Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB5008

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-09-2007
Datum publicatie
08-10-2007
Zaaknummer
06/00488
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Verwijzingsprocedure HR 1 december 2006, nr. 38.850. Bij berekening van het in de teller op te nemen looninkomen in het kader van een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting dient rekening te worden gehouden met aftrek van evenredig gedeelte van het arbeidskostenforfait.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1928 met annotatie van Wolvers
FutD 2007-1937
V-N 2008/2.15

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 06/00488

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : X

te : Z

verweerder : de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

nummer : 0.H.76

mondelinge behandeling : op 30 augustus 2007 te Arnhem

waarbij verschenen : de Inspecteur

waarbij niet verschenen : belanghebbende noch zijn gemachtigde, hoewel de laatstgenoemde overeenkomstig de wet is uitgenodigd

gronden

1. De behandeling van de zaak door het Hof betreft de verwijzing door de Hoge Raad in het arrest van 1 december 2006, nr. 38.850, onder meer gepubliceerd in BNB 2007/75c*.

2. De Inspecteur heeft bij het Hof een conclusie na verwijzing ingediend. Een afschrift daarvan is aan belanghebbende gezonden. Belanghebbende heeft gereageerd op de conclusie van de Inspecteur. Een afschrift van de reactie van belanghebbende is aan de Inspecteur gezonden.

3. Op het beroep in cassatie van belanghebbende heeft de Hoge Raad in zijn hiervoor genoemde arrest onder meer overwogen:

"3.2. In cassatie beperkt het geschil zich tot de vraag of de heffing over belanghebbendes inkomsten uit zijn werkzaamheden in Denemarken door het Belastingverdrag Nederland-Denemarken (...) wordt toegewezen aan Denemarken of aan Nederland."

en geoordeeld dat in dit geval de bevoegdheid tot het belasten van belanghebbendes inkomsten uit die werkzaamheden toekomt aan Denemarken. De Hoge Raad overwoog voorts:

"3.5.2. Verwijzing moet volgen voor bepaling van de omvang van de te verlenen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting."

waarna de Hoge Raad het geding heeft verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

4. De Inspecteur heeft in zijn conclusie het standpunt ingenomen dat de hiervoor bedoelde aftrek moet worden berekend met toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2005, nr. 40.179, BNB 2006/52c*. Belanghebbende heeft hierop in zijn conclusie met instemming gereageerd en het standpunt ingenomen dat, gelet op de bijzondere omstandigheid dat het in deze zaak gaat om offshorewerkzaamheden, de dagenbreuk moet worden gesteld op 95/174. Naar de mening van belanghebbende kan het aan Denemarken toe te rekenen gedeelte van de looninkomsten op ƒ 93.177 worden berekend.

5. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de berekening van belanghebbende in beginsel kan worden gevolgd, doch dat het bij de berekening van het in de teller op te nemen bedrag van de aan Denemarken toe te rekenen looninkomsten gaat om het zuivere bedrag, derhalve na aftrek van een evenredig gedeelte van het arbeidskostenforfait. Aldus berekend bedraagt het in de teller op te nemen bedrag ƒ 91.759. Gelet op het zogenoemde De Groot-arrest bedraagt de noemer van de verminderingsbreuk ƒ 181.147.

6. Het door de Inspecteur ingenomen standpunt is naar het oordeel van het Hof juist (vergelijk Hoge Raad 18 november 2005, nr. 40.016, BNB 2006/81). Belanghebbende neemt in zijn conclusie het standpunt in dat voor de andere landen dan Denemarken waar hij in 1997 heeft gewerkt, de aftrek op dezelfde wijze kan worden berekend. Daarvoor is naar het oordeel van het Hof na verwijzing echter geen plaats, gelet op hetgeen in cassatie nog in het geding was.

proceskosten:

De Hoge Raad heeft in zijn verwijzingsarrest reeds een veroordeling in de proceskosten van belanghebbende tot dat moment uitgesproken en gelast dat aan belanghebbende worden vergoed de voor de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierechten. Omtrent de griffierechten voor de behandeling van het beroep voor het gerechtshof Leeuwarden heeft de Hoge Raad nog niets beslist. Belanghebbendes proceskosten zijn met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 0,5 maal € 322 ofwel op € 161.

beslissing:

Het Gerechtshof:

• verklaart het beroep gegrond;

• vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, waarvan beroep;

• bepaalt dat bij de berekening van de onderhavige belastingaanslag rekening wordt gehouden met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, waarbij de teller van de verminderingsbreuk wordt gesteld op € 41.638 (ƒ 91.759) en de noemer op € 82.200 (ƒ 181.147);

• gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 27,23 en

• veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 161 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 13 september 2007 door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, raadsheren. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 september 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.