Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB4547

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-10-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
ISD 2007/235
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de orde is de vraag of tegen een tussentijdse toetsing van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders door een gerechtshof beroep open staat bij de bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem. Voor de beoordeling van die vraag zijn in het bijzonder de eerste zin van artikel 38s, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, artikel 509ff van het Wetboek van Strafvordering en artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie van belang. Het hof concludeert dat tegen een door een gerechtshof - anders dan door de rechtbank - genomen beslissing omtrent de tussentijdse beoordeling door de betrokkene geen beroep op de bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem openstaat. Vervolgens rijst de vraag of er andere gronden bestaan die ertoe leiden aan te nemen dat ook dan beroep op de voormelde kamer open staat. Het hof constateert dat verschillende keuzes denkbaar zijn, waarbij uiteenlopende belangen van praktische en meer principiële aard zijn betrokken en die moeten voldoen aan de eisen die aan een samenhangend stelsel kunnen worden gesteld. Daarvan uitgaande moet worden aangenomen dat het openstellen voor de betrokkene van hoger beroep valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter en aan de wetgever moet worden overgelaten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat betrokkene niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 590
NJFS 2007, 273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

ISD 2007/235

Beslissing d.d. 1 oktober 2007

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van het gerechtshof te Amsterdam van 12 juli 2007, inhoudende voortzetting van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

Op 4 september 2006 is door het gerechtshof te Amsterdam aan betrokkene de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd met de overweging dat het openbaar ministerie binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het arrest het hof zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Vervolgens is op 12 juli 2007 door het gerechtshof te Amsterdam beslist dat de maatregel wordt voortgezet. Betrokkene heeft tegen deze beschikking van het gerechtshof Amsterdam hoger beroep ingesteld.

In de appelakte is vermeld dat beroep wordt ingesteld bij de penitentiaire kamer van het gerechtshof te Arnhem. Gedoeld wordt daarbij op de kamer van het gerechtshof te Arnhem als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Voor de beoordeling van de vraag of tegen de onderhavige beslissing van het gerechtshof te Amsterdam hoger beroep kan worden ingesteld bij voormelde bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem zijn in het bijzonder de eerste zin van artikel 38s, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, artikel 509ff van het Wetboek van Strafvordering en artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie van belang.

De eerste zin van artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:

“De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de verdachte of diens raadsman dan wel ambtshalve, bij of na het opleggen van de maatregel beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.”

Artikel 509ff, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt:

“Tegen de beslissing van de rechtbank inzake de toepassing van de artikelen 38r en 38s kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening en de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem.”

Artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie luidt, voor zover van belang:

“1. Het bestuur van het gerechtshof te Arnhem vormt een meervoudige kamer die is

belast met het behandelen van en beslissen op vorderingen als bedoeld in de artikelen

15a en 15c van het Wetboek van Strafrecht en het behandelen en beslissen van zaken

in beroep als bedoeld in de artikelen 502, 509v en 509ff van het Wetboek van

Strafvordering. Het bestuur bepaalt de bezetting van de kamer.”

“3. Deze kamer wordt voor de behandeling van vorderingen ingevolge artikel 15a, eerste

lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht en de beslissing in zaken in beroep als in

de artikelen 502, 509v en 509ff van het Wetboek van Strafvordering aangevuld met twee

personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden. In de overige zaken

kan de voorzitter van de kamer deze leden toevoegen.”

Aan de orde is de vraag of tegen een tussentijdse toetsing door een gerechtshof, in dit geval het gerechtshof te Amsterdam, beroep open staat bij de bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem. Artikel 509ff van het Wetboek van Strafvordering spreekt alleen van beroep tegen de beslissing van de rechtbank.

Dit roept in de eerste plaats de vraag op of met de woorden “de rechter” in de eerste zin van artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht gedoeld wordt op de rechter die de maatregel heeft opgelegd - welke rechter niet alleen een rechtbank maar ook een gerechtshof kan zijn - dan wel de rechtbank waarbij de zaak die tot oplegging van de maatregel heeft geleid in eerste aanleg aanhangig is gemaakt. De tekst van de bepaling noch de geschiedenis van totstandkoming duidt er echter op dat een andere rechter bedoeld zou zijn dan de rechter die de maatregel heeft opgelegd. De stelling dat de wetgever aansluiting zou hebben gezocht bij de regeling van de verlenging van terbeschikkingstelling - waarin de rechtbank is aangewezen als de rechter die omtrent een vordering verlenging beslist ook als de maatregel is opgelegd door het

gerechtshof -, vindt geen steun in de wetsgeschiedenis. Zij vindt evenmin steun in het systeem van de wet, reeds omdat de regeling van oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en van verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling geen tussentijdse beoordeling als zodanig kent. In de praktijk vindt tussentijdse toetsing van de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders zowel plaats door de rechtbank als, zoals in het onderhavige geval, door het gerechtshof.

In de tweede plaats rijst de vraag of aangenomen zou moeten worden dat de term “rechtbank” in artikel 509ff van het Wetboek van Strafvordering door de wetgever abusievelijk is gebezigd in plaats van “de rechter die de beslissing inzake de tussentijdse beoordeling heeft genomen”. In de wetsgeschiedenis zijn daarvoor echter geen aanknopingspunten te vinden.

Omdat het voorgaande tot de conclusie leidt dat tegen een door een gerechtshof - anders dan door de rechtbank - genomen beslissing omtrent de tussentijdse beoordeling door de betrokkene geen beroep op de bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem openstaat, rijst de vraag of er andere gronden bestaan die ertoe leiden aan te nemen dat ook dan beroep op de voormelde kamer open staat. Die gronden zouden met name gelegen kunnen zijn in de bijzondere samenstelling van deze kamer - twee deskundige leden naast drie raadsheren - dan wel de rechtsgelijkheid. Tegen een bevestigend antwoord verzet zich echter onder meer de overweging dat in verband met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen extensieve interpretatie bij de vraag of een rechtsmiddel openstaat niet voor de hand ligt. Voorts is een toetsing in beroep door een gerecht van gelijk niveau binnen de huidige rechterlijke organisatie niet gebruikelijk. Het ligt ook niet voor de hand dat de bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem zou zijn aangewezen als appelinstantie met betrekking tot beslissingen van andere kamers van hetzelfde gerechtshof. Het hof constateert dat verschillende keuzes denkbaar zijn, waarbij uiteenlopende belangen van praktische en meer principiële aard zijn betrokken en die moeten voldoen aan de eisen die aan een samenhangend stelsel kunnen worden gesteld. Daarvan uitgaande moet worden aangenomen dat het openstellen voor de betrokkene van hoger beroep valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter en aan de wetgever moet worden overgelaten (vergelijk onder meer Hoge Raad 30 januari 1996, NJ 1996, 288).

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat betrokkene niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

Beslissing:

Het hof:

Verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in zijn ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van het gerechtshof te Amsterdam van 12 juli 2007.

Aldus gedaan door

mr Lensing als voorzitter,

mrs Bartelds en Rutgers van der Loeff als raadsheren,

en drs Van Weers en dr Raes als raden,

in tegenwoordigheid van mr Jansen als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2007.

Mr Rutgers van der Loeff en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.