Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB4903

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-09-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
06-00298
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BH2586, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting.

Exploitant van een schoonmaakbedrijf heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de deeltijdfactor bij de afdrachtvermindering langdurig werklozen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1860
FutD 2007-1940
V-N 2008/14.1.1

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 06/00298

Tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 27 juni 2006, nummer AWB 06/213, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van € 7.686. Bij afzonderlijke beschikking is een vergrijpboete opgelegd van € 2.203. Aan heffingsrente is € 1.301 berekend.

1.2. Bij uitspraak van de Inspecteur van 2 december 2005 is het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en is de boetebeschikking ambtshalve verminderd met een bedrag van € 282.

1.3. Het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur is door de Rechtbank bij uitspraak van 27 juni 2006, nr. AWB 06/213, gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en voor het overige ongegrond verklaard.

1.4. Tot de stukken van het geding in hoger beroep behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen.

1.5. Bij het onderzoek ter zitting op 5 juli 2007 te Arnhem zijn gehoord, A namens belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.6. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende exploiteert een schoonmaakbedrijf dat huishoudelijk werk verricht voor particulieren. In de onderhavige periode waren bij belanghebbende ongeveer zeventig werknemers in dienst. Nagenoeg alle werknemers werkten in deeltijd.

2.2. De loonadministratie en de aangiften loonbelasting werden verzorgd door de heer B verbonden aan administratiekantoor C te Q. In de jaren 1999 en 2000 zijn uitsluitend nihil-aangiften voor de loonbelasting ingediend, omdat de af te dragen loonbelasting volledig kon worden verrekend met de afdrachtvermindering en doorstroomvermindering lage lonen en de afdrachtvermindering langdurig werklozen.

2.3. In 2004 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek voor de loonbelasting ingesteld. Onderzocht is de juistheid van de toepassing van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 maart 2001 en daaraan gekoppeld de verwerking van de bedragen in de aangiften loonbelasting.

2.4. Tijdens dit boekenonderzoek is vastgesteld dat belanghebbende in het tweede kwartaal 1999 onder meer een bedrag van ƒ 68.874 (aldus berekend: 58 werknemers vermenigvuldigd met de maximum toelage per kwartaal van ƒ 1.187,50) afdrachtvermindering langdurig werklozen op de af te dragen loonbelasting en premie volksverzekering in mindering heeft gebracht. Bij de berekening van deze vermindering heeft belanghebbende geen rekening gehouden met de omstandigheid dat alle werknemers die voor de afdrachtvermindering in aanmerking komen in deeltijd werkzaam zijn.

2.5. Daarnaast is gebleken dat belanghebbende de over het tweede kwartaal 2000 af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen heeft verminderd met een bedrag van ƒ 52.387 afdrachtvermindering langdurig werklozen en afdrachtvermindering en doorstroomvermindering lage lonen. Een gedeelte ad ƒ 2.481 heeft betrekking op afdrachtverminderingen die in het eerste kwartaal niet op de af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen in mindering konden worden gebracht omdat die daarvoor niet toereikend waren.

2.6. Naar aanleiding van het boekenonderzoek is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van ƒ 16.937, ofwel € 7.686, die als volgt is berekend:

Correctie 1999

Ingehouden loonheffing 2e kwartaal ƒ 60.652

Afdrachtvermindering lage lonen -/-- ƒ 16.196

Idem langdurig werklozen -/-- ƒ 30.000

1999: te weinig afgedragen ƒ 14.456 € 6.560

Correctie 2000

Ingehouden loonheffing 2e kwartaal ƒ 52.387

Afdrachtvermindering lage lonen -/-- ƒ 23.338

Idem langdurig werklozen -/-- ƒ 26.568

2000: te weinig afgedragen ƒ 2.481 € 1.126

Totaal € 7.686

Gelijktijdig is bij beschikking over het jaar 1999 een boete opgelegd van 25%, ofwel ƒ 3.614 (€ 1.640), en over het jaar 2000 een boete van 50%, ofwel ƒ 1.241 (€ 563). Ook is heffingsrente berekend.

2.7. In het verweerschrift in beroep heeft de Inspecteur verklaard dat door het hanteren van een onjuiste intoetscode het bezwaar van belanghebbende abusievelijk niet-ontvankelijk is verklaard.

3 Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of:

– belanghebbende over het tweede kwartaal 1999 recht heeft op de maximale afdrachtvermindering langdurig werklozen;

– de verrekening van de afdrachtvermindering is begrensd tot het aangiftetijdvak of tot het kalenderjaar;

– het gelijkheidsbeginsel aan het opleggen van de naheffingsaanslag in de weg staat;

– de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, aan het opleggen van de naheffingsaanslag in de weg staan;

– aan belanghebbende terecht een boete is opgelegd wegens grove schuld.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting nog toegevoegd hetgeen staat vermeld in het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting.

3.3. Belanghebbende verzoekt in hoger beroep de aan haar opgelegde naheffingsaanslag en boetebeschikking te vernietigen.

3.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Niet-ontvankelijkheid

4.1. De Inspecteur erkent dat belanghebbende – als gevolg van het hanteren van een onjuiste intoetscode – ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Indien de Inspecteur de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, dient de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de Inspecteur op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen (Hoge Raad, 9 juni 2006, nr. 41.130, BNB 2006/290*). In de onderhavige situatie ziet het Hof echter aanleiding van deze regel af te wijken. Nu een volledige inhoudelijke behandeling van de zaak in de bezwaarfase heeft plaatsgevonden en de niet-ontvankelijkverklaring slechts berust op een vergissing van de Inspecteur, wordt belanghebbende naar oordeel van het Hof niet benadeeld indien het Hof zelf in de zaak voorziet.

Deeltijdfactor

4.2. Ingevolge artikel 5 van de WVA bedraagt de maximale afdrachtvermindering langdurig werklozen ƒ 4.750 per werknemer die daarvoor in aanmerking komt per kalenderjaar (tekst 1999). Artikel 6 van de WVA bepaalt dat dit maximumbedrag naar evenredigheid dient worden verminderd met betrekking tot de werknemer met een overeengekomen arbeidsduur die korter is dan de volledige arbeidsduur en de werknemer zonder overeengekomen vaste arbeidsduur. Voor de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van een volledige arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat alle werknemers die voor de afdrachtvermindering in aanmerking komen in deeltijd werkzaam zijn. Bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag is de afdrachtvermindering langdurig werklozen – rekening houdend met deze omstandigheid – geschat op een bedrag van ƒ 30.000. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase aan de hand van de salarisadministratie van belanghebbende een nauwkeurige berekening gemaakt van de hoogte van de afdrachtvermindering langdurig werklozen. Uit deze berekening – bijgevoegd als bijlage 8 bij het verweerschrift in beroep – volgt dat belanghebbende recht heeft op een afdrachtvermindering langdurig werklozen van ƒ 25.463. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat, nu bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een afdrachtvermindering langdurig werklozen van ƒ 30.000, de naheffingsaanslag op dit punt eerder te laag is dan te hoog.

4.4. Het Hof volgt de Inspecteur in zijn standpunt. Belanghebbende heeft niet ontkend dat de afdrachtvermindering is berekend door het maximale bedrag per kwartaal bij een volledige arbeidsduur, te vermenigvuldigen met het aantal werknemers dat voor de regeling in aanmerking kwam. Evenmin heeft zij inhoudelijk de door de Inspecteur opgestelde berekening betwist. De enkele stelling van belanghebbende dat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van onjuiste basisgegevens is, zonder nadere onderbouwing, van onvoldoende gewicht om te concluderen dat de correctie ten onrechte heeft plaatsgevonden.

Verrekening tussen tijdvakken

4.5. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de WVA kan de inhoudingsplichtige de over een tijdvak af te dragen loonbelasting, danwel af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen, verminderen, doch niet verder dan tot nihil, met – voor zover in deze procedure van belang – de afdrachtvermindering en doorstroomvermindering lage lonen en de afdrachtvermindering langdurig werklozen. Naar het oordeel van het Hof moet onder tijdvak worden verstaan het tijdvak waarover de ingehouden belasting moet worden betaald. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) juncto artikel 28 van de Uitvoeringsregeling AWR is het tijdvak waarover loonbelasting moet worden betaald het kalenderkwartaal of indien de Inspecteur zulks vordert, de kalendermaand. Indien de belasting wordt geheven van huispersoneel geldt in afwijking daarvan het kalenderjaar.

4.6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat haar werknemers als huispersoneel kunnen worden aangemerkt en dat de Inspecteur het aangiftetijdvak derhalve ten onrechte op een kwartaal heeft gesteld. Dit standpunt verwerpt het Hof. Onder huispersoneel wordt verstaan de werknemer die ten behoeve van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huishoudelijke of persoonlijke diensten in diens huishouding verricht. Nu niet in geschil is dat de werknemers in dienstbetrekking staan tot belanghebbende, kunnen zij niet als huispersoneel in vorenbedoelde zin worden aangemerkt.

4.7. In artikel 3 van de WVA is uitdrukkelijk opgenomen dat de over een tijdvak af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen slechts tot nihil kunnen worden verminderd. In de wet wordt niet de mogelijkheid geboden de eventueel na aftrek tot nihil resterende afdrachtvermindering in een later tijdvak in aftrek te brengen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever bewust heeft aanvaard dat aan de keuze van het fiscale systeem inherent is dat ondernemers niet in alle situaties de volledige afdrachtvermindering kunnen benutten. Het Hof is niet bevoegd de innerlijke waarde (onder meer de redelijkheid) van de wet te toetsen. Het standpunt van belanghebbende dat met tijdvak wordt gedoeld op een periode van een jaar, vindt geen steun in het recht.

Gelijkheidsbeginsel

4.8. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor huishoudelijk personeel verschillende regels worden gehanteerd. Daardoor bestaat rechtsongelijkheid. Belanghebbende wijst daarbij op het tijdvak dat voor huispersoneel is gesteld op een jaar. Toepassing van het gelijkheidsbeginsel brengt met zich dat ook voor belanghebbende een aangiftetijdvak van een jaar geldt, hetgeen tot gevolg zou hebben dat de naheffingsaanslag voor zover deze betrekking heeft op het tweede kwartaal 2000 zou moeten worden vernietigd.

4.9. Naar de mening van de Inspecteur is van rechtsongelijkheid geen sprake, nu geen sprake is van gelijke gevallen.

4.10. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Van een verdragrechtelijke schending van het gelijkheidsbeginsel, als bedoeld in artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat verdrag, is sprake indien gelijke gevallen ongelijk worden behandeld en voor die ongelijke behandeling geen objectieve of redelijke rechtvaardiging bestaat. Werkzaamheden in het huishouden van de werkgever/natuurlijke persoon kunnen echter niet op een lijn worden gesteld met het in opdracht van de werkgever verrichten van huishoudelijke werkzaamheden voor cliënten. Van gelijke gevallen is geen sprake. Bovendien heeft de wetgever, binnen de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid, kunnen oordelen dat aan een werkgever/natuurlijke persoon andere administratieve eisen kunnen en mogen worden gesteld dan aan een werkgever als belanghebbende.

Vertrouwensbeginsel

4.11. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, omdat zij aan de voorlichtingsbijeenkomsten en aan de door het Ministerie van Sociale Zaken en de brancheorganisatie verstrekte informatie het in rechte te beschermen vertrouwen heeft ontleend dat de WVA door haar op de juiste wijze werd toegepast.

4.12. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. De door belanghebbende aan het Hof overgelegde bescheiden zijn van zodanige algemene aard, dat belanghebbende daaraan naar oordeel van het Hof niet het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat te allen tijde recht bestond op de maximale afdrachtvermindering of dat doorschuiving van een niet (volledig) benutte afdrachtvermindering naar een volgend tijdvak toegestaan was. Omtrent de voorlichtingsbijeenkomsten heeft belanghebbende niets gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat tijdens deze bijeenkomsten een dergelijk vertrouwen is gewekt. Daarenboven heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij afgaande op de onjuiste voorlichting schade heeft geleden.

4.13. Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het overleg van haar adviseur met de Belastingdienst bij aanvang van de regeling bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt. Naar het oordeel van het Hof kan een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen worden gehonoreerd indien geen enkele onduidelijkheid bestaat over de inlichting/toezegging waaraan dat vertrouwen is ontleend. Belanghebbende heeft echter geen duidelijkheid kunnen verschaffen over het onderwerp van het overleg. Om die reden faalt ook dit beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.14. Overigens stelt belanghebbende zich op het standpunt dat zij aan het over de voorgaande periode (vanaf 1996) verrichte boekenonderzoek het in rechte te beschermen vertrouwen heeft ontleend dat de regeling op de juiste wijze werd toegepast. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat uit de hem ter beschikking staande informatie niet blijkt dat een boekenonderzoek heeft plaatsgevonden. Nu de Inspecteur zulks gemotiveerd bestrijdt, dient belanghebbende naar oordeel van het Hof aannemelijk te maken dat een boekenonderzoek heeft plaatsgevonden waarbij de afdrachtverminderingen op grond van de WVA zijn beoordeeld en akkoord bevonden. Daarin is belanghebbende niet geslaagd. De enkele opmerking dat het boekenonderzoek heeft plaatsgevonden en dat, behoudens enkele kleine correcties, de aangiften zijn gevolgd is daarvoor onvoldoende.

4.15. Ook overigens is het Hof niet gebleken van schendingen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die vernietiging of vermindering van de naheffingsaanslag zouden rechtvaardigen.

Boete

4.16. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat haar geen grove schuld kan worden verweten, nu de aangiften loonbelasting werden ingediend door de administrateur en zij er op mocht vertrouwen dat zij de regeling op de juiste wijze toepaste.

4.17. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat van belanghebbende, die op grote schaal van de afdrachtverminderingen gebruik maakt, mag worden verwacht dat zij zich in de inhoudelijke aspecten van de regeling verdiept en dat zij van de jaarlijks door de Belastingdienst toegezonden handleiding kennis neemt. Door deze handleiding en alle andere op de loonbelasting betrekking hebbende bescheiden, zonder daarvan kennis te nemen, door te sturen naar haar adviseur heeft belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld dat haar grove schuld kan worden verweten. Hierbij neemt het Hof mede in aanmerking dat A namens belanghebbende – gelet op de door de Inspecteur ter zitting overgelegde brief met dagtekening 28 juni 1998 van A gericht aan B – wel degelijk de aangiften loonbelasting beoordeelde en duidelijke opvattingen had over de wijze waarop de regeling diende te worden toegepast. Een vergrijpboete van 25% acht het Hof in dezen passend en geboden.

5 Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht het Hof geen termen aanwezig.

6 Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan te Arnhem op 24 september 2007 door mr. Van Schie, voorzitter, mr. Kooijmans en mr. Ettema, raadsheren. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. Darwinkel als griffier.

Wegens verhindering van de voorzitter is deze uitspraak ondertekend door mr. Kooijmans.

De griffier,

(S. Darwinkel) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 september 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.