Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB4369

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-08-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
395/2007
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie wordt voor de duur van de schuldsanering op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14 augustus 2007

Familiekamer

Rekestnummer 395/2007

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr. J.M. Bosnak,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “de man”,

procureur mr. P.M. Wilmink.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zutphen van 23 januari (het hof begrijpt:) 2007, uitgesproken onder zaaknummer 79750 FARK 06-1383.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 april 2007, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vrouw verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de man in zijn inleidend verzoek niet-ontvankelijk te verklaren althans dit verzoek af te wijzen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 april 2007, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 19 juli 2007 plaatsgevonden. De vrouw is verschenen, bijgestaan door mr. M. Janse, advocaat te Apeldoorn, en namens de man is mr. S.F.M. Oomen, eveneens advocaat te Apeldoorn, verschenen.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van de advocaat van de vrouw van 13 juli 2007 met bijlage, een faxbericht van de advocaat van de man van 17 juli 2007 met bijlage en een tijdens de mondelinge behandeling overgelegd goed leesbaar exemplaar van produktie F uit de eerste aanleg.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 8 augustus 2000 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 22 november 2001 heeft de rechtbank Zutphen echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 4 januari 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2000 [het kind] geboren, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] met ingang van 4 januari 2002 € 340,34 per maand en als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw € 249,58 per maand zal voldoen.

3.4 De man is van de echtscheidingsbeschikking in hoger beroep gegaan voor zover daarbij de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw en een omgangsregeling tussen de man en [het kind] is vastgesteld. Bij beschikking van dit hof van 27 augustus 2002 is de echtscheidingsbeschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen bekrachtigd.

3.5 Bij beschikking van de rechtbank Zutphen van 20 juli 2004 is het verzoek van de man met ingang van 3 december 2003 de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] op € 100,- per maand en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw op nihil vast te stellen afgewezen. De man is daartegen in hoger beroep gegaan. Bij beschikking van dit hof van 5 april 2005 is de beschikking van de rechtbank van 20 juli 2004 bekrachtigd.

3.6 De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] bedraagt ingevolge de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2006 € 369,74 en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw € 271,14 per maand.

3.7 Bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 6 maart 2006 is de Wet Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen (verder te noemen “schuldsaneringsregeling”) op de man van toepassing verklaard. Volgens de berekening van de bewindvoerder van 4 april 2006 bedraagt het inkomen van de man € 2.013,61 netto per maand en is het vrij te laten bedrag vastgesteld op € 837,63 en volgens de berekening van de bewindvoerder van 5 december 2006 bedraagt het inkomen van de man € 1.601,16 netto per maand en is het vrij te laten bedrag vastgesteld op € 810,- per maand, na aftrek van reiskosten van € 152,- per maand.

3.8 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Zutphen op 4 augustus 2006, heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank Zutphen van 22 november 2001 te wijzigen en de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] en in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 6 maart 2006 vast te stellen op nihil, althans op een bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.

3.9 Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 22 november 2001 gewijzigd en de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] en in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 6 maart 2006 tot en met 6 maart 2009 op nihil vastgesteld.

Ten aanzien van de vrouw

3.10 De vrouw vormt met [het kind] een gezin. In de beschikking van dit hof van 5 april 2005 is opgenomen dat haar inkomen uit arbeid blijkens de salarisspecificatie van augustus 2006 € 1.449,77 bruto (€ 1.180,94 netto) per maand bedraagt, te vermeerderen met vakantietoeslag. Haar woonlasten bedragen € 310,- per maand aan huur na aftrek van huursubsidie.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Omdat gebleken is dat sinds 6 maart 2006 ten aanzien van de man de schuldsaneringsregeling van toepassing is, is er naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

4.2 De man betwist niet dat behoefte bestaat aan de vastgestelde bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en verzorging en opvoeding van [het kind] maar stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om die bijdragen te betalen nu de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is. De vrouw betwist dat de man geen draagkracht heeft.

4.3 Het hof overweegt dat de werkgroep Alimentatienormen adviseert, indien geen twijfel bestaat over de gegrondheid van de toelating tot de schuldsaneringsregeling, de beslissing van de rechter-commissaris te volgen en de alimentatie voor de duur van de schuldsaneringsregeling op nihil te stellen. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 25 januari 2002, NJ 2002, 314 beslist dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek om nihilstelling van de alimentatie in aanmerking kan nemen dat ten aanzien van de alimentatieplichtige de schuldsaneringsregeling van toepassing is en hij veelal de in dat verband vastgestelde feiten tot uitgangspunt zal kunnen nemen.

4.4 Het hof overweegt dat de stelling van de vrouw dat er sprake is van financieel wanbeheer aan de zijde van de man dat heeft geleid tot de schuldsanering op zichzelf onvoldoende is om niet met de schuldsaneringsregeling rekening te houden. Als iemand schulden heeft, is er in het algemeen sprake geweest van slecht financieel beleid. Bij toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt getoetst of men niet te goeder trouw schulden heeft gemaakt. Kennelijk is hiervan in dit geval volgens de rechter-commissaris in de schuldsanering geen sprake. De achtergrond van de schuldsaneringsregeling en van de richtlijn van de werkgroep Alimentatienormen is dat een schuldenaar tenminste éénmaal de gelegenheid moet krijgen zijn schulden zoveel mogelijk af te lossen en een schone lei te krijgen. In die periode dient de schuldenaar zoveel mogelijk inkomen te reserveren voor schuldaflossing. Na de schuldsanering kan hij dan weer aan zijn onderhoudsverplichtingen voldoen. Dat er in dit geval sprake is van na-huwelijkse schulden en dat de man na de echtscheiding nimmer vrijwillig alimentatie heeft betaald maakt dit niet anders. De achterstallige alimentatie is als vordering ingediend bij de bewindvoerder zodat ook voor aflossing van deze schuld gedurende de schuldsaneringsregeling wordt gereserveerd. De man heeft daarnaast nog veel meer schulden. De omstandigheid dat de man volgens het verslag van de bewindvoerder geen woonlasten heeft en niet heeft aangetoond dat hij inmiddels wel woonlasten betaalt maakt het naar het oordeel van het hof niet onaanvaardbaar de beslissing van de rechter-commissaris en de aanbeveling van de werkgroep te volgen nu de man slechts 90% van de bijstandsnorm ter beschikking heeft om van te leven. Daar komt bij dat de stelling van de vrouw dat zij vanwege alle kosten van [het kind] en haar woonlasten in feite minder te besteden heeft dan de man niet juist is omdat het netto inkomen van de vrouw hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaand ouder vermeerderd met de huur boven de wooncomponent (€ 110,- per maand) en de vrouw voorts naast de kinderbijslag en de kinderopvangtoeslag ook recht heeft op extra heffingskortingen zoals de (aanvullende) combinatiekorting en de (aanvullende) alleenstaand ouderkorting. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de hantering van het uitgangspunt zoals uiteengezet onder 4.3.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 23 januari 2007;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mens, Van Zutphen en Keulen en is op 14 augustus 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.