Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB2763

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-08-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
06-00128
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2006:AV7748, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Geen waardedruk duurzame zelfbewoning voor bij staking naar privé overgebrachte bedrijfsopstallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1596
FutD 2007-1707
V-N 2008/8.14

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 06/00128

eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de erven van A te Z (hierna: belanghebbenden)

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 22 februari 2006, nummer AWB 05/1955, in het geding tussen belanghebbenden

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan A (hierna: erflater) is, met adressering Erven A, voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd die is berekend naar een belastbaar in-komen uit werk en woning van € 30.077 met inachtneming van een heffingskorting van € 2.496. Aan heffingsrente is € 555 berekend.

1.2. Belanghebbenden hebben daartegen bezwaar aangetekend. Bij uitspraak van de Inspecteur van 25 april 2005 is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur is door de Rechtbank bij uitspraak van 22 februari 2006, nr. AWB 05/1955, ongegrond verklaard.

1.4. Hiertegen hebben belanghebbenden hoger beroep aangetekend. Ter zitting hebben partijen afgesproken dat de uiteindelijke beslissing in het onderhavige geding bepalend zal zijn voor de uitslag in de zaken met de hofnummers 06/00129 en 06/00130 ten name van respectievelijk de erven A en A-Y. De gemachtigde heeft daarop uitdrukkelijk verklaard zijn beroep in die zaken in te trekken.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren voorts het verweerschrift en de daarin genoemde bijla-gen alsmede de nadere stukken die op 1 juni 2007 van de gemachtigde van belanghebbenden zijn ontvangen en op dezelfde dag in kopie zijn doorgezonden aan de wederpartij.

1.6. Bij het onderzoek ter zitting op 13 juni 2007 te Arnhem zijn gehoord gemachtigde van be-langhebbenden, bijgestaan door AX, alsmede de Inspecteur.

1.7. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overge-legd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota’s moet als hier ingelast worden aangemerkt.

1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1. Erflater, overleden op 3 juni 2003, dreef in maatschapverband met zijn echtgenote een melkveehouderij. Deze onderneming is per 31 december 2001 gestaakt. Als gevolg daarvan zijn de bedrijfsopstallen en de bedrijfskavel overgegaan naar het privé-vermogen van erflater en zijn echtgenote. Het bij het agrarische bedrijf gelegen woonhuis met 800 m² grond behoorde tot het privé-vermogen van beiden. Op het stakingstijdstip waren erflater en zijn echtgenote voorne-mens om duurzaam in het woonhuis te blijven wonen.

2.2. Blijkens de gedingstukken zijn de volgende onroerende zaken naar het privé-vermogen van erflater en zijn echtgenote overgegaan:

- de bedrijfsopstallen:

- de bij de bedrijfsopstallen behorende ondergrond, bedrijfserf en landbouwgrond van circa 3.99.25 ha.

2.3. Partijen – enerzijds de Inspecteur en anderzijds erflater en zijn echtgenote vertegenwoor-digd door de gemachtigde - hebben zich bij ‘Overeenkomst gezamenlijke taxatie’, door hen ondertekend op 4 april 2003 respectievelijk 22 april 2003 (hierna: de vaststellingsovereen-komst), verbonden de waarde van de tot het bedrijfsvermogen van erflater en zijn echtgenote behorende onroerende zaken (bedrijfsopstallen inclusief ondergrond landbouwbedrijf, cultuur-grond) gezamenlijk vast te stellen. Als reden voor de gezamenlijke taxatie is in de vaststellings-overeenkomst vermeld: de staking van de onderneming per 31 december 2001. Voorts is in de vaststellingsovereenkomst vastgelegd, dat ‘de waarde(n) van de onroerende zaak in het econo-mische verkeer in vrij opleverbare staat worden vastgesteld per 31 december 2001’. In de Op-gaaf Informatie taxatie onroerende zaak van 31 maart 2003, naar welke opgaaf in de vaststel-lingsovereenkomst is verwezen, is voorts bij de vragen naar overige onroerende zaken die in eigendom zijn en waarom deze niet hoeven te worden gewaardeerd opgegeven: ‘Privé-woning inclusief 800 m2 ondergrond behoort tot het privé-vermogen.’

2.4. De onder 2.2 genoemde onroerende zaken zijn gezamenlijk per de stakingsdatum gewaar-deerd door C, Register taxateur, namens de Belastingdienst, en D, Register Makelaar Taxateur te Q.

Zij hebben de waarde in het economische verkeer vrij van pacht/gebruik (WEV) en de waarde in het economische verkeer vrij van pacht/gebruik bij agrarisch gebruik (WEVAB) voor de onroerende zaken als volgt vastgesteld:

WEV WEVAB

- bedrijfsopstallen € 46.000

- bedrijfskavel 31.15 aren € 84.000 € 44.000

- overige gronden 3.68.10 ha € 132.000 € 132.000

waarde van het geheel € 262.000.

2.5. Belanghebbenden hebben de onderhavige onroerende zaken nogmaals laten taxeren door genoemde D. De WEV van de bedrijfsopstallen en de bedrijfskavel worden ook in dit taxatie-rapport gesteld op respectievelijk € 46.000 en € 84.000.

2.6. Belanghebbenden hebben ter zake van de aangifte IB/PV 2001 bij de berekening van de stakingswinst op de getaxeerde WEV van de bedrijfsopstallen en de WEV en WEVAB van de bedrijfskavel een afwaardering van 40% toegepast in verband met zelfbewoning. De berekening is als volgt:

Bedrijfsopstallen WEV (€ 46000 x 60%) € 27.600

Boekwaarde € 3.847

Meerwaarde € 23.753

Ondergrond bedrijfsopstal-len WEV (€ 84.000 x 60%) € 50.400

WEVAB (€ 44.000 x 60%) € 26.400

€ 24.000

2.7. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag het standpunt ingenomen dat de

onderhavige bedrijfsmiddelen tegen de onder 2.4 vermelde waarden moeten worden gewaar-deerd, zonder rekening te houden met de door belanghebbenden toegepaste afwaardering. Hij heeft de stakingswinst gecorrigeerd met € 46.000*40% + € 84.000 * 40% -/- 44.000 * 40% =

€ 34.400.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of bij het bepalen van de hoogte van de stakingswinst op de onder 2.4 vermelde waarden van de bedrijfsopstallen en de bedrijfkavel een afwaardering moet worden toegepast in verband met duurzame zelfbewoning. De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend, belanghebbende bevestigend.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd het-geen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4. Belanghebbenden nemen nader het standpunt in dat de door hen verdedigde afwaardering 35% moet bedragen, hetgeen betekent dat de door de Inspecteur berekende stakingswinst met €30.100 moet worden verminderd.

3.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Nu erflater en zijn echtgenote het bedrijf per 31 december 2001 hebben gestaakt is daar-mee een einde gekomen aan het bedrijfsmatige gebruik van de bedrijfsopstallen en de daaraan toe te rekenen onder- en omliggende grond. Deze zaken gaan per genoemde datum over naar het privé-vermogen van erflater en zijn echtgenote.

4.2. Er is slechts één waarde waartegen erflater de voormalige bedrijfsonroerende zaken naar het privé-vermogen kon overbrengen en die is gelijk aan de prijs die daarvoor op 31 december 2001 bij aanbieding ten verkoop op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed. In het algemeen moet voorts worden aangeno-men, dat het de stakende ondernemer vrij staat de desbetreffende onroerende zaken te ver-vreemden en wel in vrij te aanvaarden staat, omdat immers aan de bestemming die de onderne-mer tot dan toe aan die zaken heeft gegeven, een einde is gekomen.

4.3. Blijkens het rapport van de minnelijke taxateurs van 15 september 2003 hebben zij de tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende zaken getaxeerd op waarden zoals onder de feiten is vermeld. Daarbij is, aldus vermelding in het taxatierapport, rekening gehouden met ‘alle omstandigheden die op de waarde van invloed zijn’. Ter zitting hebben partijen verklaard ervan uit te gaan dat de taxateurs bij het bepalen van de door hen vastgestelde waarden de in-vloed op die waarden van de op 31 december 2001 door erflater en zijn echtgenote bewoonde nabijgelegen privé-woning hebben meegewogen.

4.4. Nu partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten ter zake van de vaststelling van de waarde in het economische verkeer van de tot het ondernemingsvermogen behorende zaken, staat het de erven niet meer vrij om in een later stadium een andere, van de door de gezamenlij-ke minnelijke taxateurs vastgestelde afwijkende en lagere waardering te bepleiten. De omstan-digheid dat het nadere standpunt van de erven mede is gestoeld op een ander inzicht van de eertijds door hen aangewezen minnelijke taxateur, maakt dit niet anders.

4.5. Indien het onder 4.4 overwogene anders zou zijn, dan is het aan belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden aange-nomen, dat in zijn geval van de onder 4.2 vermelde algemene regel en mitsdien ook van de vaststellingsovereenkomst moet worden afgeweken.

4.6. De erven hebben daartoe aangevoerd dat de ligging en de aard van de bedrijfsopstallen dusdanig is, dat die onroerende zaken dienen te worden beschouwd als aanhorigheden van de woning van erflater die niet afzonderlijk verhuurbaar of verkoopbaar zijn. De erven stellen ook dat een deel van de bedrijfsopstallen bij de woning in gebruik was en is gebleven als garage en voor opslag. Naar het oordeel van het Hof gaat dit laatste standpunt uit van de gedachte dat erflater en zijn echtgenote de tot het bedrijfsvermogen behorende onroerende zaken niet ver-vreemden, maar besluiten vanaf het moment van de staking deze zaken in eigen gebruik te ne-men. Een dergelijke beslissing sluit evenwel niet uit de mogelijkheid van verkoop van die zaken in vrij te aanvaarden staat.

4.7. Nog afgezien van het feit dat met de onder 4.6 genoemde stellingen van belanghebbenden wordt miskend dat die opstallen tot aan de staking tot het ondernemingsvermogen van de maat-schap behoorden en bij de onderneming in gebruik waren, blijkt op geen enkele wijze dat de voor de waardering van belang zijnde feitelijke omstandigheden ten tijde van de taxatie niet bij de taxateurs bekend waren.

Bovendien is het Hof van mening dat de bedrijfsopstallen om de volgende redenen niet aanho-rig zijn aan de privé-woning. De afstand van de woning tot het dichtstbij gelegen bedrijfsge-bouw is ruim. Deze bedraagt ongeveer 6,5 m². Blijkens de tot de stukken behorende foto’s en de kadastrale tekening is de woning gelegen aan het eind van de inrit te rechter zijde en zijn de bedrijfsgebouwen gelegen aan het eind van de inrit te linker zijde. Op de inrit zelf is ruimte voor twee elkaar passerende personenauto’s. De woning werd ten tijde dat de onderneming gedreven werd, reeds lange tijd geheel tot het privé-vermogen gerekend. De woning heeft, naar de zoon ter zitting heeft verklaard, geen bedrijfsgelieerde gedeelten of functies. Voorts brengt de omstandigheid dat een bewoner van de woning zijn auto in één van de bedrijfsopstallen pleegt te stallen of één van die opstallen beschikbaar houdt voor opslag van privé-spullen, niet mee dat daarom sprake is van aanhorigheid aan de woning. Van andere omstandigheden waaruit valt af te leiden dat één of meer bedrijfsopstallen bij de woning behoren of aan de woning dienstbaar zijn is niet gebleken. Voor een afwijking van de door partijen gesloten vaststellings-overeenkomst en mitsdien van een lagere waardering van de bedrijfsopstallen en bijbehorende grond, bestaat derhalve in zoverre geen aanleiding.

4.8. De gemachtigde heeft zich beroepen op door de eenheid van de Inspecteur gevoerd beleid, dat erop neerkwam, dat als feitelijk werd vastgesteld dat de bijgebouwen met de woning één complex vormen en niet afzonderlijk verkoopbaar of verhuurbaar zijn, de waardedruk wegens zelfbewoning zich mede uitstrekt tot die bijgebouwen. De Inspecteur heeft dienaangaande op-gemerkt dat tot 2003 op zijn eenheid sprake was van de door de gemachtigde gesignaleerde gedragslijn. Die gedragslijn gold echter alleen in het geval dat zowel de woning als de bedrijfs-gebouwen tot het ondernemingvermogen behoorden. In dit geval behoorde de woning reeds lang tot het privé-vermogen en is, aldus de Inspecteur, dit beleid niet van toepassing.

4.9. Het Hof acht hetgeen de Inspecteur omtrent het door de erven gestelde beleid heeft aange-voerd aannemelijk. De erven hebben niets aangevoerd op grond waarvan de stelling van de Inspecteur met betrekking tot de inhoud van dit beleid onjuist moet worden geacht. Nu in deze zaak sprake is van een woning die reeds lang tot het privé-vermogen van erflater en zijn echtge-note behoorde is sprake van een ander geval dan zich voordeed in de door de Inspecteur be-doelde gedragslijn. Er is geen sprake van gelijke gevallen. Het beroep van de erven op toepas-sen van dit beleid kan derhalve niet slagen.

4.10. Nu het gelijk aan de Inspecteur is, is tussen partijen niet in geschil dat de aanslag, zoals gehandhaafd bij de uitspraak op bezwaar, juist is vastgesteld.

5. Slotsom

Bij de uitspraak van de Rechtbank is het beroep terecht ongegrond verklaard.

6. Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank .

Aldus gedaan te Arnhem op 20 augustus 2007 door mr. J.B.H. Röben, voorzitter,

mr. M.C.M. de Kroon en mr N.E.. Haas. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitge-sproken in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 augustus 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.