Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB2765

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
04/00775
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BF2203, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BF2203
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting.

De door een projectontwikkelaar in het kader van koop/aannemingsovereenkomsten verrichte prestaties dienen voor het tijdstip van winstneming afzonderlijk te worden bezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1650 met annotatie van Ligthart
FutD 2007-1678 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2007/47.14

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Eerste meervoudige belastingkamer

nummer 04/00775

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belasting¬dienst P (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag vennootschaps¬belasting over het jaar 1999.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van f. 159.336.236.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij de uitspraak op het bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van f. 159.331.236.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspec¬teur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek alsmede een afzonderlijke notitie met dagtekening 12 april 2007 welke tot de gedingstukken wordt gerekend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 april 2007 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

2.1. A BV (hierna: A) is onderdeel van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, waarvan belanghebbende de moedermaatschappij is. A houdt zich bezig met het ontwikkelen en realiseren van woningbouwprojecten.

2.2. Bij een in 1998 gehouden boekenonderzoek bleek een verschil van inzicht te bestaan tussen belanghebbende en de Belastingdienst met betrekking tot het tijdstip van winstneming bij projectontwikkelingsactiviteiten van A. In het kader hiervan hebben belanghebbende en de Belastingdienst op 17 mei 2002 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin met betrekking tot de “Winstneming projectontwikkeling” het volgende is vastgelegd:

“Afgesproken is dat X één woning selecteert die in 1999 met winst is verkocht, maar pas in 2000 of later wordt opgeleverd. Het nacalculatieresultaat op de betreffende woning dient positief te zijn. Het project waarvan de woning deel uitmaakt dient vóór de verkoop al een doorlooptijd te hebben van enkele jaren en moet mede daardoor representatief zijn voor een doorsnee project van X. Alle op de woning betrekking hebbende administratieve gegevens worden aan de Belastingdienst ter beschikking gesteld. De voorcalculatorische winst op de geselecteerde woning wordt door X – volgens de huidige systematiek – commercieel wel genomen, maar fiscaal nog niet. De Belastingdienst zal de aangegeven winst 1999 corrigeren voor de fiscaal nog niet genomen voorcalculatorische winst op de geselecteerde woning. X zal tegen de betreffende correctie bezwaar maken. Dit bezwaar wordt vervolgens door de Belastingdienst afgewezen. X gaat vervolgens in beroep tegen de afwijzing. Het beroep zal slechts betrekking hebben op de kwestie ‘tijdstip van winstneming’ zelf en niet op zaken als ‘opgewekt vertrouwen’ en ‘AWR aangelegenheden’.”

2.3. De geselecteerde woning maakt deel uit van het project R te S 2e fase. Deze 2e fase betreft de bouw van 96 woningen. Van deze 96 woningen vormen 61 woningen een apart onderdeel. Deze 61 woningen bestaan uit de typen T (18 stuks), U (38 stuks) en V (5 stuks). De geselecteerde woning heeft bouwnummer 82 en is van het type V.

2.4. Het ontwikkelingstraject van de betreffende woning staat gedeeltelijk beschreven in de samenwerkings- en realisatieovereenkomst tussen A en de gemeente S. Deze overeenkomst ziet op het ontwikkelen en realiseren van circa 560 koopwoningen in het plan R te S. Zij is ondertekend op 26 april 1996. In de samenwerkings- en realisatieovereenkomst zijn voorlopige grondprijzen vastgesteld voor de uitgifte van kavels door de gemeente S. De voorlopige grondprijzen zijn gebaseerd op de toekomstige vrij op naam prijzen (hierna: VON-prijzen) van de 560 te bouwen koopwoningen. Deze VON-prijzen zijn goedgekeurd door de ‘stuurgroep’, welke is ingesteld ter uitvoering van de samenwerkings- en realisatieovereenkomst. Deze stuurgroep had de leiding over de projectorganisatie.

2.5. Conform art. 5.1. van de samenwerkings- en realisatieovereenkomst heeft A haar gronden ‘W’ voor f 42,75 per m2 verkocht aan de gemeente S. De prijs van f 42,75 werd vermeerderd met een enkelvoudige rente vanaf 1 januari 1996 tot de datum van verkoop. De gemeente S heeft deze gronden vervolgens bouwrijp gemaakt en ten behoeve van de bouw van 96 woningen verkocht aan A. Dit betrof in totaal 18.798 m2 bouwrijpe grond voor een aankoopprijs van f. 6.990.791,36. Op deze verkoop zijn de Algemene uitgiftevoorwaarden voor gronden van de gemeente S van toepassing.

2.6. Het bedrag van f. 6.990.791,36 is de prijs van de grond per 31 december 1998. Het gemeentelijke besluit tot grondaanbieding vermeldt onder 2.3 dat de koopsom wordt verhoogd met 2% op jaarbasis (indexatie). Zoals blijkt uit de bijlage bij het besluit tot grondaanbieding (bijlage 19 bij het verweerschrift) heeft van de f. 6.990.791,36 een bedrag van f. 132.925,97 betrekking op het perceel grond behorende bij de geselecteerde woning (zie 400-serie, 418 v.s. Vrijstaand, wel index, 451 m2). Voor de vijf woningen betreffende het type ‘V’ is in totaal 2.232 m2 grond aangekocht voor een bedrag van f. 680.920,71. Met dagtekening 2 juni 1999 is door de gemeente een factuur gezonden waarop een bedrag van f. 7.051.766,60 (excl. BTW) staat vermeld. Het verschil van f. 60.975,24 wordt veroorzaakt door de indexatie over de periode 1 januari t/m 7 juni 1996. Rekening houdend met deze indexatie is door A f. 134.085,44 betaald aan de gemeente S voor het perceel grond behorende bij de geselecteerde woning.

2.7. Op 12 januari 1999 heeft de gemeente S vergunning verleend tot de bouw van 61 woningen waaronder de door partijen geselecteerde woning.

2.8. De bouw van de woningen is bij brief van 18 mei 1999 door A gegund aan F. B.V., tegen een totale aannemingssom van f. 11.902.990 (excl. BTW) en conform het door deze aannemer ingediende inschrijvingsbiljet. Op dat moment waren 46 woningen verkocht.

2.9. Van de totale aannemingssom van f. 11.902.990 is bij de berekening van de voorcalculatorische winst per woning een bedrag van f. 234.500 aan elk van de woningen van het type ‘V’ toegerekend.

2.10. Vanwege de stijging van de marktprijzen van woningen is besloten de VON-prijzen van de vanaf 1999 nog te bouwen woningen te verhogen. De daaruit volgende meeropbrengst is tussen A en de gemeente S verdeeld in de verhouding 40% : 60%. In verband hiermee is per valutadatum 1 februari 2000 een nabetaling aan de gemeente S gedaan ter hoogte van f. 1.194.605. De nabetaling is door belanghebbende intern verwerkt onder de post ‘Grondkosten (afdracht aan gemeente i.v.m. sanering)’. Van de betaling aan de gemeente S is een bedrag van f. 26.646 aan ieder van de woningen van het type ‘V’ toegerekend.

2.11. De koop-/aannemingsovereenkomst voor de geselecteerde woning is getekend op 26 mei 1999. De totale koop-/aanneemsom voor de woning bedraagt f. 629.000 waarvan contractueel voor de grondkosten een bedrag is overeengekomen van f. 161.789 en voor de aanneemsom van de nog te bouwen woning een bedrag van f. 467.211. Het overeengekomen bedrag van de grondkosten diende de verkrijger onmiddellijk te betalen. De overeengekomen aanneemsom is in tien termijnen aan de verkrijger in rekening gebracht. Bij deze koop-/aannemingsovereenkomst horen de Algemene Voorwaarden voor de koop-/aannemingsovereenkomst voor eensgezinshuizen, vastgesteld op 8 februari 1999 en de Algemene Toelichting bij de koop-/aannemingsovereenkomst voor eengezinshuizen, vastgesteld in december 1998.

In de koop-/aannemingsovereenkomst is onder meer de volgende passage opgenomen: “De onder I en II vermelde koop- en aannemingsovereenkomst vormen tezamen één geheel.”

2.12. In de onder 2.11 aangehaalde Algemene Voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 10 – risico tijdens de bouw en verzekering

1. Gedurende de (af) bouw blijft de onroerende zaak voor risico van de ondernemer. De ondernemer is verplicht de opstallen tot het in artikel 11 genoemde tijdstip genoegzaam verzekerd te houden, zulks voor zover van toepassing met inachtneming van de voorschriften van de waarborgende instelling ter zake. (…).

2. De ondernemer vrijwaart de verkrijger voor aanspraken van derden wegens schade die tijdens de bouw aan derde mocht worden toegebracht door handelen of nalaten van de ondernemer, van personen voor wie hij aansprakelijk is of die in zijn opdracht de bouw of een onderdeel daarvan uitvoeren.

Artikel 11 – Overgang risico naar de verkrijger

Op de dag waarop de verkrijger de sleutels van de woning in ontvangst heeft genomen dan wel de woning in gebruik heeft genomen, gaan – onverminderd de verplichtingen van de ondernemer uit hoofde van de aannemingsovereenkomst – alle risico’s, waaronder begrepen die van brand- en stormschade, over op de verkrijger.”

2.13. De akte van levering van de grond is gepasseerd op 14 juli 1999. De eigendom van de grond is door de gemeente S rechtstreeks aan de verkrijger overgedragen (ABC-transactie). In de akte van levering wordt vermeld dat de door de verkrijger verschuldigde koopprijs voor de grond f. 157.576,35 bedraagt. De oplevering van de woning aan de verkrijger is geschied op 12 oktober 2000. In de akte van levering zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

“tijdstip feitelijke levering/baten en lasten/risico

artikel 5

5.1 De feitelijke levering (aflevering) van het verkochte door de gemeente vindt heden plaats.

5.2 De feitelijke levering van de door of vanwege X te bouwen woning met aanhorigheden vindt plaats ter gelegenheid van de oplevering daarvan aan de verkrijger, een en ander zoals bedoeld en op de wijze als is bepaald in voormelde koop- en aannemingsovereenkomst en de daarbij van toepassing verklaarde algemene voorwaarden. In verband daarmee is het bouwwerk vanaf de oplevering voor risico van de verkrijger, onverminderd het ter zake uit de aannemingsovereenkomst voortvloeiende.

5.3 De aflevering vindt alsdan plaats geheel voor eigen bewoning en gebruik door de verkrijger en vrij van enig gebruiksrecht ten behoeve van derden, mitsdien leeg en ontruimd.

5.4 De bouwkavel is – na bebouwing – bestemd tot gebruik als woning met aanhorigheden.

5.5 Vanaf heden draagt de verkrijger het risico van de verkochte grond.

5.6 De zakelijke lasten en belastingen die van het verkochte worden geheven komen voor rekening van de verkrijger met ingang van de eerste januari van het komende jaar.”

2.14. Voor het woningtype ‘V’ waartoe bouwnummer 82 behoort, is door belanghebbende een brutomarge berekend van f. 102.473. Commercieel dient deze marge voor een bedrag van f. 37.400 ter dekking van de constante en variabele kosten. Het restant van f. 65.073 is te beschouwen als voorcalculatorische winst. Deze is in 1999 commercieel geboekt, doch bij de berekening van de belastbare winst voor de heffing van vennootschapsbelasting over het jaar 1999 door belanghebbende buiten aanmerking gelaten. De naculculatie van de 61 woningen heeft plaatsgevonden op 24 april 2001. Het gemiddelde positieve nacalculatieresultaat van het plan van 61 woningen bedroeg per woning f. 8.329.

2.15. Bij brief van 4 februari 2003 heeft de Inspecteur aangekondigd dat de aangifte vennootschapsbelasting 1999 van belanghebbende zal worden gecorrigeerd met de fiscaal nog niet genomen winst op de levering van de grond op de door A geselecteerde woning. De correctie bedraagt f. 51.236 zijnde 50% van de voorcalculatorische brutomarge ad f. 102.473. Met dagtekening 28 februari 2003 is de aanslag vennootschapsbelasting 1999 opgelegd.

2.16. Bij brief van 4 april 2003 is namens belanghebbende tegen de aanslag vennootschapsbelasting 1999 bezwaar aangetekend en bij brief van 27 juni 2003 is dit bezwaar gemotiveerd. De Inspecteur heeft op 26 maart 2004 uitspraak op bezwaar gedaan en daarin onder het kopje “Standpunt Belastingdienst bezwaarfase” het volgende overwogen: “Gezien het bovenstaande is bij het vaststellen van de aanslag vennootschapsbelasting 1999 teveel gecorrigeerd, daar de winst en het constante deel van de algemene kosten ten aanzien van X met betrekking tot de werkzaamheden in de bouwfase in 1999 buiten de winst dient te blijven. Dit probleem is reeds in een eerdere fase onderkend, maar is bij het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting 1999 ten onrechte niet meegenomen.”

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het belastbaar bedrag om die reden met

f. 5.000 verlaagd tot een bedrag van f. 159.331.236.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht de onderwerpelijke correctie heeft toegepast. Meer in het bijzonder is in geschil of de koop-/aannemingsovereenkomst met betrekking tot de in het geding zijnde woning voor de fiscale winstberekening als één ondeelbare prestatie moet worden gezien op grond waarvan volgens goed koopmansgebruik winstneming kan worden uitgesteld tot het moment van oplevering van de woning.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2. Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord, is vervolgens tussen partijen in geschil of, en zo ja, tot welk bedrag belanghebbende in het jaar 1999 winst dient te verantwoorden ter zake van de levering van de grond.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. In de visie van de Inspecteur, die deze vraag bevestigend beantwoordt, dient ter zake van de levering van de grond door belanghebbende een bedrag aan winst in aanmerking te worden genomen van f. 46.236.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder eerdergenoemde pleitnota.

Hetgeen partijen voorts ter zitting hebben opgemerkt is opgenomen in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van primair

f. 159.285.000 en subsidiair f. 159.288.606.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In het zogenoemde Wegenbouwerarrest (HR 26 februari 1997, BNB 1997/145) oordeelde de Hoge Raad ten aanzien van het tijdstip van winstneming bij aanneming van werk als volgt:

“In het geval van aanneming van werk laat goed koopmansgebruik toe dat winstneming wordt uitgesteld tot het moment waarop het desbetreffende werk is opgeleverd. In het oordeel van het Hof, dat onder de omstandigheden van het onderhavige geval de termijndeclaraties niet het karakter hebben van zelfstandige vorderingen die als verdiend kunnen worden beschouwd, ligt besloten dat die declaraties geen betrekking hadden op de oplevering van gehele werken of op zichzelf staande delen van werk.”

Tussen partijen is terecht niet in geschil dat op basis van voormelde jurisprudentie van de Hoge Raad, goed koopmansgebruik belanghebbende toestaat om de winstneming op de bouw van de in het geding zijnde woning uit te stellen tot het jaar van oplevering van de woning zijnde het jaar 2000.

4.2. Tussen partijen is primair in geschil of de levering van de grond in het kader van de koop-/aannemingsovereenkomst als een afzonderlijke prestatie moet worden gekwalificeerd.

Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Blijkens de hiervoor onder 2.13 weergegeven bepalingen van de akte van levering van de grond, zijn de risico’s aangaande de grond op het moment van levering onherroepelijk op de verkrijger overgegaan en is de prestatie van A ten aanzien van de koop/verkoop van de grond daarmee voltooid.

Dit klemt te meer nu zelfs indien de koop-/aannemingsovereenkomst na levering van de grond wegens wanprestatie van belanghebbende zou worden ontbonden, dit niet tot gevolg heeft dat de levering van de grond wordt teruggedraaid. De eigendom van de grond en de daarmee verbonden risico’s zijn – het zij herhaald - door de levering onherroepelijk op de verkrijger overgegaan. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende betoogt, kan naar het oordeel van het Hof in dit verband niet worden gesproken van één ondeelbare prestatie maar is feitelijk en rechtens sprake van twee van elkaar te onderscheiden prestaties, te weten de levering van onbebouwde grond en de bouw daarop van een woonhuis, welke prestaties afzonderlijk op hun fiscale merites moeten worden beoordeeld.

4.3. Belanghebbende stelt in haar pleitnota dat in veel gevallen waarin zij als projectontwikkelaar optreedt, bij het transport van de grond het risico met betrekking tot de grond niet op de verkrijger overgaat. Dit kan belanghebbende evenwel niet baten aangezien deze omstandigheid zich in het onderhavige geval niet voordoet. Belanghebbende erkent immers zelf dat in het onderhavige geval de risico’s aangaande de grond bij de juridische levering op de verkrijgers zijn overgegaan.

4.4. De stelling van belanghebbende dat de koop-/aannemingsovereenkomst volgens maatschappelijke perceptie één geheel zou vormen doet, nog daargelaten of dit inderdaad het geval is, aan het hiervoor overwogene niet af. De opvatting van belanghebbende dat er naar burgerlijk recht bij een koop-/aannemingsovereenkomst sprake zou zijn van één prestatie, doet nog daargelaten of die opvatting juist is, daaraan gezien het hiervoor overwogene evenmin af.

4.5. Nu het gelijk met betrekking tot het primaire geschil aan de Inspecteur is dient de vraag te worden beantwoord of, en zo ja, tot welk bedrag, in het onderhavige jaar winst aan de levering van de grond moet worden toegerekend. Vast staat dat belanghebbende aan de gemeente S f 160.731,44 (f. 134.085,44 + f. 26.646) heeft betaald voor de verwerving van de bouwrijp gemaakte grond. Tevens staat vast dat aan de verkrijger conform de onder 2.13 weergegeven leveringsakte, een bedrag voor levering van de grond in rekening is gebracht van f. 157.576,35 ( hierna: de grondtermijn).

4.6. Ter bepaling van de omvang van de winstneming vormen volgens de Inspecteur niet de gefactureerde bedragen de grondslag, maar de door belanghebbende verkregen aanspraak. In zijn visie is de aanspraak ter zake van de levering van de grond hoger dan de overeengekomen grondtermijn aangezien deze laatste, aldus de Inspecteur, afwijkt van de waarde in het economische verkeer van de grond. Naar de mening van de Inspecteur dient de waarde in het economische verkeer van de grond te worden bepaald met behulp van de zogenoemde residuele waarderingsmethode. Deze methode hanteert als uitgangspunt de marktwaarde van het gehele vastgoedobject na realisatie en brengt daarop in mindering de productiekosten van de opstallen inclusief bijkomende kosten om zo tot de waarde van de tot het vastgoedobject behorende grond te komen. De waarde in het economische verkeer van de grond wordt alsdan bepaald door op de VON-prijs van de koop-/aannemingsovereenkomst, de brutobouwkosten in mindering te brengen.

4.7. Aangezien de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat in afwijking van de tussen A en de verkrijgers overeengekomen grondtermijn, voor de winstberekening op de grondtransactie uitgegaan dient te worden van de door hem in aanmerking genomen – van die grondtermijn afwijkende - grondwaarde, dient de Inspecteur deze waarde vooreerst gemotiveerd te onderbouwen en bij, zoals hier, gemotiveerde betwisting door de wederpartij aannemelijk te maken. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur daarin niet geslaagd.

De door de Inspecteur voorgestane residuele waarderingsmethode vormt in een geval als het onderhavige geen juist uitgangspunt voor de bepaling van de fiscale jaarwinst, omdat deze methode uitgaat van de gerealiseerde winst op het voltooide vastgoedproject en zich daarbij derhalve op feiten en omstandigheden baseert die zich buiten het onderhavige jaar afspelen. Oplevering van de in het geding zijn woning heeft immers in het jaar 2000 plaatsgevonden en de naculculatie van de 61 woningen door belanghebbende op 24 april 2001. De Inspecteur handelt in strijd met het realisatiebeginsel door zich in het kader van de winstberekening op de grondtransactie te baseren op feiten en omstandigheden die zich in het jaar 1999 in het geheel nog niet hebben voorgedaan.

4.8. Toepassing van de residuele waarderingsmethode voor de fiscale winstberekening zoals door de Inspecteur voorgestaan, is naar het oordeel van het Hof ook om na te melden reden niet bruikbaar. In de visie van de Inspecteur is een bedrag aan winst aan de bouwfase toerekenbaar van f. 8.805 excl. BTW terwijl de winst op de grondtransactie volgens hem f. 100.877 excl. BTW bedraagt, welk laatste bedrag in beginsel in zijn geheel in 1999 in aanmerking moet worden genomen. Dit impliceert dat in de visie van de Inspecteur vrijwel de gehele winstmarge op het vastgoedproject op het moment van het sluiten van de koop-/aannemingsovereenkomst c.q. op het moment van de levering van de grond zou moeten worden genomen. Dit impliceert tevens dat (nagenoeg) de gehele winst die voortvloeit uit het vastgoedproject aan de grondtransactie moet worden toegerekend. Nu deze visie zich vrijwel geheel loszingt van de werkelijkheid, zoals deze naar voren komt in de met de verkrijgers gesloten koop-/aannemingsovereenkomst, en in het bedrag waarvoor de grond conform de leveringsakte van 14 juli 1999 aan de verkrijgers in juridische zin is overgedragen, verwerpt het Hof haar. Opgemerkt zij nog dat het standpunt van de Inspecteur impliceert dat in afwijking van het onder 4.1. aangehaalde arrest HR 26 februari 1997, BNB 1997/145, een projectontwikkelaar het overgrote deel van de winstmarge reeds op het moment van de levering van de grond in aanmerking zou moeten nemen terwijl het onder zijn leiding werkende aannemersbedrijf, winstneming zou mogen uitstellen tot het moment van oplevering van de woning. Dit is een consequentie die naar het oordeel van het Hof niet uit voornoemd arrest kan worden getrokken.

4.9. Het standpunt van de Inspecteur is ten slotte ook nog om na te melden reden te verwerpen. In casu gaat het om de vraag wat op grond van goed koopmansgebruik het uiterste moment is waarop winstneming op de grondtransactie niet langer kan worden uitgesteld. Tevens gaat het daarbij - nu de totale winstmarge over de transactie tussen de beide prestaties te weten de levering van de grond en de bouw van het woonhuis moet worden verdeeld - om de hoogte van de in aanmerking te nemen winst op de levering van de grond. Gegeven de grote onzekerheden die zijn verbonden aan de vaststelling van de waarde in het economische verkeer van een door een gemeente bouwrijp gemaakt perceel grond, welke onzekerheden als zodanig ook door de Inspecteur worden erkend, is het naar het oordeel van het Hof aan belanghebbende toegestaan om voor de fiscale winstberekening aan te sluiten bij de termijn welke ingevolge de koop-/aannemingsovereenkomst door A aan de verkrijgers voor de verwerving van de grond in rekening is gebracht. Met het in aanmerking nemen van een hoger bedrag zou belanghebbende in strijd handelen met het realiteits-, realisatie- en liquiditeitsbeginsel, als onderdeel van goed koopmansgebruik althans in die zin dat belanghebbende tot een meer verregaande vorm van winstneming niet gedwongen kan worden bij afwezigheid van een wettelijke regeling als thans is opgenomen in art. 3.29b Wet Inkomstenbelasting 2001 welke voor het onderhavige jaar evenwel niet van toepassing is.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene moet worden geconcludeerd dat belanghebbende (A) bij de levering van de onderhavige grond geen winst heeft gerealiseerd. Het beroep is derhalve gegrond.

5. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2,5 * € 322 maal wegingsfactor 2 = € 1.610,-. Voor een vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten acht het Hof geen termen aanwezig, aangezien daartoe geen verzoek is gedaan als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van

f. 159.285.000;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 273,-;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.610,- en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 15 augustus 2007 te Arnhem door mrs. Meussen, voorzitter, Monsma en Den Ouden, raadsheren en op die datum door de voorzitter in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Vellema als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(A.Vellema) (J.A. Monsma)

Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak getekend door mr. J.A. Monsma.

Afschriften aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.