Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB2766

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
04-01960
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Waterschapsomslagen.

Bospercelen hebben belang bij taakuitoefening waterschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1639
Belastingblad 2007/1111

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 04/01960

U i t s p r a a k

op het beroep van X BV te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de secretaris/directeur van het Waterschap Veluwe (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslagen in de waterschapsomslagen.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1997 tot en met 2004 aanslagen in de waterschapsomslagen opgelegd ten bedrage van (omgerekend): € 3.730,07 (1997), € 3.951,97 (1998), € 3.077,08 (1999), € 3.048,49 (2000), € 4.376,38 (2001), € 4.730,96 (2002), € 4.641,02 (2003) en € 5.376,80 (2004).

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslagen tijdig bezwaar gemaakt. De Ambtenaar heeft de aanslagen bij de bestreden uitspraken, die alle zijn gedaan op 1 oktober 2004, gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraken bij één op 10 november 2004 bij het Hof ingekomen beroepschrift in beroep gekomen bij het Hof. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Ambtenaar een conclusie van dupliek.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 juni 2007 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende vertegenwoordigd door haar directeur, alsmede haar gemachtigde en de Ambtenaar.

1.5. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota’s moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Ambtenaar bij zijn pleitnota 1 bijlage overgelegd.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is eigenaar van een aantal ongebouwde en gebouwde onroerende zaken gelegen in het A bij Q. De totale oppervlakte van de ongebouwde onroerende zaken bedraagt ruim 68 hectaren. Daarvan liggen bijna 15 hectaren in het door belanghebbende zogenoemde centrale deel van A, dat aan de zuidzijde wordt begrensd door de a-straat en aan de noordzijde door de b-straat.

2.2. Het hiervóór genoemde centrale deel van het A bestaat nagenoeg geheel uit bosgronden. Het grootste deel daarvan is begroeid met naaldhout. Vanuit dit centrale deel vindt geen zichtbare afvoer plaats van water naar watergangen die door het waterschap Veluwe worden beheerd.

2.3. Vanuit andere delen van het A waarin de overige door het waterschap Veluwe aangeslagen onroerende zaken van belanghebbende zijn gelegen, vindt wel zichtbare waterafvoer plaats naar watergangen die door het waterschap Veluwe worden beheerd. Eén van die watergangen is de B beek, waarvan een deel van de loop zich bevindt in het gedeelte van het A ten noorden van de b-straat, zoals te zien is op de geografische kaart die deel uitmaakt van bijlage f bij het verweerschrift.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vragen:

3.1.1. of belanghebbendes in het centrale deel van het A gelegen onroerende zaken belang hebben bij de taakuitoefening van het waterschap en

3.1.2. of die onroerende zaken zijn ingedeeld in de juiste omslagklassen. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend, de Ambtenaar bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting dat aan deze uitspraak is gehecht.

3.3. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de bestreden uitspraken en vernietiging van de onderhavige aanslagen, subsidiair tot vermindering van de aanslagen tot bedragen berekend met inachtneming van indeling van de onderhavige onroerende zaken in de omslagklassen 5 voor ongebouwd en 8 voor gebouwd en meer subsidiair tot vermindering van de aanslagen tot bedragen berekend met inachtneming van indeling van de onderhavige onroerende zaken in de omslagklassen 4 voor ongebouwd en 8 voor gebouwd. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbendes beroep beperkt zich tot de in het beroepschrift opgesomde gebouwde en ongebouwde onroerende zaken welke zijn gelegen in het door haar zogenoemde centrale deel van het A. Belanghebbende stelt dat het centrale deel van het A zich – kennelijk: in waterhuishoudkundig opzicht – duidelijk onderscheidt van omliggende terreinen en dat het een zelfstandige waterstaatkundige eenheid vormt. Zij verbindt daaraan de gevolgtrekking dat dat centrale deel, vanwege het ontbreken van zichtbare afvoer van water naar watergangen die door het waterschap Veluwe worden beheerd en vanwege de gesteldheid van het gebied dat nagenoeg geheel uit naaldbos bestaat en waarvan de bodem een groot waterbergend vermogen heeft, zodat ook van waterbezwaar door ondergrondse afstroming welke voor het waterschap kosten veroorzaakt niet of slechts in verwaarloosbare mate sprake kan zijn, door het waterschap zou moeten worden ingedeeld in een niet of lager betalende omslagklasse.

4.2. Door de Ambtenaar wordt bestreden dat het centrale deel van het A een zelfstandige waterstaatkundige eenheid vormt. Hiertoe voert hij allereerst aan dat het begrip waterstaatkundige eenheid in overwegende mate van politiek-bestuurlijke aard is. Wat in concreto als waterstaatkundige eenheid moet worden beschouwd, wordt in deze visie in de eerste plaats beantwoord door de betreffende reglementaire gebiedsomschrijving, alsmede eventueel door de betreffende omslagklassenverordening. Deze moeten immers, aldus nog steeds de Ambtenaar, geacht worden de weerslag te vormen van evenbedoelde politiek-bestuurlijke afwegingen en zijn dus als zodanig in fiscaalrechtelijk opzicht een in principe onaantastbaar gegeven. In de tweede plaats voert de Ambtenaar aan dat de door belanghebbende gekozen begrenzing van het door haar zogenoemde centrale deel van het A geen steun vindt in de waterhuishoudkundige inrichting van het gebied. Noch de a-straat noch de b-straat vormt een waterscheiding. Ondergronds kan water onder de a-straat doorstromen en in de b-straat komen onder meer duikers voor waardoor water van de ene naar de andere zijde kan stromen.

4.3. Het Hof verwerpt de visie van de Ambtenaar dat het begrip waterstaatkundige eenheid in overwegende mate van politiek-bestuurlijke aard is en dat wat als waterstaatkundige eenheid moet worden beschouwd, in de eerste plaats wordt beantwoord door de reglementaire gebiedsomschrijving alsmede de omslagklassenverordening. Zoals is overwogen in het arrest HR 22 oktober2004, nr. 38 862, BNB 2005/25*, Belastingblad 2004, blz. 1278, dient het begrip waterstaatkundige eenheid te worden uitgelegd als waterhuishoudkundige eenheid. Uit HR 27 september 2000, nr. 34 924 (BNB 2000/383) volgt bovendien dat binnen het gebied dat in de omslagklassenverordening in één klasse is ingedeeld, meer dan één in waterstaatkundig opzicht als eenheid te beschouwen gebied kan zijn gelegen. Doorslaggevend voor het antwoord op de vraag wat als waterstaatkundige eenheid moet worden beschouwd is derhalve, hoe een gebied in waterhuishoudkundig opzicht is ingericht.

4.4. Door de Ambtenaar is naar het oordeel van het Hof met hetgeen hij in de stukken en ter zitting heeft aangevoerd wel aannemelijk gemaakt dat het door belanghebbende zogenoemde centrale deel van het A geen zelfstandige waterstaatkundige eenheid vormt. Dit, in omvang relatief beperkte centrale deel van het A staat in waterhuishoudkundig opzicht in verbinding met de overige delen van dat gebied. Tussen die overige delen en het centrale deel bevinden zich geen waterscheidingen die aanwijzing van dat centrale deel als afzonderlijke, zelfstandige waterstaatkundige eenheid rechtvaardigen. Met name belanghebbendes opvatting dat de b-straat in waterhuishoudkundig opzicht de noordelijke begrenzing van het centrale deel van het A zou vormen acht het Hof niet in overeenstemming met de werkelijkheid, nu vaststaat dat water onder meer via duikers van de ene naar de andere kant van de weg kan stromen.

4.5. Gezien het voorgaande wordt uit hetgeen belanghebbende aanvoert niet aannemelijk dat alle belang van de onderhavige, in het centrale deel van het A gelegen onroerende zaken bij de taakuitoefening door het waterschap Veluwe zou ontbreken. De vraag of een onroerende zaak belang heeft bij de taakuitoefening door het waterschap dient blijkens de vaste lijn der jurisprudentie niet te worden beantwoord naar hetgeen geldt voor die individuele onroerende zaak, maar naar hetgeen geldt voor het vanuit waterstaatkundig als eenheid te beschouwen gebied waarin de onroerende zaak ligt. Dit lijdt slechts uitzondering indien bijzondere omstandigheden zich tegen heffing van juist deze onroerende zaak verzetten. De bewijslast van zulke omstandigheden rust bij belanghebbende. Nu vaststaat dat het centrale deel van het A geen afzonderlijke waterstaatkundige eenheid vormt, dat vanuit andere delen van het A, waarin de overige door het waterschap Veluwe aangeslagen onroerende zaken van belanghebbende zijn gelegen, zichtbare waterafvoer plaatsvindt naar watergangen die door het waterschap Veluwe worden beheerd en op grond van hetgeen door de Ambtenaar is aangevoerd aannemelijk is dat het betreffende gebied ontwateringbehoeftig is, dient te worden geconcludeerd dat het vanuit waterstaatkundig als eenheid te beschouwen gebied waarin de onderhavige onroerende zaken liggen wel degelijk belang heeft bij evenbedoelde taakuitoefening. Bijzondere omstandigheden die zich tegen heffing van juist de onderhavige onroerende zaken verzetten zijn door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Het Hof verwerpt dan ook belanghebbendes stelling dat het centrale deel van het A moet worden ingedeeld in een niet betalende omslagklasse.

4.6. Dat het centrale deel van het A in een lager betalende omslagklasse zou moeten worden ingedeeld is gezien het voorgaande door belanghebbende evenmin aannemelijk gemaakt. Belanghebbendes betoog faalt nu het in overwegende mate wordt gedragen door argumenten die betrekking hebben op het centrale deel van het A en dit centrale deel, zoals hiervoor is overwogen, geen afzonderlijke waterstaatkundige eenheid vormt. Met betrekking tot de overige delen van het A heeft belanghebbende onvoldoende aangevoerd om zijn standpunt aannemelijk te maken.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig om de Ambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep bij het Hof heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 17 augustus 2007 door

mrs Monsma, voorzitter, Den Ouden en Nieuwenhuizen, raadsheren. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.