Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB4805

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-09-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
2007/850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof oordeelt ambtshalve dat gefailleerde niet-ontvankelijk is in (tweede) verzoek tot opheffing faillissement en toepassing WSNP ex art. 15b. lid 1 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

17 september 2007

eerste civiele kamer

rekestnummer 2007/850

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr. F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 12 november 2003 is appellante (hierna te noemen: [appellante]) op verzoek van een derde in staat van faillissement verklaard, waarbij tot rechter-commissaris is benoemd mr. K.J. Haarhuis en tot curator mr. A. Gerards te Rijssen.

1.2 In 2004 heeft [appellante] een eerste verzoek tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend.

Bij vonnis van 13 april 2004 heeft de rechtbank Almelo dat verzoek afgewezen. Tegen dat vonnis heeft [appellante] geen hoger beroep ingesteld.

1.3 Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 10 juli 2007 is het verzoek van [appellante] tot opheffing van haar faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wederom afgewezen.

1.4 Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 16 juli 2007 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 10 juli 2007 en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, de brieven met bijlagen van 16 augustus 2007 en van 29 augustus 2007 van de procureur van [appellante] en het faxbericht van 7 september 2007 met bijlagen van de curator.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 september 2007, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. S.H.M. Skrotzki, advocaat te Roermond. De curator is, met bericht vooraf, niet ter zitting verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] tot opheffing van haar faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen omdat, kort gezegd, [appellante] haar informatieverplichting niet naar behoren is nagekomen in het faillissement en zij tijdens het faillissement wederom nieuwe (verwijtbare) schulden heeft laten ontstaan, zodat gegronde vrees bestaat dat [appellante] ook tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling haar verplichtingen niet zal nakomen. Bovendien is een deel van de schuldenlast van [appellante] niet te goeder trouw ontstaan, aldus de rechtbank.

3.2 Allereerst dient ambtshalve te worden beoordeeld of [appellante] ontvankelijk is in haar verzoek.

Artikel 3, eerste lid, Fw bepaalt dat indien een verzoek tot faillietverklaring een natuurlijke persoon betreft en hij geen verzoekschrift heeft ingediend tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bedoeld in titel III van de Fw, de griffier de schuldenaar terstond bij brief kennis geeft dat hij binnen veertien dagen na de dag van de verzending van die brief een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 Fw kan indienen.

Ingevolge artikel 15b, eerste lid, Fw kan de rechtbank, indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend of indien het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar, totdat de verificatievergadering is gehouden of, indien de verificatievergadering achterwege blijft, totdat de rechter-commissaris de beschikkingen als bedoeld in artikel 137a, eerste lid, Fw heeft gegeven, op verzoek van de gefailleerde diens faillissement opheffen, onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bedoeld in titel III van de Fw.

3.3 Het hof stelt vast dat [appellante] in hoger beroep niet heeft gesteld en dat ook anderszins niet is gebleken dat de overschrijding van de in artikel 3, eerste lid, Fw vermelde termijn wegens haar niet toe te rekenen omstandigheden heeft plaatsgevonden. Omdat [appellante] al in 2004 een verzoek tot omzetting heeft ingediend, is feitelijk ook uitgesloten dat thans nog van dergelijke omstandigheden sprake zou kunnen zijn. Dit betekent dat geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 15b, eerste lid, Fw, zodat de rechtbank [appellante] in haar verzoek tot opheffing van

haar faillissement onder gelijktijdige toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De omstandigheid dat de rechtbank in haar vonnis van 13 april 2004 heeft aangegeven dat [appellante] in een later stadium alsnog een verzoek tot omzetting zou kunnen doen, maakt het voorgaande niet anders, nu de wet daartoe binnen faillissement niet de mogelijkheid biedt. Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en [appellante] zal in haar verzoek alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.4 Ten overvloede overweegt het hof dat de door [appellante] in hoger beroep aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding zouden hebben gegeven haar verzoek tot opheffing van haar faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling in te willigen. Immers, vaststaat dat [appellante] tijdens het faillissement nieuwe schulden aan het CJIB heeft laten ontstaan. Bovendien zijn er ook nog oudere schulden aan het CJIB. Op alle CJIB-schulden is blijkbaar nimmer afgelost. Het hof is van oordeel dat een schuld aan het CJIB naar zijn aard als niet te goeder trouw ontstaan moet worden beschouwd, en reeds hierom aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat. Ook blijkt uit de verslagen van de curator dat [appellante] haar informatieverplichting, met name wat betreft haar verhuizingen, onvoldoende is nagekomen.

3.5 Door [appellante] is nog naar voren gebracht dat zij en haar vijfjarige dochter [dochter] een kamer van Maatschappelijke Opvang Verslaafden bewonen, waardoor privacy en rust voor beiden ontbreken en [dochter] regelmatig wordt geconfronteerd met mensen die onder invloed zijn van alcohol en/of drugs en ruzie maken, wat een negatieve gedragsverandering bij [dochter] teweegbrengt. Zolang zij niet is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling komt [appellante] niet in aanmerking voor een huurwoning van de woningbouwvereniging, waardoor zij thans ook een naar verhouding hoge huurlast heeft. Deze persoonlijke omstandigheden zouden voor het hof onvoldoende grond hebben gevormd om [appellante] desondanks toch tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te laten. Het feit dat er ook na het faillissement nieuwe schulden aan het CJIB zijn ontstaan en dat zij haar inlichtingenverplichting onvoldoende is nagekomen, getuigt namelijk niet van een saneringsgezinde houding.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 10 juli 2007 en, opnieuw recht doende:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar verzoek tot opheffing van haar faillissement, onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. Spek, Smeeïng-van Hees en Vaessen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2007.