenkomst ex artikel 36 Pachtwet af te wijzen en te bepalen dat de pachtovereenkomst met betrekking tot circa 7 hectare en 40 centiare landbouwgrond, kadastraal bekend gemeente [...] per 1 november 2006 zal eindigen, althans op een in goede justitie door het hof te bepalen datum, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2. 2 Bij op 19 december 2006 ter griffie van het hof ingekomen verweerschrift heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd tegen het door [appellant] in het beroepschrift aangevoerde, bewijs aangeboden en heeft hij het hof verzocht [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans het beroep van [appellant] ongegrond te verklaren, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (het hof begrijpt:) het geding in hoger beroep.

2. 3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart 2007. [appellant] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.J. Hollema, advocaat te Enschede. [geïntimeerde] is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.F.A. Rorink, advocaat te Enschede. Bij die gelegenheid hebben partijen aan het hof inlichtingen verstrekt en hebben beide advocaten de wederzijdse standpunten toegelicht. [appellant] heeft ter zitting inkoopfacturen overgelegd van een vleeshandelaar waaruit de vleesprijs per kilo zou moeten blijken.

2. 4 Vervolgens is de mondelinge behandeling aangehouden teneinde partijen de gelegenheid te geven alsnog tot een buitengerechtelijke oplossing van het geschil te komen.

2. 5 De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 september 2007. Partijen zijn daarbij opnieuw in persoon verschenen, [appellant] bijgestaan door mr. Hollema voornoemd, [geïntimeerde] bijgestaan door mr. Rorink voornoemd, en hebben bij die gelegenheid aan het hof opnieuw inlichtingen verstrekt. De beide advocaten hebben nogmaals de wederzijdse standpunten nader toegelicht.

2. 6 Het hof heeft tevens kennisgenomen van de brieven met bijlagen van 3 en 8 januari 2007 van de procureur van [geïntimeerde], van de brief met bijlage van 16 augustus 2007 van de advocaat van [appellant], van de faxberichten met bijlagen van 21 augustus en 12 september 2007 van de procureur van [geïntimeerde] en van het faxbericht van 20 september 2007 van de advocaat van [appellant].

2. 7 Vervolgens heeft het hof de beschikking bepaald op heden.

3 De vaststaande feiten

3. 1 Tussen partijen staat op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds niet is betwist, alsmede op grond van de niet betwiste inhoud van de overgelegde stukken het navolgende vast.

3. 2 Tussen partijen bestaat een pachtovereenkomst ten aanzien van ruim zeven hectare landbouwgrond, betreffende gedeelten van de percelen kadastraal bekend gemeente [...]. De pachtovereenkomst is bij vonnis van 23 juni 1993 van de pachtkamer van het kantongerecht Almelo schriftelijk vastgelegd, welk vonnis is bekrachtigd bij arrest van dit hof van 13 juni 1994. De grondkamer voor Overijssel heeft de overeenkomst, na verlaging van de pachtprijs, op 8 september 1994 goedgekeurd.

3. 3 Bij exploot van 31 oktober 2005 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] te kennen gegeven geen verdere verlenging van de pachtovereenkomst te wensen en beëindiging van de pachtovereenkomst per 1 november 2006 na te streven.

3. 4 Op 25 november 2005 heeft [geïntimeerde] de rechtbank verzocht de pachtovereenkomst op grond van artikel 36 lid 3 Pachtwet te verlengen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4. 1 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek stelt het hof het volgende voorop. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] zich naar aanleiding van een eerdere kennisgeving van niet-verlenging van [appellant] op het standpunt heeft gesteld dat – overeenkomstig de beschikking van de pachtkamer van het kantongerecht Almelo van 26 juli 2000 – ervan uit moet worden gegaan dat de pachtovereenkomst tussen partijen op 1 november 1994 is ingegaan en dat deze advocaat op die grond heeft betoogd dat bedoelde kennisgeving ongeldig was. De (huidige) advocaat van [geïntimeerde] heeft de feitelijke juistheid van een en ander niet betwist, ook niet bij gebrek aan wetenschap, zodat het hof daarvan dient uit te gaan. In verband met het eerder door [geïntimeerde] ingenomen standpunt zal het hof ervan uitgaan dat de kennisgeving van niet-verlenging van 31 oktober 2005 binnen de in artikel 36 lid 2 Pachtwet bedoelde periode heeft plaatsgevonden. Het inleidende verzoek van de pachter tot verlenging van de pachtovereenkomst is ontvankelijk. Gelet op het voorgaande is niet langer van belang of, zoals ter terechtzitting van 10 september 2007 is besproken, het vonnis van 23 juni 1993 van de pachtkamer van het kantongerecht Almelo overeenkomstig artikel 144 Pachtwet binnen veertien dagen na de uitspraak door de griffier in afschrift aan de grondkamer is gezonden. Ambtshalve navraag door het hof daaromtrent bij de grondkamer is in verband daarmee achterwege gebleven.

4. 2 Met inachtneming van het voorgaande komt het hof thans toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

4. 3 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Aan de orde is de vraag of het geschil tussen partijen naar oud dan wel naar nieuw recht dient te worden beslist.

4. 4 Kenmerkend voor het onderhavige geval is dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe recht door de verpachter een kennisgeving van niet-verlenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 36 Pachtwet is uitgebracht en dat eveneens daaraan voorafgaand door de pachter tijdig om verlenging is verzocht als bedoeld in het derde lid van dat artikel.

4. 5 Het nieuwe recht met betrekking tot de verlenging van een pachtovereenkomst verschilt wezenlijk van het oude, niet alleen wat betreft de toepasselijke regels van procesrechtelijke aard, maar ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist. Artikel 7:367 Burgerlijk Wetboek voorziet in opzegging door de verpachter, welke opzegging volgens artikel 7:368 Burgerlijk Wetboek – anders dan de kennisgeving van niet-verlenging van artikel 36 Pachtwet – op straffe van nietigheid gronden dient te vermelden. Artikel 7:369 Burgerlijk Wetboek houdt in dat, indien de pachter zich binnen zes weken met opgave van redenen tegen de opzegging verzet, het aan de verpachter is om – op de gronden vermeld in de opzegging – te vorderen (het gaat hier dus om een dagvaardingsprocedure) dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. De artikelen 7:370 e.v. Burgerlijk Wetboek voorzien vervolgens in een beoordeling van deze vordering op basis van regels die niet alleen wat betreft hun systematiek maar deels ook inhoudelijk belangrijk verschillen van de regeling van de artikelen 38 e.v. Pachtwet.

4. 6 Volgens het eerste lid van artikel 74 Overgangswet Nieuw BW heeft de inwerkingtreding van het nieuwe recht geen gevolgen voor de aard van een lopende procedure, zodat in zoverre oud recht van toepassing blijft. De verzoekschriftprocedure van artikel 36 e.v. Pachtwet is een bijzondere procedure, gericht op de beoordeling van de vraag of – niettegenstaande de kennisgeving van niet-verlenging van de verpachter – verlenging van de pachtovereenkomst dient plaats te vinden, en die procedure kan naar zijn aard niet op iets anders worden gericht. In verband met het hiervoor bedoelde wezenlijke verschil tussen oud en nieuw recht ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist en tegen de achtergrond van het beginsel van rechtszekerheid, dat het overgangsrecht mede beheerst, moet worden aangenomen dat die materiële regels de aard van de procedure mede bepalen en dat gelet daarop ook wat betreft die materiële regels in beginsel het oude recht van toepassing blijft. Een en ander stemt overeen met de uitleg die door de Minister van Justitie, alsmede door de regeringscommissaris Nieuw Burgerlijk Wetboek, tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de art. 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is gegeven.

4. 7 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof oud recht toepassen.

4. 8 [appellant] betoogt in hoger beroep met name dat hij het verpachte persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik wil nemen. Hij heeft een aantal rapporten in het geding gebracht waaruit volgens hem blijkt dat zijn beoogde eigen gebruik van het gepachte ernstig gemeend, aannemelijk en uitvoerbaar is. Reeds daarom dient volgens hem het verlengingsverzoek van [geïntimeerde] te worden afgewezen en is voor een belangenafweging geen plaats. Voorts stelt [appellant] zich op het standpunt dat, in geval van een belangenafweging, zijn belang bij beëindiging van de pachtovereenkomst zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij voortzetting daarvan, alsmede dat [geïntimeerde] door verlies van het gepachte niet in de grondslag van zijn maatschappelijk bestaan wordt aangetast. Zijn bedrijf is immers reeds blijvend verliesgevend.

4. 9 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 41 lid 1 Pachtwet het verlengingsverzoek in beginsel dient te worden afgewezen indien de verpachter het verpachte persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik wil nemen. Ingevolge artikel 41 lid 2 onder b van de Pachtwet dient echter naar billijkheid te worden beslist, indien door het verlies van het gepachte de grondslag van het maatschappelijk bestaan van de pachter ernstig zou worden aangetast en het persoonlijk gebruik voor de verpachter niet van overwegende betekenis is.

4. 10 Het hof zal eerst beoordelen of [appellant] het verpachte daadwerkelijk persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik wil nemen. Daartoe dient het beoogde eigen gebruik ernstig gemeend en uitvoerbaar te zijn. Het hof is van oordeel dat de overgelegde rapportage van de accountant van 18 januari 2006 geen reëel beeld geeft van de te verwachten opbrengst van de door [appellant] voorgestelde opfok van vleesstieren, nu die berekening zonder nadere onderbouwing uitgaat van door [appellant] zelf verstrekte gegevens. Zelf gaat [appellant] eveneens zonder deugdelijke onderbouwing uit van een vleesprijs voor het door hem te gebruiken koeienras van € 4,00 per kilo. Deze prijs wijkt in sterke mate af van de saldoberekening volgens de KWIN-V cijfers 2006-2007. Bovendien volgt uit de gevoeligheidsanalyse die in het rapport van de accountant is opgenomen dat (iets) lagere vleesprijzen een aanmerkelijke invloed op het bedrijfsresultaat van [appellant] zullen hebben. Verder neemt het hof bij zijn oordeel in aanmerking dat [appellant] zich steeds op het standpunt heeft gesteld de reeds bestaande schuren met minimale investeringen te kunnen aanpassen teneinde deze geschikt te maken voor het houden van vleesstieren. Daarvoor zou reeds voldoende hout en metaal aanwezig zijn. Zonder nadere toelichting acht het hof de uitvoerbaarheid van dit plan, mede gelet op de geldende dierwelzijnseisen niet geloofwaardig. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling van 10 september 2007 – in tegenstelling tot zijn eerdere mededelingen – verklaard een nieuwe schuur te willen bouwen. Hij stelt dat hij de daarvoor benodigde bouwmaterialen voor weinig geld kan verkrijgen, maar het hof acht ook de uitvoerbaarheid van dit plan zonder nadere toelichting en (financiële) onderbouwing ongeloofwaardig.

4. 11 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat het eigen gebruik, voor zover het al ernstig gemeend is, uitvoerbaar is. De overgelegde berekening van de mestproductie en de accountantsrapportage over 2004 doen aan het voorgaande niet af en kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Evenmin is dat het geval met de niet nader toegelichte stelling dat de zoon van [appellant] op termijn het bedrijf zal willen overnemen.

Aldus dient naar billijkheid te worden beslist, nu de verplichte afwijzingsgrond voor het verlengingsverzoek van artikel 41 lid 1 Pachtwet zich niet voordoet.

4. 12 Het hof overweegt dat, hoewel [geïntimeerde] thans een matig renderend bedrijf heeft, geen sprake is van een situatie waarin het bedrijf permanent verliesgevend is. [geïntimeerde] is voor zijn levensonderhoud aangewezen op het agrarisch bedrijf en heeft daarin geïnvesteerd met het oog op de toekomst. Beëindiging van de pachtovereenkomst zal – gelet op de omvang van het gepachte in relatie tot de totale bedrijfsgrootte en de omstandigheid dat het gepachte (deels) direct aansluit bij de huiskavel van [geïntimeerde] – voor hem onherroepelijk leiden tot bedrijfsbeëindiging. [geïntimeerde] heeft er groot belang bij de kans te krijgen de door hem gedane investeringen terug te verdienen. Deze investeringen heeft hij – zo heeft [appellant] ter terechtzitting ook bevestigd – deels bekostigd door de verkoop van een aan hem in eigendom toebehorend stuk grond.

Het belang van [appellant] bij beëindiging van de pachtovereenkomst is, behalve in het voorgestelde eigen gebruik, waarvan reeds is geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat dat eigen gebruik uitvoerbaar is, gelegen in de emotionele waarde die de grond voor hem heeft.

4. 13 Met inachtneming van het voorgaande is het hof van oordeel dat het belang van [geïntimeerde] bij voortzetting van de pachtovereenkomst het zwaarst dient te wegen.

4. 14 Voor zover [appellant] betoogt dat de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] niet geweest is zoals het een goed pachter betaamt of dat het optreden van [geïntimeerde] jegens [appellant] in de afgelopen pachtperiode aanleiding heeft gegeven tot gegronde klachten, zodat het verzoek tot verlenging van de pachtovereenkomst zou moeten worden afgewezen op grond van artikel 39 Pachtwet, moet worden geoordeeld dat de grief die is gericht tegen het oordeel van de pachtkamer van de rechtbank daaromtrent, onvoldoende is toegelicht, zodat deze reeds daarom faalt. De enkele verwijzing door [appellant] naar de stukken in eerste aanleg (zonder in te gaan op hetgeen de pachtkamer van de rechtbank heeft overwogen), acht het hof in dit verband onvoldoende.

4. 15 Het bewijsaanbod van [appellant] zal worden gepasseerd nu hij onvoldoende heeft gesteld om tot dat bewijs te kunnen worden toegelaten.

4. 16 Uit het voorgaande volgt dat de grieven vergeefs zijn voorgesteld. De beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de pachtkamer van de rechtbank Almelo, sector kanton, van 16 oktober 2006;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.788,00 voor salaris van de procureur en op € 248,00 voor griffierecht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Valk, Van der Beek en Van Ditzhuijzen en de raden ir. Rogaar en ing. De Lorijn en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2007.