Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB6570

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-08-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
487/2006
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling beperkte gemeenschap na echtscheiding en afrekening huwelijkse voorwaarden met een niet-uitgevoerd verrekenbeding; peildatum waardering woningen wijze van waardering aandelen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 114
Burgerlijk Wetboek Boek 1 115
Burgerlijk Wetboek Boek 1 136
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/580

Uitspraak

28 augustus 2007

Familiekamer

Rekestnummer 487/2006

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal beroep,

verweerder in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de man”,

procureur mr. J.M. Bosnak,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal beroep,

verzoekster in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr. J.L. Zegelink.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Arnhem van 13 januari 2005, 28 juli 2005 en 16 februari 2006, uitgesproken onder zaak-/rolnummer 99592 / ES RK 03-393.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 16 mei 2006, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 16 februari 2006. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende partijen te veroordelen om over te gaan tot verdeling van de tussen hen geldende beperkte gemeenschap, in die zin dat aan de vrouw wordt toegescheiden de woning aan de [adres], de inboedel, het motorjacht Grand Banks 46 Classic Magnus, de waarde van de ligplaats in de haven te Nagele, groot € 30.000,- en aan de man de overige vermogensbestanddelen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 juni 2006, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft zij tevens incidenteel beroep ingesteld. De vrouw verzoekt het hof in het principaal beroep de verzoeken c.q. de vorderingen van de man in hoger beroep af te wijzen, althans het principaal beroep van de man te verwerpen, en de bestreden beschikking, behoudens voor zover anders in incidenteel appel wordt aangevoerd, te bekrachtigen, zonodig onder aanvulling of verbetering van de gronden waarop het berust, dit alles met veroordeling van de man in de kosten van onderhavige beroepsprocedure en in het incidenteel beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de rechtbank geen wettelijke rente heeft toegewezen en bovendien rekening heeft gehouden met de helft van de belastingclaim en opnieuw beschikkende:

1. de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de verrekening van het vermogen van partijen op basis van de huwelijkse voorwaarden tussen de man en de vrouw vast te stellen, waarbij de peildatum wordt gesteld op 15 maart 2003;

2. te verstaan dat in eigendom aan de man toebehoren het motorjacht “Grand Banks 46 Classic Magnus”, de haven te Nagele, en de aandelen van de besloten vennootschap [de B.V.] bv.;

3. te verstaan dat in eigendom aan de vrouw toebehoren de meubelen in de voormalige echtelijke woning;

4. aan de vrouw toe te scheiden de voormalige echtelijke woning te [woonplaats] aan de [adres], alsmede de overige inboedelzaken - niet zijnde meubelen - die zich in die woning bevinden, met uitzondering van het schilderij met daarop het stadsaangezicht van Delfshaven, welk schilderij aan de man wordt toegescheiden;

5. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw terzake van verdeling en verrekening met genoegzaam bewijs van kwijting van € 1.785.892,14, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 mei 2005 tot en met de dag van algehele voldoening;

6. met veroordeling van de man in de kosten van onderhavige beroepprocedure.

2.3 De man heeft binnen de daartoe gestelde termijn geen verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 9 juli 2007 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr. H.J. Andel, advocaat te Rotterdam, en de vrouw bijgestaan door haar procureur en mr. K.W.A. Wools, advocaat te Elst (Gld).

2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder de aan de aantekeningen van de advocaat van de man gehechte kopie van een vonnis van de rechtbank Arnhem van 23 augustus 2006. Desgevraagd heeft de advocaat van de vrouw aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen het in het geding brengen van dat vonnis, maar nadat hij de gelegenheid heeft gehad en benut om van dat vonnis kennis te nemen heeft hij dit bezwaar ingetrokken en heeft hij zijn reactie gegeven. Het hof voegt daaraan toe dat de betreffende productie eenvoudig te doorgronden is. Ook om die reden heeft het hof overlegging van deze productie geaccepteerd.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 28 september 1977 met elkaar gehuwd. Zij hebben voorafgaand aan het sluiten van het huwelijk de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk geregeld bij notariële akte van 22 september 1977. In de huwelijkse voorwaarden is voor zover thans van belang bepaald:

Artikel 1.

De echtgenoten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen.

Artikel 2.

Bestaat tussen de echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden enig goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan geldt het vermoeden:

a. dat alle zaken, welke klaarblijkelijk tot een door één van de echtgenoten uitgeoefend bedrijf of beroep behoren, behoudens tegenbewijs, geacht kunnen worden eigendom van die echtgenoot te zijn;

b. dat alle meubelen, welke niet tot dit bedrijf of beroep behoren, behoudens tegenbewijs, geacht zullen worden eigendom van de vrouw te zijn;

c. dat alle overige goederen aan beide echtgenoten ieder voor de onverdeelde helft in eigendom toebehoren (…).

Artikel 5.

Per het einde van elk jaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen hetgeen van hun inkomen over dat jaar onverteerd is of door belegging van onverteerd inkomen is verkregen. (…)

Indien één der echtgenoten deze afrekening niet vóór een april van enig jaar heeft gevorderd, verliest hij of zij zijn of haar rechten terzake van deze afrekening over het voorafgaande jaar.

3.2 De man is directeur/enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [de B.V.] bv, verder [de B.V.], die op 1 december 1990 is opgericht. [de B.V.] hield tot 1 november 2005 50 % van de aandelen van de besloten vennootschap [X] bv, verder [X]. Daarnaast hield en houdt [de B.V.] 50 % van de aandelen van de besloten vennootschap [Y] bv, verder [Y].

3.3 Partijen hebben op 2 mei 1995 de woning aan de [adres] gekocht. Deze woning staat op naam van beide partijen.

Zij hebben op 20 oktober 2001 een motorjacht gekocht van het type Grand Banks 46 Classic, dat op naam staat van de man, en voorts hebben zij een ligplaats te Nagele voor laatstgenoemd motorjacht gekocht, die eveneens op naam staat van de man.

3.4 De vrouw heeft bij inleidend verzoek, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 7 mei 2003, de rechtbank verzocht echtscheiding uit te spreken en heeft bij aanvullend verzoek, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 24 mei 2004, verzocht een alimentatie vast te stellen van € 10.000,- per maand. De man heeft in zijn verweerschrift tevens zelfstandig verzoek afgifte verzocht van inboedelzaken, verzocht de voormalig echtelijke woning toe te delen aan de vrouw en haar te veroordelen de helft van de naar peildatum verdeling te taxeren waarde te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de peildatum. Vervolgens heeft de vrouw in haar verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek tevens houdende een wijzigingsverzoek, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 10 september 2004, haar verzoek om alimentatie vermeerderd tot € 25.000,- per maand. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 21 december 2004 heeft de vrouw haar verzoek tot het vaststellen van alimentatie ingetrokken. Op die zitting zijn blijkens de beschikking van 13 januari 2005 afspraken tussen partijen gemaakt over de verdeling/verrekening op grond van de huwelijksvoorwaarden. De rechtbank overweegt in die beschikking onder meer:

“De beslissing omtrent de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen en de verrekening van de huwelijksvoorwaarden wordt op verzoek en in overleg met de partijen aangehouden tot 1 februari 2005 (pro forma). Aan het verzoek tot aanhouding ligt ten grondslag de gedachte van partijen de effectuering van de verdeling/verrekening te regelen via de toescheiding van aandelen [X] B.V. aan de vrouw. Partijen hebben afgesproken dat in de tussentijd de man aan de vrouw een bedrag van € 7.500,- per maand zal uitkeren als voorschot op de uiteindelijke scheiding en deling. De tijd tot 1 februari 2005 zal worden benut om te bekijken hoe de toescheiding van aandelen [X] B.V. aan de vrouw technisch kan worden geëffectueerd en om aan de accountants van beide partijen de gelegenheid te geven te komen tot een gemeenschappelijke waardebepaling van het vermogen. Indien de accountants van partijen er niet in slagen tot een gemeenschappelijke waardebepaling te komen, zullen partijen vooor 1 februari 2005 een derde, onafhankelijke, deskundige inschakelen, waarbij vooralsnog in het midden blijft of diens advies bindend zal zijn. De in te schakelen deskundige zal tot 1 juli 2005 de tijd krijgen partijen te adviseren over de waardebepaling van het vermogen, waarbij de beslissing omtrent de verdeling/verrekening tot 1 juli 2005 zal worden aangehouden. In de tussenliggende periode zal de man eveneens bij wijze van voorschot op de scheiding en deling een bedrag aan de vrouw betalen van € 7.500,- per maand.”

3.5 Bij de beschikking van 13 januari 2005 heeft de rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 2 mei 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank de beslissing met betrekking tot de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen en de verrekening van de huwelijkse voorwaarden aangehouden.

3.6 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 6 juni 2005, heeft de vrouw verzocht bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking te bepalen dat de man € 10.000,- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te betalen.

3.7 Bij de beschikking van 28 juli 2005 heeft de rechtbank wederom iedere beslissing aangehouden tot 15 september 2005 (pro forma) zulks in afwachting van het nader bericht / stukken van partijen.

3.8 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 16 februari 2006 heeft de rechtbank partijen veroordeeld over te gaan tot verdeling van de tussen hen geldende beperkte gemeenschap met inachtneming van hetgeen daarover onder 3.1, 7.1 en 7.2 van die beschikking is overwogen, de man veroordeeld om aan de vrouw ter zake van verdeling en verrekening een bedrag van € 1.688.927,50 te voldoen. Voor wat betreft de beslissing over de alimentatie heeft de rechtbank de zaak pro forma aangehouden tot 13 maart 2006 en partijen in de gelegenheid gesteld hun stellingen in dat verband aan te vullen en te onderbouwen.

3.9 Bij de beschikking van 24 mei 2006 heeft de rechtbank het alimentatieverzoek van de vrouw van 6 juni 2005 afgewezen, de kosten gecompenseerd en voorts het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1 In geschil zijn de verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen.

4.2 Partijen zijn gehuwd buiten gemeenschap van goederen met in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden een verrekenbeding inhoudend dat zij per het einde van het jaar het onverteerde inkomen of hetgeen door beleggingen van onverteerd inkomen is verkregen bij helfte zullen verdelen en dat zij als een van de echtgenoten voor 1 april van het volgende jaar geen afrekening vordert, hij of zij zijn of haar rechten verliest terzake van de afrekening van het voorgaande jaar.

4.3 De man stelt dat partijen nader (mondeling) zijn overeengekomen dat de privé-bezittingen van de vrouw zouden zijn en de onderneming van de man en dat partijen uitdrukkelijk overeenkomstig deze nadere afspraak hebben geleefd en zijn afgeweken van de huwelijkse voorwaarden en het daarin opgenomen verrekenbeding, zodat partijen thans overeenkomstig deze nadere afspraak dienen af te rekenen. De vrouw betwist dat. Het hof overweegt als volgt. Huwelijkse voorwaarden kunnen niet opzij gezet worden met een mondelinge of schriftelijke afspraak. Immers dergelijke afspraken dienen ook zelf te worden aangemerkt als huwelijkse voorwaarden in de zin van artikel 1:114 BW. Krachtens artikel 1:115 BW moeten huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan (zie ook HR 18 juni 2004, NJ 2004, 399). Vaststaat dat een dergelijk akte niet is opgemaakt. De stelling van de man gaat voorts niet op nu hij zelf heeft betoogd dat partijen zich tijdens het huwelijk niet hebben gerealiseerd wat de gevolgen van de huwelijkse voorwaarden en met name het daarin opgenomen verrekenbeding waren. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat partijen overeenkomstig de huwelijke voorwaarden tot afrekening en verrekening dienen over te gaan. Het hof passeert het bewijsaanbod van de man, die zijn moeder en broer als getuigen wil laten horen, als niet ter zake dienend.

4.4 In artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden van partijen is aan het verrekenbeding een vervaltermijn verbonden. In beginsel is een dergelijk beding geldig. Dat neemt niet weg dat ook een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een beroep op het vervalbeding moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht in een geval waarin één van de gewezen echtgenoten na hun echtscheiding verrekening vordert van in het verleden overgespaarde inkomsten, tenzij blijkt van, door de echtgenoot die zich op het vervalbeding beroept te stellen en, zonodig, te bewijzen omstandigheden die een beroep op het beding rechtvaardigen (HR 19 januari 1996, NJ 1996, 617).

De man voert als omstandigheid die een beroep op de vervaltermijn rechtvaardigt aan dat de vrouw als gevolg van de door hem gestelde nadere afspraak tussen partijen niet met lege handen komt te staan, nu de privé-bezittingen aan haar worden toegedeeld. Nog afgezien van de vraag of het enkele feit dat de vrouw niet met lege handen komt te staan een beroep op het vervalbeding rechtvaardigt, is het hof van oordeel dat een verdeling overeenkomstig deze nadere afspraak gelet op het hiervoor onder 4.3 overwogene niet opgaat. Tussen partijen staat vast dat zij tijdens het huwelijk nimmer overeenkomstig artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden hebben afgerekend, zodat partijen na de scheiding ingevolge artikel 1:141 BW verplicht zijn tot verrekening over te gaan. Deze verrekening strekt zich uit over het saldo ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet is verrekend, en de vruchten daarvan.

4.5 Als uitgangspunt bij de vraag of er sprake is van overgespaarde inkomsten heeft te gelden het wettelijk vermoeden van 1:136 lid 2 BW inhoudende dat, als er tussen partijen geschil bestaat omtrent de vraag of een goed tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend en geen van beiden kan bewijzen dat het goed tot het niet te verrekenen vermogen wordt gerekend, dat goed wordt aangemerkt als te rekenen tot het te verrekenen vermogen.

De man stelt dat hij ƒ 90.000,- van zijn moeder heeft geleend met welk bedrag hij [de B.V.] heeft opgericht en dat hij die lening heeft afgelost met de winst uit onderneming van [de B.V.], zodat er geen sprake is van overgespaarde inkomsten. Ingevolge artikel 1:141 lid 3 BW wordt het aan het eind van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Voor zover de lening van de moeder van de man aan de man al zou komen vast te staan en ook dat de man dit geleende bedrag heeft aangewend om [de B.V.] op te richten, geldt dat de aflossing van een privé-schuld uit de winst van [de B.V.] heeft te gelden als overgespaard inkomen dat verrekend had moeten worden. Tussen partijen staat als niet weersproken vast dat de betreffende lening is afgelost uit de winst van [de B.V.] en dus uit overgespaard inkomen, zodat deze niet relevant is voor de waarde van de onderneming zoals die door de accountants is vastgesteld. Het hof passeert het bewijsaanbod van de man als niet ter zake dienend.

4.6 Voor zover de man in hoger beroep al zijn stelling dat de meubelen aan hem in eigendom toebehoren, handhaaft, oordeelt het hof als volgt. Uit artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden volgt dat als tussen partijen een geschil bestaat aan wie van hen beiden enig goed toebehoort en geen van beiden zijn recht op dit goed kan bewijzen, het vermoeden geldt dat alle meubelen, welke niet tot het bedrijf of beroep behoren, behoudens tegenbewijs, geacht worden eigendom van de vrouw te zijn. De man stelt dat de meubelen van hem zijn, nu hij kostwinner was en hij deze heeft betaald. De man heeft onvoldoende gesteld om hem toe te laten (tegen)bewijs te leveren. Immers het enkele feit dat de man de meubelen heeft betaald uit zijn privé-vermogen als dit al komt vast te staan, wil niet zeggen dat de meubelen in eigendom aan hem toebehoren. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft aangenomen dat deze meubelen zijn betaald uit overgespaard inkomen (de vrouw heeft tegen deze beslissing geen grief aangevoerd) en dat de waarde daarvan tussen partijen dient te worden verrekend. Op grond hiervan dient de vrouw € 3.825,- aan de man te betalen.

4.7 Ten aanzien van de overige inboedel volgt uit artikel 2 dat als er tussen de echtgenoten geschil bestaat aan wie van hen beiden enig goed toebehoort en geen van beiden zijn recht op dit goed kan bewijzen, het vermoeden geldt dat deze goederen aan beide echtgenoten ieder voor de onverdeelde helft in eigendom toebehoren. De stelling van de man, dat de goederen in eigendom aan hem toebehoren, omdat hij de goederen heeft betaald, gaat ook hier niet op. De man heeft ook in zoverre onvoldoende gesteld om hem toe te laten (tegen)bewijs te leveren. Het hof ziet geen aanleiding voor de bepaling van waarde van de inboedel af te wijken van het gebruik de inboedel te waarderen naar de waarde in het economisch verkeer, nu het gebruikte goederen betreft. Daaraan doet niet af de stelling van de man dat men van die waarde geen vergelijkbare inboedel kan aanschaffen en evenmin dat die inboedel een aantal merkartikelen omvat die bij de aanschaf kostbaar waren. De rechtbank heeft dan ook terecht de waardering volgens de taxatie overgenomen. Voor zover de man in hoger beroep toescheiding van de inboedel wenst, is het hof met de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw bij toedeling van de inboedel groter is dan het belang van de man. De man heeft immers in 2003 de voormalig echtelijke woning verlaten en woont sindsdien feitelijk op zijn motorjacht. Nu de man de door de vrouw met stukken onderbouwde waarde van de inboedel overigens onvoldoende heeft betwist, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de vrouw de helft van € 6.995,- minus € 250,- terzake van het tussen partijen bekende schilderij dat aan de man toekomt, ofwel € 3.247,50, aan de man dient te betalen.

4.8 Het hof is voorts met de rechtbank van oordeel dat de waarde van het motorjacht en de ligplaats eveneens tussen partijen dient te worden verrekend, zodat de man € 208.500,- aan de vrouw dient te voldoen. De man stelt dat uit een nadere afspraak tussen partijen voortvloeit dat het motorjacht en de ligplaats aan de vrouw toekomen. Echter gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, gaat het beroep van de man op een eventuele nadere afspraak niet op.

4.9 De man stelt dat de waarde van de aandelen van [de B.V.] ten onrechte is bepaald op € 3.800.000,-, nu bij de waardering van de aandelen rekening is gehouden met een persoonsgebonden goodwill ter waarde van € 900.000,- en geen rekening is gehouden met een claim van de vennootschap naar Portugees recht Satcab Satélite e Cabo TV Lda (verder Satcab) op [Y]. Hierbij verwijst de man naar de inhoud van de brief van zijn accountant, F.J.H.M. van Ravesteijn RA, van 19 december 2005 (productie 5 bij beroepschrift).

Het hof overweegt dat uit de beschikking van 13 januari 2005 blijkt dat partijen tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 21 december 2004 zijn overeengekomen dat de accountants van beide partijen tot 1 februari 2005 de tijd kregen om tot een gemeenschappelijke waardebepaling van de aandelen te komen. Indien de accountants hierin niet zouden slagen, zouden zij een derde, onafhankelijke deskundige inschakelen. Uit de brief van G.B.M. Elferink AA, accountant van de vrouw, aan mr. J.L. Zegelink van 6 juni 2006 (productie 2 bij verweerschrift tevens houdende incidenteel appel) blijkt dat de accountants van beide partijen, de heer Elferink namens de vrouw en de heer Van Ravesteijn, namens de man, gezamenlijk de heer G.J. Zuidam als onafhankelijke derde deskundige hebben benaderd en dat de waarde van de aandelen van [de B.V.] door deze drie partijen is vastgesteld op € 3.800.000,-.

Dat de waarde van de aandelen door de accountants van beide partijen op € 3.800.000,- is bepaald, wordt eveneens bevestigd in het door hen op 9 en 12 september 2005 ondertekende verklaring met als titel “Waardering aandelen [de B.V.] B.V.”. De inhoud luidt:

“De ondergetekenden (…) delen hierbij mee dat zij in verband met de scheiding tussen mevrouw [verweerster] en de heer [verzoeker], zijn verzocht de aandelen van de personal holding van de heer [verzoeker], [de B.V.] B.V. (…) te waarderen, naar de situatie per 31 december 2002. Deze rapportage bevat de uitkomsten van onze werkzaamheden. (…)

Verrichte werkzaamheden

Tot onze beschikking zijn gesteld de jaarrekeningen van [de B.V.] B.V. en haar (klein)dochtermaatschappijen tot en met het boekjaar 2002. Aan de hand van deze cijfers alsmede aan de hand van gesprekken met de heer [verzoeker], de heer [A.] en de heer [B.], hebben wij een onderzoek gedaan naar de waardering van de aandelen van [de B.V.] B.V. per 31 december 2002.

Bij deze waardering is rekening gehouden met alle feiten en omstandigheden zoals deze op 31 december 2002 bekend waren of redelijkerwijs bekend konden zijn.

Uitkomst van de verrichte werkzaamheden

Op grond van onze bevindingen komen wij gezamenlijk tot een waarde van het volledig geplaatste aandelenkapitaal van [de B.V.] B.V. op de peildatum 31 december 2002 van € 3.800.000,- (zegge: drie miljoen achthonderdduizend euro) (…).”

Volgens de vrouw is bij de waardering van de aandelen wel degelijk rekening gehouden met de claim van Satcab op [Y] en is er geen sprake van persoonsgebonden goodwill. Hiertoe verwijst zij naar de inhoud van de brieven van haar accountant van 6 juni 2006 (productie 2 bij verweerschrift tevens houdende incidenteel beroep) en 17 november 2005 (productie 30 in eerste aanleg) waarin haar accountant een en ander uitvoerig en gedetailleerd toelicht. Bovendien heeft de vrouw de uitgangspunten en de berekeningen van de waarde van de onderneming door haar accountant overgelegd. Uit die berekeningen blijkt dat de claim van Satcab wel degelijk is opgenomen bij de waardebepaling van [Y] waarbij is vermeld dat er een procedure aanhangig was waarin een tussenuitspraak was gedaan ten gunste van Satcab. De claim is in de waardering meegenomen voor € 300.000,-. De man heeft, door enkel te verwijzen naar de inhoud van de hiervoor genoemde brief van zijn accountant van 19 december 2005 (productie 5 bij beroepschrift), deze gang van zaken betreffende de claim van Satcab onvoldoende gemotiveerd betwist en zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Dat de goodwill die in de waarde is verwerkt persoonsgebonden aan de man is, blijkt voorts nergens uit en wordt ook niet bevestigd in de brief van de accountant van de man. Hierop stuiten de bezwaren van de man tegen de gehanteerde waarde van de aandelen af.

4.10 Tussen partijen is niet in geschil dat bij de vaststelling van de waarde van de aandelen rekening moet worden gehouden met belastinglatentie, de belasting wegens aanmerkelijk belang van 25% die de man verschuldigd is als hij de aandelen vervreemdt. De rechtbank heeft deze claim vastgesteld op 6,25% van de waarde, dus € 237.500,- voor rekening van de vrouw, omdat de rechtbank ervan uit gaat dat het nog geruime tijd zal duren voordat de man met de fiscus afrekent. De man wenst dat rekening wordt gehouden met 12,5% omdat zeker is dat hij uiteindelijk 25% moet betalen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij hieraan toegevoegd dat hij op korte termijn wenst af te rekenen met de fiscus omdat de fiscus zich op het standpunt stelt dat de man rente dient te betalen over het van de besloten vennootschap geleende bedrag dat hij heeft gebruikt om de vrouw uit te keren. Het hof is van oordeel dat zolang de man de aandelen niet vervreemdt hij niet kán afrekenen met de fiscus. Gelet ook op de leeftijd van de man, thans 51 jaar, is de kans dat vervreemding op korte termijn plaats vindt niet te verwachten. De man heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat vervreemding op korte termijn plaatsvindt. Of dat zal plaatsvinden als de man 65 jaar zal zijn, staat evenmin vast. In die situatie is het redelijk bij de verrekening tussen partijen van de waarde van de aandelen met 6,25% belastinglatentie te rekenen zoals de rechtbank heeft gedaan. Dat de man rente verschuldigd is aan zijn besloten vennootschap maakt dit oordeel niet anders. Dit betekent dat de rechtbank terecht de uitkering van € 1.900.000,- verminderd heeft tot € 1.662.500,-. De grief van de man terzake deze belastinglatentie en grief 1 van de vrouw falen.

4.11 De man stelt dat de peildatum voor het vaststellen van de waarde van de voormalig echtelijke woning ten onrechte op 15 maart 2003 is gesteld. Voorts kan hij zich niet vinden in de taxatie van de woning op € 350.000,-. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt voor de bepaling van de waarde van de echtelijke woning is in beginsel de waarde ten tijde van de verdeling tenzij op grond van partijafspraken dan wel redelijkheid en billijkheid een andere peildatum aangehouden dient te worden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat partijen gezamenlijk een opdracht hebben gegeven om de voormalig echtelijke woning te taxeren. De man heeft vervolgens de kosten van deze taxatie betaald. Voorts heeft de man steeds verzocht de echtelijke woning aan de vrouw toe te scheiden tegen de getaxeerde waarde. Gezien deze omstandigheden acht het hof in overeenstemming met maatstaven van redelijkheid en billijkheid dat wordt afgeweken van het uitgangspunt om de waarde ten tijde van de verdeling als uitgangspunt te nemen zodat de voormalig echtelijke woning aan de vrouw wordt toegescheiden tegen die getaxeerde waarde van € 350.000,-.

4.12 Uit het voorgaande volgt dat alle grieven van de man falen en dat de rechtbank terecht heeft beslist dat de man aan de vrouw per saldo € 1.688.927,50 dient te voldoen.

4.13 De vrouw stelt in haar incidentele tweede grief aan de orde dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar verzoek om de man te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente tot de dag van de algehele voldoening. Nu er tussen partijen dient te worden afgerekend wegens het niet nakomen van een verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden en voorts tussen hen een aantal gemeenschappelijke zaken verdeeld moet worden, is het hof van oordeel dat de man eerst wettelijke rente is verschuldigd nadat in rechte de totale som van de afrekening en de verdeling is vastgesteld. Deze totale som wordt immers mede bepaald door de waarde van de gemeenschappelijke goederen en de verrekening en de verdeling hangen nauw met elkaar samen en beïnvloeden elkaar. De rechtbank heeft bij beschikking van 16 februari 2006 uitvoerbaar bij voorraad de totale som van de afrekening en de verdeling vastgesteld, zodat de man wettelijke rente verschuldigd is vanaf 16 februari 2006 tot de dag der algehele voldoening over € 1.688.927,50, welk bedrag de man aan de vrouw dient te voldoen. Grief 2 van de vrouw slaagt ten dele.

4.14 Het hof ziet niet in welk belang de vrouw er bij heeft dat het hof de verdeling alsnog zal vaststellen en zal beslissen zoals weergegeven onder 2.2 nrs 1 tot en met 5. Deze verzoeken zal het hof - met uitzondering van de wettelijke rente - afwijzen.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen voorzover daarbij de verzochte wettelijke rente niet is toegewezen.

5.2 Het hof ziet aanleiding de kosten in hoger beroep te compenseren als na te melden omdat partijen elkaars gewezen echtelieden zijn.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel beroep:

in het incidenteel beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 16 februari 2006, voor zover daarbij de wettelijke rente niet is toegewezen en in zoverre opnieuw beschikkende:

veroordeelt de man tot betaling van de wettelijke rente over € 1.688.927,50 met ingang van 16 februari 2006 tot de dag der algehele voldoening;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in het principaal en het incidenteel beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mens, Wammes en Ter Veer en is op 28 augustus 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.