Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB4908

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
07/00030
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Verwijzingsprocedure HR 26 januari 2007, nr. 41377. Een eerst in de verwijzingsprocedure gedaan beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet worden behandeld. Inspecteur heeft geen in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat belanghebbendes deelname in een CV is aan te merken als een bron van inkomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1914
FutD 2007-1933

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Eerste meervoudige belastingkamer

nummer 07/00030

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : X

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997

nummer : 0000.00.000.H.76

mondelinge behandeling : op 12 september 2007 te Arnhem na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 26 januari 2007, nr. 41.377

waarbij verschenen : de Inspecteur

waarbij niet verschenen : belanghebbendes gemachtigde met kennisgeving aan het Hof

gronden:

1. Gelet op rechtsoverweging 3.8 van het arrest van 26 januari 2007, nr. 41.377 heeft de Hoge Raad het geding naar dit Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met betrekking tot, kort gezegd, de te nemen beslissing naar aanleiding van de standpuntwijziging van de Inspecteur inzake het rentebedrag van ƒ 2.892, een (eventueel) aan belanghebbende toe te kennen proceskostenvergoeding, een beslissing omtrent het griffierecht en een beslissing met betrekking tot het door belanghebbende gedane maar door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch onbesproken gelaten beroep op het vertrouwensbeginsel.

2. Dit betekent dat het door belanghebbende eerst in de verwijzingsprocedure gedane beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel door dit Hof

– omdat het niet tot de rechtsstrijd van partijen behoorde en de verwijzingsopdracht daartoe geen ruimte biedt – niet kan worden behandeld (vgl. HR 28 april 1999, nr. 31.427, BNB 1999/312).

3. Het door belanghebbende gedane beroep op het vertrouwensbeginsel houdt in dat de inspecteur die de aanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1996 heeft geregeld het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de deelname in het kapitaal van de CV is aan te merken als een bron van inkomen. Dit blijkt, aldus belanghebbende, uit een op 29 oktober 1999 gedagtekende brief van die inspecteur.

4. De inhoud van bedoelde brief luidt – voorzover te dezen van belang – als volgt:

“Geachte heer X,

Op 19 oktober 1999 hebben wij uw aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 besproken. Onderwerp van bespreking waren onder andere:

1 (…)

2 (…)

3 De fiscale consequenties van uw deelname in de C.V. A, zowel met betrekking tot het genietingsmoment van de inkomsten uit deze deelname als de aftrek van de rente van schulden die u bent aangegaan ter financiering van uw deelname.

Ik heb besloten de inkomsten uit uw deelname over 1996 niet in 1996 te belasten. U kunt aan dit standpunt niet het vertrouwen ontlenen dat dit standpunt ook voor de jaren 1997 e.v. zal worden ingenomen.

(…)”.

5. De onderhavige brief behelst een toezegging voor het jaar 1996. Volgens belanghebbende ligt in de brief besloten dat de Inspecteur ervan is uitgegaan dat zijn deelname in het kapitaal van de CV is aan te merken als een bron van inkomen – aan het genietingstijdstip wordt immers, aldus belanghebbende, eerst toegekomen nadat het bronkarakter is vastgesteld – en dat hij erop mocht vertrouwen dat die toezegging – de aanwezigheid van een bron van inkomen – ook zou gelden voor de jaren ná 1996.

6. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat zijn uitleg van de inhoud van de brief inzake de volgorde eerst “de bronvraag” dan “het genietingstijdstip” verdedigbaar is. In aanmerking genomen echter dat de Inspecteur zijn standpuntbepaling nadrukkelijk heeft beperkt tot het jaar 1996, kon belanghebbende naar het oordeel van het Hof aan die brief redelijkerwijs niet het vertrouwen ontlenen dat een mogelijk aan de expliciete toezegging om de inkomsten uit de deelname in de CV niet in 1996 te belasten ten grondslag liggende impliciete standpuntbepaling dat sprake is van een bron van inkomen ook in het onderhavige jaar (1997) onverkort zouden gelden. Van een gewekt vertrouwen dat in rechte zou moeten worden beschermd is dan ook geen sprake. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

7. Nu de Inspecteur ter zitting voor het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft verklaard zich met betrekking tot het rentebedrag van ƒ 2.892 alsnog aan te sluiten bij het standpunt van belanghebbende dat dit bedrag dient te worden gerangschikt onder de aftrekbare kosten, dient het beroep in zoverre gegrond te worden verklaard, de uitspraak op het bezwaar te worden vernietigd en de aanslag te worden verminderd met het bedrag van ƒ 2.892 tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 93.861.

8. De omstandigheid dat (ook) het onzuivere inkomen van belanghebbende door bedoelde renteaftrek neerwaarts wordt bijgesteld tot ƒ 120.453, brengt mee dat de met betrekking tot de giftenaftrek te hanteren drempel wordt

verlaagd tot ƒ 1.205, zodat belanghebbende recht heeft op een extra giftenaftrek ten bedrage van ƒ 51. Het belastbare inkomen dient mitsdien nader te worden verminderd tot ƒ 93.810.

9. In aanmerking genomen dat het beroep van belanghebbende gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, heeft hij in beginsel recht op een vergoeding van de door hem in verband met de behandeling van het beroep voor het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch en dit Hof gemaakte proceskosten. Dit is anders indien de noodzaak tot het instellen van het beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende (vgl. onder meer HR 5 januari 2007, nr. 42.548, BNB 2007/123). De Inspecteur heeft aanvankelijk betoogd dat zulks met betrekking tot de lening met contractnummer 0000000 het geval is. Ter zitting heeft zij dit standpunt evenwel laten varen en zich alsnog verenigd met een toekenning van een proceskostenvergoeding aan belanghebbende.

10. De Staat dient, gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het door belanghebbende voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

11. Het beroep is gedeeltelijk gegrond.

proceskosten:

Het Hof acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof berekent deze kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht op een bedrag van € 966 ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand (Hof Den Bosch 2,5 maal € 322 en Hof Arnhem 0,5 maal € 322).

beslissing:

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van € 42.569 (ƒ 93.810);

- gelast de Staat aan belanghebbende te vergoeden het door hem betaalde griffierecht van € 29,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 966 en wijst aan de Staat als de rechtspersoon die kosten aan belanghebbende dient te vergoeden.

Aldus gedaan op 26 september 2007 door R. den Ouden, voorzitter, J. Lamens en W.A.P. Nieuwenhuizen en op genoemde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.W.M. van der Waerden als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, De voorzitter,

(A.W.M. van der Waerden) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 september 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.