Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB4883

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
2006/058
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan Essent heeft aangevoerd - het hof verwijst onder andere naar de in rechts- overweging 4.4 vermelde brief van 4 maart 2004 van Essent aan de advocaat van [geïntimeerde] -, is in het sociaal plan niet vermeld, terwijl dit evenmin anderszins uit dit plan kan worden afgeleid, dat bij de bepaling van de keuze van de werknemer op 1 maart 2003 (hetzij voor een af- koopsom, hetzij voor voortzetting van de garantieregeling) een onderscheid mag worden gemaakt ten aanzien van de in aanmerking te nemen datum van uittreden. Er is in het sociaal plan sprake van één begrip dat niet in tijd is beperkt. Noch in artikel 3.4, noch elders in het sociaal plan, is een, tot een bepaalde datum gemaximeerde salarisgarantie, opgenomen. In het sociaal plan is niet bepaald op welke wijze het gegarandeerde toelagebedrag moet worden berekend en evenmin dat uitgangspunt daarbij een datum van uittreden vanaf 58 jaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

4 september 2007

vijfde civiele kamer

rolnummer 2006/58

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Essent N.V.,

gevestigd te Arnhem,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

procureur: mr. F.J. Boom,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

procureur: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de door de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) tussen de principaal appellante verder Essent te noemen als gedaagde en de principaal geïntimeerde verder [geïntimeerde] te noemen als eiser op 11 april 2005 en 28 november 2005 uitgesproken vonnissen, waarvan fotokopieën aan dit arrest zijn gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Essent heeft bij exploot van 13 december 2005 [geïntimeerde] aangezegd in hoger beroep te komen van voornoemde vonnissen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven in het principaal appel heeft Essent vijf grieven aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof (bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest) de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen althans hem die vorderingen zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de beide instanties.

2.3 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord in het principaal appel en van grieven in het incidenteel appel de stellingen van Essent bestreden, bewijs aangeboden, een productie overgelegd, zijn eis vermeerderd, incidenteel hoger beroep ingesteld, twee grieven tegen het bestreden eindvonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof (bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest) het bestreden tussenvonnis zal bekrachtigen, het bestreden eindvonnis gedeeltelijk (voor zover de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten is afgewezen en voor zover het salaris van de gemachtigde van [geïntimeerde] op niet meer dan € 650,-- is bepaald) zal vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog volledig zal toewijzen, Essent zal veroordelen tot betaling van een bedrag € 4.625,60 ter zake van wettelijke vertragingsrente, voor het overige het bestreden eindvonnis zal bekrachtigen en Essent zal veroordelen in de kosten van de beide instanties.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft Essent de stellingen van [geïntimeerde] bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het incidenteel hoger beroep ongegrond zal verklaren en mitsdien “de reconventionele vorderingen in eerste aanleg van appellante in het incidenteel beroep” zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de beide instanties (waarmee zij kennelijk heeft bedoeld de kosten van het incidenteel hoger beroep).

2.5 Ten slotte hebben beide partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De grieven

3.1 Essent heeft in het principaal appel (zakelijk weergegeven) de volgende grieven aangevoerd.

Tegen het tussenvonnis van 11 april 2005:

1. Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat de brief van 25 februari 1998 niet anders kan worden geduid dan als een schriftelijke toelichting dan wel als (deel van) de uitvoeringsovereenkomst, zoals omschreven in artikel 3.4 sub d van het sociaal plan.

2. Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat, nu een objectieve toelichting van de bij de totstandkoming van het sociaal plan betrokken partijen ontbreekt, onder de gegeven omstandigheden aan de taalkundige betekenis van de bepalingen van het sociaal plan groot belang wordt toegekend.

3. Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat in het sociaal plan niet is bepaald dat verschillende consequenties zijn verbonden aan de door de werknemer te maken keuze als omschreven in artikel 3.4 sub d van het sociaal plan.

4. De kantonrechter heeft miskend dat ingevolge artikel 1 van het sociaal plan, dat plan van toepassing is op [geïntimeerde], tenzij anders of aanvullend in nadere individuele afspraken is overeengekomen.

Tegen de beide bestreden vonnissen:

5. Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] redelijkerwijs aan het sociaal plan de betekenis mocht toekennen die hij eraan heeft gegeven en dat hij redelijkerwijs mocht verwachten dat voor hem als gegarandeerde periode geldt de periode tot de datum van uittreden per het bereiken van de 61-jarige leeftijd en derhalve heeft de kantonrechter

Essent ten onrechte veroordeeld tot betaling van € 34.856,55 ter zake van de afkoopsom, verschuldigd uit hoofde van het sociaal plan.

3.2 [geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel (zakelijk weergegeven) de volgende grieven aangevoerd tegen het eindvonnis van 28 november 2005:

1. Ten onrechte heeft de kantonrechter de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

2. Ten onrechte heeft de kantonrechter het salaris van de gemachtigde van [geïntimeerde] bepaald op niet meer dan € 650,--.

4 De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 11 april 2005 onder 2.1 tot en met 2.5 feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht zodat ook het hof in hoger beroep van deze feiten zal uitgaan. Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kunnen hieraan de volgende vaststaande feiten worden toegevoegd.

4.1 In een brief van 28 januari 1998 van Edon aan [geïntimeerde] is onder andere het volgende vermeld:

“In vervolg op ons schrijven van 18 december 1997 doen wij u op verzoek van de vakorganisaties nog enige aanvullende informatie toekomen.

Het voor u in oktober 2002 beschikbare bedrag van : f. 222.279,-- wordt als volgt opgebouwd.

Vanaf oktober 2002 tot “einddatum” (vervroegd uittreden bij Eurest) bouwt u jaarlijks uw garantiebedrag conform de volgende staffel op. (…)”

4.2 In een brief van 25 februari 1998 van Edon aan [geïntimeerde] is onder andere het volgende vermeld:

“(…)

Op vrijdag 20 februari 1998 is een onderhandelaarsakkoord bereikt met vakorganisaties over het Sociaal Plan overgang cateringactiviteiten. Op een aantal punten is op verzoek van de vakorganisaties de tekst van het Sociaal Plan aangepast. De definitieve versie van het Sociaal Plan treft u bijgaand aan.

Ter verduidelijking van het gestelde onder punt 3.4 lid d delen wij u aanvullend het volgende mee:

1. Het conform de afspraak in artikel 3.4 lid d van het Sociaal Plan EDON-Eurest d.d. 27 februari 1998 voor u ter beschikking staande bedrag is als volgt opgebouwd

Uitgangspunt is de toelage zoals vermeld bij punt 3.4 lid c van het Sociaal Plan EDON-Eurest.

Deze toelage wordt vermenigvuldigd met:

- het aantal maanden tussen 1 maart 2003 en de maand van uittreden op 58-jarige leeftijd:

(…)

2. Indien u besluit tot een eenmalig afkoopbedrag, betekent dit, dat uw salaris op dat moment terugvalt op het tussen EDON en Eurest afgesproken bedrag (zie brief d.d. 18 december 1997).

Daarmee is ook de basis voor VUT-uitkeringen, pensioen, overwerk, etc. lager geworden als het in het Sociaal Plan bij punt 3. omschreven salaris.

3. U kunt ook voor wat betreft uw salaris kiezen voor voortzetting van de situatie genoemd in punt 3 van het Sociaal Plan.

Uw basis voor VUT-uitkering, pensioen, overwerk, etc. blijft dan tot het moment van uittreden, overeenkomstig het Sociaal Plan gegarandeerd.

4. Aangezien tussen partijen is afgesproken, dat de contractperiode wordt verlengd van 1 oktober 2002 naar 1 maart 2003 zal het ter beschikking staande bedrag op 1 maart 2003 worden herberekend en aldus met 5 maanden worden verlaagd, omdat het salaris in die periode reeds door Eurest wordt aangevuld. (…)”

4.3 In een brief van 11 april 2003 van Essent aan [geïntimeerde] is onder andere het volgende vermeld:

“(…)

Het sociaal plan EDON-Eurest dat destijds is opgesteld, is bedoeld geweest om de overgang te regelen van voormalig EDON-werknemers naar het nieuwe bedrijf Eurest. In het sociaal plan is het punt 3.2 “prepensioen” opgenomen met de bedoeling om een duidelijke einddatum te kunnen definiëren en zodoende het voor u bestemde bedrag zoals genoemd in punt 3.4d te kunnen berekenen. Op basis daarvan bent u in het schrijven van 25 februari 1998 geïnformeerd hoe het afkoopbedrag met behulp van de toen vastgestelde criteria is becijferd. Daarbij is ook aangegeven dat u een keuze heeft tussen het vastgestelde afkoopbedrag of voorzetting van uw toelage.

Als gevolg hiervan is dan ook onze conclusie dat de omstandigheid als bedoeld geen aanleiding is om het afkoopbedrag aan te passen. Dat is ons inziens ook niet de intentie geweest van de gemaakte afspraken in het sociaal plan rekening houdend met dat soort omstandigheden is juist afgesproken om u te laten kiezen voor voortzetting van de toelage of uitbetaling ineens. (…)”

4.4 In een brief van 4 maart 2004 van Essent aan de advocaat van [geïntimeerde] is onder andere het volgende vermeld:

“(…)

Gedurende de looptijd van de overeenkomst is voor rekening van Essent de maandelijkse geïndexeerde toelage op basis van art. 3.4.c van het sociaal plan aan uw cliënt uitbetaald. Na afloop van de contractperiode kon -zoals afgesproken- uw cliënt kiezen tussen een afkoop van het gegarandeerde toelagebedrag voor de komende jaren tot aan de leeftijd van 58 jaar of voortzetting van de geïndexeerde maandelijkse toelage. Uw cliënt heeft geopteerd voor de eenmalige afkoopsom ineens.

Overeengekomen was dat de afkoopsom zou worden gebaseerd op basis van de VUT-uittredingsleeftijd van 58 jaar. Dit is ook als zodanig aan uw cliënt gecommuniceerd en uw cliënt bestrijdt deze uitgangspunten niet. Ingeval uw cliënt had geopteerd voor voortzetting van het maandelijks geïndexeerde toelagebedrag had hij inderdaad tot aan datum uitdiensttreding bij Eurest Nederland BV aanspraak kunnen maken op deze maandelijkse toelage, echter uw cliënt heeft gekozen voor de eenmalige afkoop welke onafhankelijk is van zijn daadwerkelijke uitdiensttreding bij Eurest Nederland BV. Wij gaan ervan uit dat uw cliënt bij deze keuze de voor- en nadelen van twee mogelijkheden tegen elkaar heeft afgewogen.

(…)”

4.5 In een op 28 november 1997 gesloten vaststellingsovereenkomst tussen Edon en Eurest is onder andere het volgende bepaald:

“(…)

stellen vast te zijn overeengekomen dat:

(….)

3. EUREST de medewerkers uit punt 1, gedurende de looptijd van het cateringcontract en maximaal toe het bereiken tot de leeftijd van uittreden, een toelage volgens punt 3.4.c van het sociaal plan zal uitbetalen, zoals vermeld in bijlage 1.

(…)

5. De kosten van de garanties, zoals genoemd in het sociaal plan en voor zover aanvullend genoemd onder punt 3, voor rekening van Edon zijn.

Voor de kosten van de garanties zal gelden dat de kosten uit punt 3.4 van het Sociaal Plan zullen worden vermeerderd met de sociale lasten, welke EUREST als werkgever moet afdragen. Deze bedragen 37,28 % voor 1998.

(…)”

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

De grieven in het principaal appel

5.1 Het onderhavige geschil betreft de uitvoering van het tussen Edon (de rechtsvoorgangster van Essent) en de vakbonden opgestelde sociaal plan van 27 februari 1998 en de uitleg die daarbij aan de bepaling van artikel 3.4 van het sociaal plan gegeven moet worden. Met de grieven wordt beoogd het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen.

5.2 In artikel 3.4 van het sociaal plan is -voor zover hier van belang- het volgende bepaald:

“a. Wanneer een werknemer op het moment van overname nog vooruitzichten (periodieken) heeft in de salarisschaal waarin hij of zij feitelijk is ingedeeld, zullen deze, uiterlijk op de tijdstippen die daarvoor bij EDON gegolden zouden hebben, worden geëffectueerd (salarisgarantie).

(…)

b. Alle werknemers die overgaan naar Eurest wordt een arbeidsovereenkomst aangeboden waarin op grond van de aangeboden functie, inpassing heeft plaatsgevonden in de salarissystematiek van de CAO voor de Contract-Cateringbranche.

c. Indien na inpassing als bedoeld onder b. het salaris lager is dan het salaris dat men op de dag voorafgaande aan de overgang naar Eurest genoot, dan wordt het verschil tussen het salaris in dienst van EDON en Eurest als een geïndexeerde toelage maandelijks uitbetaald. Indexatie is gekoppeld aan de algemene loonstijging binnen de CAO Contract-Catering-branche. Deze toelage maakt deel uit van het salaris en wordt tot de datum van uittreden gegarandeerd en vormt mede de berekeningsbasis voor VUT en pensioen.

d. Het na afloop van de contractperiode met Eurest voor werknemer resterende gegarandeerde toelagebedrag als vermeld onder c. wordt door EDON gedurende de komende vijf jaar in een fonds gestort en staat op 1 maart 2003 ter beschikking van werknemer.

De werknemer kan de keuze maken voor uitbetaling van het gegarandeerde toelagebedrag of voortzetting van de geïndexeerde toelage als bedoeld onder 3.4c. (…)

Partijen leggen een en ander in een uitvoeringsovereenkomst nader vast. Betrokken werknemers worden hierover persoonlijk geïnformeerd.”

5.3 Voorts is in artikel 3.2 van het sociaal plan -voor zover hier van belang- het volgende bepaald:

“(…)

Met betrekking tot pre-pensionering is de CAO Vrijwillig Vervroegd Uittreden voor de Contract-Cateringbranche onverkort van toepassing. Vervroegd uitreden is hierbij mogelijk vanaf 58 jaar.”(…)

5.4 Het hof stelt voorop dat bij de uitleg van een bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst de maatstaven dienen te worden gehanteerd die gelden ten aanzien van de uitleg van de bepalingen van een CAO, zoals deze onder andere zijn uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004, NJ 2005, 493. Het gaat daarbij om een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de CAO worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.

5.5 Voorts moet worden vooropgesteld dat een Sociaal Plan een collectieve arbeidsovereenkomst kan zijn. Ook indien een Sociaal Plan niet als collectieve arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt vertoont het echter, overeengekomen als het is tussen een werkgever en de vakvereniging(en) die voor de desbetreffende werknemers is (zijn) opgetreden, toch een zodanige gelijkenis met een collectieve arbeidsovereenkomst dat de hiervoor in rechtsoverweging 5.4 vermelde maatstaven met betrekking tot de uitleg van een CAO ook bij de uitleg van een Sociaal Plan van toepassing zijn.

5.6 Ook partijen zijn het er over eens dat bij de uitleg van het sociaal plan de hiervoor vermelde maatstaven in aanmerking moeten worden genomen. Daarbij is van belang dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] op de bewoordingen waarin het sociaal plan is gesteld, enige invloed heeft gehad en dat de overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan de wijze waarop de bepalingen in het sociaal plan zijn geredigeerd, voor hem kenbaar waren.

5.7 Het hof is van oordeel dat de in rechtsoverweging 4.1 genoemde brief van 28 januari 1998 van Edon aan [geïntimeerde] niet als een -objectieve- schriftelijke toelichting bij het sociaal plan, waarvan ook sprake was in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad, kan worden beschouwd, reeds omdat deze brief dateert van vóór de datum waarop tussen Edon en de vakorganisaties een zogenaamd onderhandelaarsakkoord is bereikt met betrekking tot het sociaal plan overgang cateringactiviteiten, te weten 20 februari 1998. Het hof verwijst naar de 1e zin van de in rechtsoverweging 4.2 vermelde brief van 25 februari 1998 van Edon aan [geïntimeerde].

5.8 Evenmin kan de brief van 28 januari 1998 van Edon aan [geïntimeerde] worden beschouwd als (een deel van) de uitvoeringsovereenkomst, zoals vermeld in artikel 3.4 sub d van het sociaal plan. Ook hier geldt dat het onderhandelaarsakkoord met betrekking tot het sociaal plan pas op 20 februari 1998 is bereikt en het sociaal plan zelf op 27 februari 1998 tot stand is gekomen.

5.9 Ook de brief van Edon van 25 februari 1998 aan [geïntimeerde] kan niet worden aangemerkt als een -objectieve- schriftelijke toelichting bij het sociaal plan, zoals hiervoor omschreven. Deze brief bevat slechts een eenzijdige -subjectieve- verduidelijking van Edon met betrekking tot de wijze waarop het in artikel 3.4 sub d van het sociaal plan genoemde “resterende gegarandeerde toelagebedrag”, zoals vermeld in artikel 3.4 sub c van dit plan, op 1 maart 2003 zal worden opgebouwd. Gesteld noch gebleken is dat de vakorganisaties deze verduidelijking hebben onderschreven, zodat niet aangenomen kan worden dat als datum van uittreden steeds de leeftijd van 58 jaar zou gelden.

5.10 Evenmin kan de brief van 25 februari 1998 als een (deel van de) uitvoeringsovereen- komst, zoals vermeld in artikel 3.4 sub d van het sociaal plan, worden beschouwd. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.9 is overwogen.

5.11 Het hof verwerpt eveneens de stelling van Essent dat de brief van 25 februari 1998 een aanvullende afspraak tussen Edon en [geïntimeerde] bevat, te weten dat het eenmalige afkoopbedrag zou worden opgebouwd tot de maand van uittreden op 58-jarige leeftijd.

5.12 Allereerst is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] in januari/februari 1998 uitdrukkelijk akkoord is gegaan met de door Edon in haar brief van 25 februari 1998 vermelde “verduidelijking”. Evenmin heeft [geïntimeerde] in januari/februari 1998 uitdrukkelijk en onherroepelijk ingestemd met een door Edon vastgesteld eenmalig afkoopbedrag. Edon heeft in haar brief van 28 januari 1998 een bedrag van f. 222.279,- vermeld dat voor [geïntimeerde] op 1 oktober 2002 ter beschikking zou staan. In haar daarop volgende brief van 25 februari 1998 heeft Edon aan- gegeven dat het per 1 maart 2003 beschikbare bedrag opnieuw diende te worden berekend vanwege de verschuiving van de contractsperiode (tussen Edon en Eurest) van 1 oktober 2002 naar 1 maart 2003. In de brief van 25 februari 1998 is geen concreet afkoopbedrag genoemd.

5.13 Het hof acht het begrijpelijk en voor de hand liggend dat Edon in haar brief van 25 februari 1998 is uitgegaan van een datum van uittreden vanaf 58-jarige leeftijd, omdat op grond van de op dat moment geldende CAO Vrijwillig Vervroegd Uittreden voor de Contract-Cateringbranche (hierna: de CAO) de VUT-leeftijd 58 jaar was. Mede gelet hierop kan [geïntimeerde] dan ook niet worden tegengeworpen dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de brief van 25 februari 1998 van Edon aan hem.

5.14 Het voorgaande brengt mee dat het hof thans dient te beoordelen, welke betekenis bij de uitleg van artikel 3.4 toekomt aan de tekst van artikel 3.4, in het licht van de elders in het sociaal plan gebruikte formuleringen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Het hof overweegt het volgende.

5.15 Op grond van artikel 3.4 sub c van het sociaal plan wordt aan de werknemer een salarisgarantie, in de vorm van een maandelijkse -geïndexeerde- toelage, gegeven tot “de datum van uittreden”. In artikel 3.4 sub d van het sociaal plan wordt eveneens verwezen naar het, zij het resterende (na 1 maart 2003), gegarandeerde toelagebedrag zoals vermeld onder c.

Op grond van artikel 3.4 sub c en sub d van het sociaal plan heeft de werknemer per 1 maart 2003 twee keuzemogelijkheden:

1. de werknemer laat het gehele gegarandeerde toelagebedrag dat hij tot de datum van uittreden zou ontvangen in één keer uitbetalen, onder aftrek van een kapitalisatiefactor;

2. de werknemer blijft de maandelijkse toelage ontvangen tot aan de datum van uittreden, vermeerderd met de jaarlijkse indexering.

5.16 Anders dan Essent heeft aangevoerd - het hof verwijst onder andere naar de in rechts- overweging 4.4 vermelde brief van 4 maart 2004 van Essent aan de advocaat van [geïntimeerde] -, is in het sociaal plan niet vermeld, terwijl dit evenmin anderszins uit dit plan kan worden afgeleid, dat bij de bepaling van de keuze van de werknemer op 1 maart 2003 (hetzij voor een af- koopsom, hetzij voor voortzetting van de garantieregeling) een onderscheid mag worden gemaakt ten aanzien van de in aanmerking te nemen datum van uittreden. Er is in het sociaal plan sprake van één begrip dat niet in tijd is beperkt. Noch in artikel 3.4, noch elders in het sociaal plan, is een, tot een bepaalde datum gemaximeerde salarisgarantie, opgenomen. In het sociaal plan is niet bepaald op welke wijze het gegarandeerde toelagebedrag moet worden berekend en evenmin dat uitgangspunt daarbij een datum van uittreden vanaf 58 jaar is.

5.17 De in artikel 3.2 van het sociaal plan vermelde zinsnede “dat vervroegd uittreden hierbij mogelijk is vanaf 58 jaar” vormt slechts een constatering dat op grond van de op dat moment geldende CAO de VUT-leeftijd 58 jaar was. In dit artikel is koppeling gelegd met, dan wel verwezen naar de in artikel 3.4 van het sociaal plan vermelde datum van uittreden.

5.18 In artikel 3.2 van de CAO is ook bepaald dat met betrekking tot pre-pensionering “de CAO Vrijwillig Vervroegd Uittreden voor de Contract-Cateringbranche onverkort van toepassing is” (cursivering door het hof). Uit die zinsnede blijkt dat deze CAO steeds dient te worden toegepast, hetgeen betekent dat partijen ook aan eventuele toekomstige wijzigingen ten aanzien van de leeftijd waarop een werknemer vanwege VUT of prepensioen kan uittreden, zijn gebonden.

5.19 Voor zover wel enige betekenis zou moeten worden toegekend aan de inhoud van de eerder genoemde brieven van 28 januari 1998 en 25 februari 1998 overweegt het hof het volgende. In de brief van 28 januari 1998 van Edon aan [geïntimeerde] wordt slechts “einddatum” (vervroegd uittreden bij Eurest) vermeld, zonder dat hierbij een leeftijd of een jaartal wordt genoemd. In de brief van 25 februari 1998 wordt voor de berekening van de afkoopsom verwezen naar de maand van uittreden op 58-jarige leeftijd. Anders dan Essent heeft betoogd, sluiten deze brieven dan ook niet naadloos op elkaar aan.

5.20 Wanneer Essent slechts een garantie had willen geven tot (maximaal) 58 jaar, dan had zij moeten bewerkstelligen dat dit duidelijk in het Sociaal Plan werd vastgelegd. Essent heeft ingestemd met de in het sociaal plan gekozen formuleringen, in het bijzonder met de daarin vermelde “datum van uittreden”. De onduidelijkheid van deze formulering komt voor haar rekening en risico. Overigens is ook in de tussen Edon en Eurest gesloten vaststellingsovereenkomst slechts een beperking opgenomen met betrekking tot de duur van de door Edon aan Eurest te verstrekken garanties (vijf jaar), doch niet ten aanzien van de leeftijd van uittreden van de desbetreffende werknemers.

5.21 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slaagt geen van de grieven van Essent.

De grieven in het incidenteel appel

5.22 Essent voert als verweer tegen de door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 708,47 aan, dat voor toewijzing van deze vordering is vereist a. dat deze kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikel 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een vergoeding plegen in te sluiten en b. dat [geïntimeerde] deze kosten dient te specificeren. [geïntimeerde] heeft als bijlage A bij zijn memorie van antwoord, tevens incidenteel appel een door hem betaalde nota van zijn advocaat (mr. S. van Gessel) van 29 april 2004 overgelegd, met daarbij gevoegd een urenspecificatie. Essent betwist dat de in deze nota in rekening gebrachte werkzaamheden als “buitengerechtelijke werkzaamheden”, zoals hiervoor omschreven, kunnen worden aangemerkt. Het hof overweegt het volgende.

5.23 Uit de door [geïntimeerde] overgelegde urenspecificatie blijkt dat [geïntimeerde] besprekingen met zijn advocaat heeft gevoerd, dat zijn advocaat stukken heeft bestudeerd, een aantal telefoongesprekken heeft gevoerd en enkele brieven heeft opgesteld. Gelet hierop kan niet worden aangenomen deze werkzaamheden zijn aan te merken als andere verrichtingen dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor de artikelen 237 e.v. een vergoeding plegen in te sluiten. Het hof zal de vordering van [geïntimeerde] afwijzen. Grief I faalt.

5.24 Gelet op de door [geïntimeerde] in eerste aanleg verrichte proceshandelingen (een inleidende dagvaarding, een conclusie van repliek en een akte zonder bijzondere inhoud) en op het destijds bij de sector kanton geldende liquidatietarief, ziet het hof geen aanleiding een hoger bedrag toe te wijzen terzake van salaris van de gemachtigde van [geïntimeerde] dan het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 650,-. Grief II faalt.

5.25 Op grond van artikel 6:119 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

5.26 Het hof zal de door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente ten bedrage van € 4.625,60 toewijzen, aangezien Essent niet bij wijze van verweer heeft aangevoerd dat zij met de betaling van het resterende garantietoelagebedrag als bedoeld in artikel 3.4 sub d en sub c van het sociaal plan op 1 maart 2003 niet in verzuim was. Anders dan Essent voorts heeft aangevoerd is in de onderhavige procedure niet de omvang van de verplichtingen van Essent jegens [geïntimeerde] tussen partijen in geschil. Het geschil betreft de uitleg van het sociaal plan. Behoudens bijzondere omstandigheden, die gesteld noch gebleken zijn, is er, gelet op het voorgaande, evenmin grond om de door [geïntimeerde] gevorderde toewijzing van de wettelijke rente te beperken tot de periode van 4 juli 2005 tot 28 november 2005.

In het principaal en in het incidenteel appel

5.27 De slotsom is dat zowel in het principaal appel als in het incidenteel appel de bestreden vonnissen dienen te worden bekrachtigd. Essent zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal appel worden veroordeeld. Het hof zal Essent in het incidenteel appel veroordelen aan [geïntimeerde] een bedrag te betalen van € 4.625,60 ter zake van wettelijke vertragingsrente over de periode van 1 maart 2003 tot 28 november 2005. Aangezien partijen in het incidenteel appel over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten compenseren, zoals hierna te vermelden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal appel

bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 11 april 2005 en 28 november 2005;

veroordeelt Essent in de kosten van de procedure in hoger beroep tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] bepaald op € 244,- voor verschotten en op € 1.158,- voor salaris van zijn procureur;

verklaart de hiervoor vermelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel appel

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 28 november 2005;

veroordeelt Essent om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] een bedrag te betalen van € 4.625,60 ter zake van wettelijke vertragingsrente over de periode van 1 maart 2003 tot 28 november 2005;

verklaart deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

in het principaal en in het incidenteel appel

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Katz-Soeterboek, Van Loo en Knottnerus en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2007.