Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB5504

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
2007/313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij vonnis van 15 november 2006 - derhalve tijdens de sedert 14 november 2006 bij de kantonrechter aanhangige procedure is Windwall in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de appellant tot curator. Voor zover het verzoek van [verweerder] strekt tot toekenning van een vergoeding van € 48.600,-- ten laste van Windwall (en de veroordeling van Windwall tot betaling van dat bedrag) moet dit worden aangemerkt als een rechtsvordering die de voldoening van een verbintenis uit de boedel van Windwall ten doel heeft. [Verweerder] verlangt immers de nakoming door Windwall van de door hem gepretendeerde verplichting tot vergoeding. Het door de kantonrechter genoemde bijzondere karakter van de onderhavige procedure doet daaraan niet af. Dit brengt mede dat het geding bij de kantonrechter in zoverre op grond van artikel 29 Fw op 15 november 2006 van rechtswege is geschorst. De kantonrechter heeft dit miskend. Door ondanks deze schorsing van rechtswege de procedure te doen voortzetten en ten slotte de bestreden beschikking - die nietig is - te geven, heeft de kantonrechter de bepalingen van artikel 7:685 BW met verzuim van essentiële vormen (schending van de bepaling van artikel 29 Fw) toegepast en treft het hoger beroep doel. Voor zover het verzoek van [verweerder] strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, moet dit in beginsel niet worden aangemerkt als een rechtsvordering die de voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft. [Verweerder] heeft echter - op grond van artikel 7:685 lid 9 BW - het recht om zijn verzoek in te trekken, nadat de kantonrechter de partijen van zijn voornemen ter zake van de verzochte vergoeding in kennis zal hebben gesteld. Nu aldus (de handhaving van) het verzoek tot ontbinding afhankelijk kan zijn van de hoogte van de eventueel door de kantonrechter toe te kennen vergoeding, dient het geding niet te worden gesplitst in die zin dat dit ter zake van de verzochte ontbinding wordt voortgezet. Ook in zoverre is het geding mitsdien geschorst.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Faillissementswet
Faillissementswet 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2007/285 met annotatie van mr. E. Loesberg

Uitspraak

21 augustus 2007

Vijfde civiele kamer

Rekestnummer R 07/313

G e r e c h t s h o f t e A r n h e m

Beschikking

in de zaak van:

Mr Jacques Aloysius Dominicus Maria Daniëls,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Windwall B.V.,

kantoor houdende te Almelo,

appellant,

procureur: mr H. van Ravenhorst,

tegen:

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

procureur: mr P.M. Wilmink.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de door de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo) tussen de voornoemde gefailleerde vennootschap verder Windwall te noemen als verweerder in eerste aanleg en de verweerder verder [verweerder] te noemen als verzoeker in eerste aanleg op 22 december 2006 gegeven beschikking, waarvan een fotocopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

Bij een op 21 maart 2007 ter griffie van het hof ontvangen beroepschrift heeft de appellant - verder aan te duiden als de curator - hoger beroep tegen de voornoemde beschikking ingesteld. In dat beroepschrift heeft de curator vijf grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd en toegelicht, naast de stukken van het geding in eerste aanleg twee producties overgelegd en het hof verzocht (bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking) de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van [verweerder] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de beide instanties.

In een op 20 april 2007 ter griffie van het hof ontvangen verweerschrift heeft [verweerder] de stellingen van de curator bestreden, een aantal producties overgelegd en het hof verzocht primair de curator niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep te verklaren, subsidiair het verzoek in hoger beroep tot vernietiging van de bestreden beschikking af te wijzen dan wel die beschikking te bevestigen, met veroordeling (bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking) van de curator in de kosten van deze procedure.

Ter terechtzitting van 29 juni 2007 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de curator zelf en mr D.K. Kalma, advocaat te Enschede, de zaak hebben toegelicht aan de hand van hun aan het hof overgelegde notities.

Het hof heeft zijn beschikking op heden bepaald.

3 De grieven

De curator heeft - zakelijk weergegeven - de volgende grieven aangevoerd.

1. Ten onrechte is de kantonrechter overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [verweerder] en heeft de kantonrechter overwogen dat de procedure door het faillissement van Windwall niet van rechtswege is geschorst.

2. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat, nu de curator niet in de procedure is verschenen noch anderszins op de oproep van de griffier heeft gereageerd, de door [verweerder] gestelde feiten en omstandigheden onweersproken zijn gebleven en de door [verweerder] verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen.

3. Ten onrechte heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 22 december 2006 ontbonden, aan [verweerder] een vergoeding van € 48.600,-- toegekend, Windwall veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan [verweerder] en Windwall in de proceskosten veroordeeld.

4. Grief 4 is gelijkluidend aan grief 2.

5. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat [verweerder] belang heeft bij een vergoeding in verband met de mogelijkheid deze te kunnen verrekenen met zijn schuld ter zake van een door Windwall aan hem verstrekte lening.

4 De feiten

De door de kantonrechter in de rechtsoverwegingen 1 en 2 op bladzijde 2 van zijn bestreden beschikking als vaststaand aangenomen feiten staan ook in hoger beroep vast, nu deze vaststelling in hoger beroep niet is bestreden.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 De curator heeft als grondslag van zijn verzoek in hoger beroep gesteld dat de kantonrechter ten onrechte artikel 7:685 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft toegepast dan wel deze wettelijke bepaling met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast en dat deze eveneens ten onrechte de bepaling van artikel 29 Faillissementswet (Fw) buiten toepassing heeft gelaten.

Nu de curator zijn hoger beroep hierop heeft gegrond, staat de bepaling van artikel 685 lid 11 BW niet aan de ontvankelijkheid van de curator in zijn hoger beroep in de weg.

5.2 In zijn op 14 november 2006 ter griffie van de rechtbank ontvangen verzoekschrift heeft [verweerder] de kantonrechter verzocht:

- de arbeidsovereenkomst tussen hem en Windwall op zeer korte termijn te ontbinden,

- aan hem een vergoeding van € 48.600,-- toe te kennen en

- Windwall in de kosten van het geding te veroordelen.

5.3 Bij vonnis van 15 november 2006 - derhalve tijdens de sedert 14 november 2006 bij de kantonrechter aanhangige procedure is Windwall in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de appellant tot curator.

5.4 Voor zover het verzoek van [verweerder] strekt tot toekenning van een vergoeding van € 48.600,-- ten laste van Windwall (en de veroordeling van Windwall tot betaling van dat bedrag) moet dit worden aangemerkt als een rechtsvordering die de voldoening van een verbintenis uit de boedel van Windwall ten doel heeft. [verweerder] verlangt immers de nakoming door Windwall van de door hem gepretendeerde verplichting tot vergoeding.

Het door de kantonrechter genoemde bijzondere karakter van de onderhavige procedure doet daaraan niet af.

5.5 Dit brengt mede dat het geding bij de kantonrechter in zoverre op grond van artikel 29 Fw op 15 november 2006 van rechtswege is geschorst.

De kantonrechter heeft dit miskend. Door ondanks deze schorsing van rechtswege de procedure te doen voortzetten en ten slotte de bestreden beschikking - die nietig is - te geven, heeft de kantonrechter de bepalingen van artikel 7:685 BW met verzuim van essentiële vormen (schending van de bepaling van artikel 29 Fw) toegepast en treft het hoger beroep doel.

5.6 Voor zover het verzoek van [verweerder] strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, moet dit in beginsel niet worden aangemerkt als een rechtsvordering die de voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft.

[verweerder] heeft echter - op grond van artikel 7:685 lid 9 BW - het recht om zijn verzoek in te trekken, nadat de kantonrechter de partijen van zijn voornemen ter zake van de verzochte vergoeding in kennis zal hebben gesteld.

Nu aldus (de handhaving van) het verzoek tot ontbinding afhankelijk kan zijn van de hoogte van de eventueel door de kantonrechter toe te kennen vergoeding, dient het geding niet te worden gesplitst in die zin dat dit ter zake van de verzochte ontbinding wordt voortgezet.

Ook in zoverre is het geding mitsdien geschorst.

5.7 Het hiervoor overwogene brengt mede dat de door de kantonrechter gegeven beschikking nietig is, dat grief 1 terecht is voorgesteld en dat de overige grieven niet behoeven te worden besproken.

Slotsom

5.8 Nu grief 1 slaagt, verstaat het hof dat het geding bij de kantonrechter op 15 november 2006 van rechtswege is geschorst. Alle nadien verrichte proceshandelingen zijn nietig; zo ook de bestreden beschikking.

Dat geding kan op de voet van artikel 29 Fw ten overstaan van de kantonrechter worden voortgezet (in de stand waarin het zich op 15 november 2006 bevond), indien de verificatie van de vordering van [verweerder] betwist zal worden.

5.9 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [verweerder] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Voor de door de curator verzochte veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in eerste aanleg is geen plaats, nu het geding ook ten aanzien van het verzoek tot veroordeling in die kosten is geschorst en de kantonrechter indien het geding op de voet van artikel 29 Fw zal worden voortgezet daarop nog zal moeten beslissen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

1. verstaat dat de tussen de partijen gegeven beschikking van de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo) van 22 december 2006 nietig is;

2. verstaat dat het geding voor de onder 1 bedoelde kantonrechter op 15 november 2006 van rechtswege is geschorst en dat het geding ten overstaan van de kantonrechter zal worden voortgezet, indien de verificatie van de onderhavige vordering van [verweerder] zal worden betwist;

3. veroordeelt [verweerder] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de curator tot aan deze uitspraak bepaald op € 1.788,-- aan salaris van de procureur en op € 251, aan verschotten;

4. verklaart deze beschikking, voor zover deze de onder 3 gegeven veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs Van Loo, Van der Poel en Prakke-Nieuwenhuizen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 21 augustus 2007.