Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB6080

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
06-00370
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BG4821, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

De terbeschikkingstellingsregeling is niet discriminatoir.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/13.1.3
FutD 2007-1998
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 06/00370

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 7 augustus 2006, nummer AWB 06/552, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. De belastingaanslag, ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 28 oktober 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) over het jaar 2001 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.061 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 519. Aan heffingsrente is een bedrag van € 43 in rekening gebracht.

1.2. Bij de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur van 2 december 2005 is de aanslag gehandhaafd.

1.3. Het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar heeft de Rechtbank bij voornoemde uitspraak van 7 augustus 2006 ongegrond verklaard. Afschriften van de uitspraak van de Rechtbank zijn op dezelfde datum aan partijen verzonden.

1.4. Belanghebbende heeft op 14 september 2006 hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Bij het onderzoek ter zitting van het Hof op 5 september 2007 te Arnhem zijn gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is eigenaar van een bedrijfspand aan de a-weg 1 te Q. Dit pand wordt verhuurd aan de echtgenote van belanghebbende, X-Y, die dit pand in haar eigen onderneming in gebruik heeft.

2.2. Het door belanghebbende over het jaar 2001 aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning (het box 1 inkomen) van € 8.761 is bij de aanslagregeling door de Inspecteur gecorrigeerd met een bedrag van € 4.300 tot € 13.061, waarvan € 3.592 betrekking heeft op toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling op de verhuur van het bedrijfspand van belanghebbende aan zijn echtgenote. Het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen uit sparen en beleggen (het box 3 inkomen) van € 3.719 is in verband hiermee door de Inspecteur verminderd met € 3.200 en gesteld op € 519.

3. Het geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de terbeschikkingsstellingsregeling van artikel 3.91, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in strijd is met de Europese regelgeving, met name of zij ingaat tegen het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951,154) (hierna: EVRM) in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (Trb. 1969, 99 en 1978, 177) (hierna: IVBPR), welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

3.2. In hoger beroep voert belanghebbende nog aan dat voor de ongelijke fiscale behandeling tussen de ter beschikkingstelling van vermogensbestanddelen aan gelieerde en aan niet-gelieerde personen geen, althans onvoldoende rechtvaardigingsgronden bestaan. Met name is hij van mening dat:

- het belang voor de fiscus onvoldoende groot is om een (nadelige) afwijkende belastingheffing als in voornoemd artikel 3.91 Wet IB 2001 te rechtvaardigen;

- de Belastingdienst andere - reeds beproefde - middelen ter beschikking staan om buitensporig hoge huren tussen gelieerde personen/vennootschappen effectief te bestrijden en te corrigeren;

- de nieuwe wettelijke regeling in het leven lijkt te zijn geroepen om personen te ontmoedigen vermogensbestanddelen ter beschikking te stellen aan verbonden ondernemers;

- bij staking van de onderneming het verschil tussen de werkelijke waarde en de boekwaarde progressief wordt belast terwijl (vaak) de liquide middelen ontbreken om de aanslag te voldoen;

- door persoonlijke omstandigheden zoals huwelijk en echtscheiding gedurende eenzelfde (zakelijke) huurovereenkomst onder deze regeling willekeurige heffingsmomenten ontstaan.

3.3. Voor hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd wordt verwezen naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van de zitting.

3.4. In hoger beroep concludeert elk van de partijen overeenkomstig haar conclusie in eerste aanleg.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling in strijd komt met het in de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR neergelegde discriminatieverbod, moet worden vooropgesteld dat die bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt (HR 10 augustus 2007, nr. 41.000, NTFR 2007/1443). Voorts geldt als uitgangspunt dat aan de wetgever in fiscale zaken – zoals ook de Rechtbank met juistheid heeft geoordeeld – een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vragen of gevallen voor de toepassing van voornoemde artikelen als gelijk moeten worden beschouwd en, zo ja, of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Uit een en ander volgt dat het oordeel van de nationale wetgever dient te worden geëerbiedigd, tenzij dat van dat van een redelijke grond ontbloot is.

4.2. De (zeer) ruime marge waarbinnen een nationale wetgever haar eigen afwegingen kan maken leidt ertoe dat de Nederlandse rechter, die wegens het verbod daartoe in de Grondwet niet bevoegd is om de innerlijke waarde van de nationale wet te beoordelen, zich ook bij toetsing van nationale wetgeving aan voornoemde Europese regelgeving terughoudend dient op te stellen.

4.3. De onderhavige terbeschikkingsstellingsregeling is bij de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 uitvoerig aan de orde geweest. Daarbij is expliciet aangegeven welke doelstellingen zijn nagestreefd. In de eerste plaats is beoogd een grotere mate van gelijkheid te bereiken in de fiscale behandeling van belastingplichtigen die een onderneming voor eigen rekening drijven en belastingplichtigen die een onderneming drijven door tussenkomst van een besloten vennootschap. In de tweede plaats is beoogd onwenselijke vormen van belastingarbitrage tegen te gaan, zie MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 17. De fiscale wetgever heeft zich er daarbij rekenschap van gegeven dat onbedoelde fiscale voordelen zich onder de vigeur van het nieuwe boxenstelsel - met zijn specifieke regels - in bepaalde situaties nog sterker zouden kunnen doen gevoelen dan onder de vigeur van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bijvoorbeeld wanneer een relatief hoog belast (winst)inkomen (box 1) zou worden getransformeerd in een relatief laag (forfaitair) belast beleggingsinkomen (box 3). Onderkend is dat reeds de verschillen die voortvloeien uit de boxenstructuur zelf zowel zouden kunnen aanzetten tot meer transacties van dezelfde belastingplichtige in diverse hoedanigheden als tot transacties tussen gelieerde personen en dat de toch al niet scherp te trekken scheidslijn tussen zakelijk en niet zakelijk handelen geen goede functie meer zou kunnen vervullen, zie MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 20-21.

4.4. De wetgever van de Wet IB 2001 en van de Veegwet Wet IB 2001 heeft naar aanleiding van kritiek op de voorgestelde terbeschikkingstellingsregeling, blijkens de wetsgeschiedenis ook alternatieve maatregelen tegen belastingarbitrage onderzocht doch deze uiteindelijk afgewezen omdat de aangedragen alternatieven naar zijn oordeel ¬- anders dan onder de vigeur van de Wet IB 1964 - geen adequaat tegenwicht zouden kunnen bieden tegen arbitrageprocessen waarbij in gelieerde verhoudingen op oneigenlijke wijze zou kunnen worden geprofiteerd van de verschillen in grondslag en tarief in het analytische stelsel van de Wet IB 2001. De wetgever heeft op grond daarvan gekozen voor uitbreiding van de regeling terzake van het resultaat uit een werkzaamheid en het bij voorbaat neutraliseren van de gesignaleerde spanning (tussen het reële stelsel van box 1 met zijn progressieve belastingheffing en het forfaitaire stelsel van box 3 met het vaste gematigde belastingtarief van 30%), zie Nader Verslag, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 217 en MvA, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, blz. 38 en 39. Aldus wordt met de terbeschikkingsstellingsregeling volgens de wetgever een evenwicht gecreëerd tussen de aftrek bij de gebruiker (aan wie de zaak terbeschikking wordt gesteld) enerzijds en de belastingheffing bij de terbeschikkingsteller anderzijds.

4.5. De wetgever is tijdens die parlementaire behandeling ook gemotiveerd ingegaan op de geuite kritiek op het verschil in fiscale behandeling tussen de normale belegger en degene die vermogensbestanddelen ter beschikking stelt aan verbonden ondernemers. Niet alleen is onderzocht of zou kunnen worden volstaan met een terbeschikkingsstellingsregeling voor die vermogensbestanddelen die naar hun aard als ondernemingsvermogen zijn aan te merken doch ook is aandacht gegeven aan de problematiek van de bedrijfsopvolging.

4.6. Na (grondige) bestudering van diverse mogelijkheden en afweging van de betrokken belangen is een groot aantal voorgestelde alternatieven uiteindelijk niet overgenomen. De fiscale wetgever heeft echter ook een aantal suggesties wel overgenomen. Zo is de groep gelieerde personen zoals die in het oorspronkelijk in de Wet IB 2001 was opgenomen bij de Belastingherziening 2001 beperkt en is (vanaf 1 januari 2002) in de Invorderingswet 1990 een mogelijkheid opgenomen om onder bepaalde voorwaarden uitstel van betaling (10 jaar) te krijgen voor de belastingheffing over de waardestijging van de ter beschikkinggestelde zaak bij beëindiging van die terbeschikkingstelling.

4.7. Uit het vorenstaande blijkt dat niet staande kan worden gehouden dat de wetgever de verschillende belangen niet zorgvuldig heeft afgewogen en zich geen rekenschap heeft gegeven van de daarbij optredende verschillen tussen met ondernemers gelieerde en niet met ondernemers gelieerde personen. Het feit dat de gevolgen daarvan voelbaar zijn in bepaalde (persoonlijke) situaties doet daaraan niet af.

4.8. Voor zover er - zoals belanghebbende stelt - al sprake zou zijn van gelijke gevallen is het Hof op grond van het vorenstaande van oordeel dat de wetgever, gesteld voor de keuze tussen de hem ter beschikking staande middelen om de door hem gewenste doelstellingen te bereiken, binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge is gebleven en voorts dat er voor de uit zijn (uiteindelijke) keuze voortvloeiende ongelijke behandeling tussen gelieerde en niet-gelieerde personen een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.

4.9. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat de aan de orde zijnde terbeschikkingsstellingsregeling van artikel 3.91 Wet IB 2001 in strijd is met het in de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR neergelegde discriminatieverbod, bestaat niet de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg. De mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen staat slechts open bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in Luxemburg inzake toetsing van nationale wetgeving aan het EG-Verdrag, maar op dat Verdrag heeft belanghebbende zich niet beroepen. Uiteraard staat het belanghebbende vrij om de aan de Rechtbank en het Hof voorgelegde rechtsvraag ter beoordeling voor te leggen aan de Hoge Raad der Nederlanden.

5. Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

6. Proceskosten

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof, recht doende in hoger beroep, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is op 11 oktober 2007 gedaan door mr. M.C.M. de Kroon, voorzitter, mr. J.A. Monsma en mr. J. van de Merwe, raadsheren. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 oktober 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.