Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB4371

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
951/2007
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2007:BB2331, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Spoedzaak, beschikking uithuisplaatsing kind ter observatie in hoger beroep bekrachtigd en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

21 augustus 2007 Familiekamer

Rekestnummer 951/2007

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

In de zaak van:

Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering,

werkeenheid van de Stichting Leger des Heils Welzijns- en

Gezondheidszorg, met mandaat van de Stichting Bureaus

Jeugdzorg Gelderland,

verzoekster in het principaal beroep,

verweerster in het incidenteel beroep,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen “de stichting”,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal en in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de moeder”,

en

[verweerder],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

verweerder in het principaal beroep,

verzoeker in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de vader”,

procureur mr. P.M. Wilmink,

en

mr. B.H. Bongers,

in zijn hoedanigheid van bijzonder curator van de minderjarige [de dochter],

wonende te Zwolle,

verweerder in het principaal beroep,

verzoeker in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de bijzonder curator”,

procureur mr. S.I. Henny.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Zutphen van 6 juli 2007 uitgesproken onder de zaaknummers 86815 JE RK / 07-547 en 86781 JERK 07-543 en van 7 augustus 2007 uitgesproken onder zaaknummer 86815 JERK 07-543.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 9 augustus 2007, is de stichting in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 7 augustus 2007. De stichting verzoekt het hof die beschikking te vernietigen ten aanzien van de afwijzing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en opnieuw beschikkende die beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.2 De moeder heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.3 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 15 augustus 2007, heeft de vader het verzoek van de stichting bestreden. Daarbij heeft de vader tevens incidenteel beroep ingesteld. In het principaal beroep verzoekt de vader het hof de stichting in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek ongegrond te verklaren. In het incidenteel beroep verzoekt de vader de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de stichting tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de dochter] ter observatie alsnog af te wijzen.

2.4 De bijzonder curator heeft ook een verweerschrift ingediend, ingekomen per fax ter griffie van het hof van 15 augustus 2007. Daarbij heeft hij tevens incidenteel beroep ingesteld. In het principaal en het incidenteel beroep verzoekt hij het hof een beslissing te nemen die zij juist acht.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 16 augustus 2007 plaatsgevonden. Namens de stichting zijn [...], [...] en [...], gezinsvoogd, verschenen. Namens de moeder is mr. W.D.M. de Boer, advocaat te Apeldoorn, verschenen. De vader is in persoon verschenen in gezelschap van zijn echtgenote, [echtgenote van de vader] (hierna: “[echtgenote van de vader]”), bijgestaan door mr. P.H. Elzerman, advocaat te Zwolle. De bijzonder curator is eveneens in persoon verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming te Zutphen is niemand verschenen.

2.6 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder de brief van de advocaat van de moeder van 10 augustus 2007 met bijlage, het faxbericht van de rechtbank Zutphen van 15 augustus 2007 met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 24 juli 2007 en de brief van de stichting van 15 augustus 2007 met bijlagen.

3 De vaststaande feiten

3.1 De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [de zoon], op [geboortedatum] 1991 en

- [de dochter], op [geboortedatum] 1995.

De moeder oefent alleen het gezag uit over [de dochter]. [de dochter] verblijft thans bij de vader, die gehuwd is met [echtgenote van de vader], uit welk huwelijk twee kinderen zijn geboren.

3.2 Sinds 2001 staat [de dochter] onder toezicht van de stichting. Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zutphen van 5 september 2005 is de ondertoezichtstelling van [de dochter] verlengd tot 11 september 2006 en is een machtiging tot uithuisplaatsing bij de niet-gezaghebbende vader verleend. Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zutphen van 5 september 2006 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor één jaar verlengd.

3.3 Bij verzoekschrift van 4 juni 2007 heeft de stichting verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen. Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Zutphen op 22 juni 2007, heeft de stichting onder meer verzocht een (spoed)machtiging te verlenen om [de dochter] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een observatiegroep zodat er gekeken kan worden hoe het met de ontwikkeling van [de dochter] gaat, de beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.4 Bij beschikking van de rechtbank Zutphen van 6 juli 2007 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de dochter] verlengd voor de duur van een jaar tot 11 september 2008, de beslissing over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de dochter] aangehouden en bepaald dat systeemtherapeut [...] de kinderrechter uiterlijk op 18 september 2007 rapporteert over de positie van [de dochter] in het gezin van de vader en (het hof begrijpt:) dat de gezinsvoogd in die periode haar werk moet kunnen doen en dat er gesprekken tussen de gezinsvoogd en [de dochter] plaats dienen te vinden.

3.5 Bij beschikking van 22 juni 2006 heeft de rechtbank Zutphen de bijzonder curator benoemd en het verzoek om een beschikking te geven zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden afgewezen.

3.6 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend [de dochter] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg 24-uurs (ten behoeve van observatie) voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 11 september 2008 en het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking afgewezen.

3.7 De stichting heeft op 26 juni 2007 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.2 Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken van gronden die de uithuisplaatsing van [de dochter] noodzakelijk maken. Daartoe acht het hof het volgende van belang. De gezinsvoogd [...] heeft in oktober 2006 de taken van de vorige gezinsvoogd, [...], overgenomen. Zij heeft als zodanig verschillende malen getracht rechtstreeks contact te krijgen met [de dochter]. Dit is niet gelukt, waardoor de stichting -hoewel zij [de dochter] in het kader van de uithuisplaatsing zelf bij het gezin van de vader heeft geplaatst- geen zicht heeft of kan houden op de tenuitvoerlegging van de machtiging tot uithuisplaatsing waarvoor zij verantwoordelijk is. De stichting heeft op 21 juni 2007 een aanwijzing aan de vader en [echtgenote van de vader] verzonden, echter deze aanwijzing weigeren zij na te leven. Het hof acht op grond van de niet weersproken mededelingen van de gezinsvoogd tijdens de mondelinge behandeling aannemelijk dat de stichting voldoende serieus te nemen pogingen heeft ondernomen om in overleg te treden met de vader en [echtgenote van de vader] en werkbare afspraken te maken met het oog op bedoelde tenuitvoerlegging.

Verder is van belang dat [de zoon] en [de dochter] aanvankelijk bij de moeder, daarna in pleeggezinnen en vervolgens in het gezin van de vader zijn geplaatst. Er ontstonden problemen met [de zoon] en het vertrek van [de zoon] uit het gezin van de vader ging met veel problemen gepaard. De vader en [echtgenote van de vader] leggen de oorzaak van de problemen van/met [de zoon] volledig bij [de zoon] en zij hebben het contact met [de zoon] verbroken. [de dochter] heeft contact met [de zoon] noch met de moeder. Nu de vader en [echtgenote van de vader] ook het contact met hun eigen (overige) familieleden hebben verbroken, heeft [de dochter] ook geen contact met hen. De vader en [echtgenote van de vader] staan voorts geen contact toe tussen de gezinsvoogd en [de dochter] of enkel op hun voorwaarden (bijvoorbeeld dat er een derde persoon bij de bezoeken aan [de dochter] moet zijn). Gelet op het voorgaande acht het hof de door de stichting geuite ernstige zorgen dat [de dochter] in een toestand van isolement is geraakt, aannemelijk, alsmede dat sprake is van een gesloten gezinssysteem van de vader en [echtgenote van de vader].

De gezinsvoogd, die onweersproken jarenlange ervaring heeft met complexe gezinnen en de bijbehorende gezinsproblematiek en op basis van de daardoor opgebouwde ervaring in deze zaak als zodanig is aangewezen door de stichting, heeft toegelicht dat zij op grond van de informatie en de stukken over de kinderen en de houding van de vader en [echtgenote van de vader] een zogenaamd niet-pluis-gevoel heeft en tot de inschatting komt dat thans sprake is van een risicovolle situatie voor [de dochter] waarvoor de stichting geen verantwoordelijkheid kàn nemen. Dit wordt versterkt doordat de vader en [echtgenote van de vader] stelselmatig toegang onthouden tot hun gezin en door de omstandigheid dat zij voortdurend voorwaarden stellen aan de contacten tussen de stichting respectievelijk de gezinsvoogd en [de dochter]. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vader en [echtgenote van de vader] de mening zijn toegedaan dat er bij [de zoon] toen hij nog bij hen woonde sprake was van ernstige psychiatrische problematiek waarvoor hij opgesloten diende te worden in een gesloten psychiatrische instelling. In het verslag van een psychologisch onderzoek van [de zoon] uitgevoerd op 20 juni 2006 door GGZ Drenthe is te lezen dat er geen aanwijzingen zijn voor een stoornis binnen het autistisch spectrum en dat het goed gaat met [de zoon]. Het voorgaande roept vragen op omtrent het opvoedingsklimaat en de mogelijkheden van de vader en [echtgenote van de vader] om [de dochter] een adequate opvoeding te bieden, zodat een observatie/ onderzoek naar [de dochter] nodig is. Hoewel de mogelijkheid bestaat dat uit de observatie van [de dochter] blijkt dat zij zich goed ontwikkelt in het gezin van de vader en dat een uithuisplaatsing onnodig onrust bij [de dochter] zal veroorzaken, weegt deze mogelijkheid niet op tegen het laten voorbestaan van de risicovolle situatie zoals deze thans is.

4.3 Het hof acht de afwijzing van het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad door de rechtbank niet onbegrijpelijk, nu de belanghebbenden daardoor de gelegenheid hebben gekregen de bestreden beschikking in hoger beroep te laten toetsen vóór de uithuisplaatsing van [de dochter]. Nu het hof evenwel tot de conclusie komt dat de machtiging tot uithuisplaatsing ter observatie van [de dochter] op goede gronden is verleend, dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd en zal het hof deze alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 7 augustus 2007;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mens, Van den Dungen en Van Gelder en is op 21 augustus 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.