Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB2125

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
21-005586-05
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2005:AU5333, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van een tandarts die is vervolgd voor valsheid in geschrift en (poging tot) oplichting van een aantal verzekeringsmaatschappijen in 1999/2000. Hij zou valselijk een claim hebben ingediend na een ongeluk met een auto, waarbij hij een vinger was "verloren", terwijl hij in werkelijkheid dat ongeluk in scène zou hebben gezet en zelf zijn vinger geamputeerd zou (laten) hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-005586-05

Uitspraak d.d. 22 augustus 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van

2 november 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

onende te [adres en woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 augustus 2007 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Redelijke termijn

De verdediging heeft gesteld dat de rede¬lijke ter¬mijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescher¬ming van de rechten van de mens en de fundamente¬le vrijheden ¬in de onderhavige zaak is overschreden.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgen¬de.

Op 19 december 2000 is het gerechtelijk vooronderzoek in de onderhavige zaak tegen verdachte geopend en zijn de woning en het bedrijfspand van verdachte doorzocht.

Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de officier van justitie te Zutphen zelfstandig een onderzoek heeft doen instellen tegen verdachte, zonder dat er sprake was van een aangifte door een van de betrokken verzekeringsmaatschappijen

In maart 2002 is het omvangrijke eind proces-verbaal aan de raadsman van verdachte toegezonden, die vervolgens bij brief van 4 april 2002 om een aantal onderzoekshandelingen heeft verzocht, waaronder een reconstructie-onderzoek.

Op 13 februari 2003 heeft de rechter-commissaris laten weten dat hij dr. Kent van het "Center for Applied Biomechanics" van de Universiteit van Virginia in de V.S. opdracht zou geven tot een reconstructieonderzoek.

Op 11 februari 2004 meldde de raadsman van verdachte per brief aan de rechter-commissaris dat hij sinds 13 februari 2003 over de aan dr. Kent te geven opdracht niets meer had vernomen.

De raadsman heeft op 15 april 2004 de officier van justitie benaderd en laten weten dat er door dr. Kent geen opdracht tot het doen van een reconstructie-onderzoek was ontvangen, hetwelk ook dr. Kent op zijn beurt, naar aanleiding van een e-mail van de raadsman aan hem, op 16 april 2004 heeft laten weten.

Op 16 mei 2004 heeft de rechter-commissaris zelf dr. Kent gevraagd of deze inderdaad geen verzoek tot het uitvoeren van het onderzoek had ontvangen.

In de periode 11 tot 15 oktober 2004 heeft het reconstructieonderzoek door dr. Kent in de V.S. alsnog plaatsgehad; daarvan is het rapport op 15 december 2004 uitgebracht.

Nadat dr. Kent op verzoek van de raadsman op 16 februari 2005 nog enkele vragen had beantwoord, is het gerechtelijk vooronderzoek op 25 mei 2005 gesloten.

Op 19 oktober 2005 vond het onderzoek ter terechtzitting van de ¬rechtbank te Zutphen plaats en bij vonnis van 2 november 2005 van die rechtbank is verdachte voor deze zaak veroor¬deeld. Tegen dit vonnis is op dezelfde dag namens verdachte hoger beroep ingesteld.

Namens verdachte is op 16 november 2005 een appelschriftuur ingediend.

Op 20 januari 2006 is het dossier ter griffie van het gerechtshof binnengekomen.

In overleg tussen de advocaat-generaal en de raadsman naar aanleiding van de appelschriftuur zijn in het kader van een artikel 411a Sv.-procedure door de rechter-commissaris nadere onderzoekshandelingen verricht, waaronder het horen van getuigen in het kabinet van de rechter-commissaris en in België in de periode juni 2006 tot en met 27 februari 2007.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft plaats¬gevonden op 8 augustus 2007.

Het hof is - gelet op de hierboven beschreven gang van zaken sedert 19 december 2000 - van oordeel dat de behande¬ling van deze zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. In het bijzonder de periode tussen 13 februari 2003 en 16 mei 2004 van inactiviteit met betrekking tot het geven van genoemde onderzoeksopdracht aan dr. Kent in de V.S., maar ook de vervolgingsduur in zijn totaliteit, ruim 6,5 jaar geeft aanleiding tot dit oordeel.

Het hof is hierbij -anders dan de rechtbank- van oordeel dat de verdediging niet met recht het verwijt kan worden gemaakt dat zij in deze periode niet eerder naar de voortgang van het onderzoek heeft geïnformeerd.

Het hof merkt ten eerste op dat de raadsman reeds op 11 februari 2004 aan de rechter-commissaris heeft gemeld dat hij niets meer over de opdracht aan dr. Kent had vernomen. Pas na het benaderen van de officier van justitie door de raadsman is er kennelijk op aangeven van de officier van justitie door de rechter-commissaris contact opgenomen met dr. Kent. Het hof is van oordeel dat het eerder op de weg van de officier van justitie had gelegen om uit eigen beweging bij de rechter-commissaris na te gaan hoe het met de voortgang van het reconstructie-onderzoek stond. Maar in ieder geval lag primair de verantwoordelijkheid voor de bewaking van de voortgang van het onderzoek bij de rechter-commissaris.

De geconstateerde schending van bedoelde redelijke termijn is naar het oordeel van het hof (bij afwe¬ging van het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschre¬den tegen het belang dat de gemeenschap - ook na de bedoelde termijnover¬schrijding - behoudt bij norm¬hand¬ha¬ving door berechting, zulks gelet op de aard, omvang en ernst van het tenlaste¬ge¬legde en de mate van overschrij¬ding van de redelijke termijn) niet van dien aard, dat daaraan de conclusie zou moeten worden verbon¬den dat het openbaar minis¬terie niet ontvankelijk is in zijn (verdere) ver¬volging van verdachte.

Het hof zal hierna nog terugkomen op de gevolgen die worden verbonden aan deze overschrijding van de redelijke termijn.

Verzoek tot nader onderzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi verzocht om nader onderzoek aan het inbeslaggenomen stuk dashboardglas met bloedveeg (D.3.3), teneinde te doen trachten een DNA-profiel uit die bloedveeg te halen en dat te vergelijken met het DNA-profiel van verdachte.

Het hof wijst dit verzoek af. De noodzaak tot toewijzing ervan is niet gebleken, omdat niet valt in te zien dat, indien het door de raadsman bedoeld nader onderzoek al tot resultaat zou kunnen leiden (het bloed op het dashboardglas zou wel of niet van verdachte blijken te zijn), dit wezenlijk kan bijdragen tot enige door het hof in deze zaak te nemen beslissing.

Het bewijs

De kern van de zaak bij het aan verdachte tenlastegelegde onder 1 (valsheid in geschrift in een meldingsformulier arbeidsongeschiktheid, een zestal schadeaangifteformulieren inzake een ongeval of arbeidsongeschiktheid en een aangifteformulier schade reisverzekering), onder 2 (oplichting van een verzekeringsmaatschappij) en onder 3 (poging tot oplichting van een zevental verzekeringsmaatschappijen) ligt telkens daarin, dat het hof voor bewezenverklaring ervan op grond van wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging moet komen dat verdachte - kort gezegd - zijn linkerwijsvinger heeft geamputeerd of laten amputeren en opzettelijk in strijd met de waarheid telkens aan andere (rechts)personen heeft opgegeven dat de amputatie van die vinger het gevolg was van een ongeval, te weten een botsing met zijn auto tegen een boom op 9 november 1999 te Herent/Leuven in België, welk ongeval door verdachte in scène zou zijn gezet.

Voor het door verdachte ingevuld en ondertekend zijn van de in de tenlastelegging onder 1, 2 en 3 bedoelde formulieren is voldoende (direct) bewijs aanwezig. Anders ligt dat met betrekking tot het valselijk karakter van het opmaken van die formulieren dan wel de in de tenlastelegging onder 2 en 3 vermelde oplichtingsmiddelen.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank van 19 oktober 2005 overweegt het hof het volgende.

Het voorbereidend onderzoek in de onderhavige zaak kent een drietal (deel)onderzoeken, te weten:

1) dat van de Belgische Rijkswacht, gestart op 9 november 1999,

2) dat van het bureau Schalke & Partners, in opdracht van de betrokken verzekeringsmaatschappijen en

3) dat van de Nederlandse politie (Interregionaal Fraudeteam Oost Nederland) in opdracht van het openbaar ministerie.

Het (Belgische) onderzoek ad 1) heeft geleid tot onder meer:

• een proces-verbaal van 9 november 1999, opgemaakt door R. Stordeur en H. Vanderveken, respectievelijk eerste wachtmeester en wachtmeester bij de Rijkswacht (doorgenummerde pagina's 304 e.v.), onder meer inhoudende een relaas van hetgeen verbalisanten aantroffen op de plaats van het ongeval, te weten: een personenauto, die als gevolg van een botsing tegen een boom zwaar beschadigd was aan de rechter voorzijde, met verdachte bewusteloos op de bestuurderszetel, bloedsporen op het stuurwiel van de auto en de afgerukte linker wijsvinger van verdachte, die op de vloer voor de bestuurderszetel lag, alsmede het inschakelen van de verkeersdeskundige hoogleraar-ingenieur W. Stroobants. Bij dit proces-verbaal bevindt zich als bijlage (onder meer) een proces-verbaal van verhoor van een getuige van het ongeval, de [betrokkene].

• een proces-verbaal van verhoor van verdachte op 10 november 1999 door de verbalisanten J. Poels en P. Spitaels, beiden eerste wachtmeester der Rijkswacht (doorgenummerde pagina's 322-324), waarbij verdachte onder meer verklaarde dat hij zich niets kon herinneren vanaf het moment dat hij bij Leuven onder "een poort" door reed tot aan het moment dat hij in het ziekenhuis bij bewustzijn kwam;

• een brief van 10 november 1999 van de eerdergenoemde (gerechts)deskundige ing. W. Stroobants aan de Substituut Procureur des Konings, Van Steenwinkel (doorgenummerde pagina’s 337-338), inhoudende onder meer: "Er stond een niet origineel stuur op de wagen. In dit stuur waren 2 openingen. In de linkse opening treffen we bloed aan. Aangezien er een vinger van de linkerhand afgesneden is, wijst dit erop dat de bestuurder zijn vinger in de opening had steken, op het moment van de impact."

• een verslag van 31 december 1999 van een technisch onderzoek inzake het ongeval, opgemaakt door genoemde Stroobants (doorgenummerde pagina's 341 t/m 362), dat onder meer als conclusie inhoudt dat de bestuurder zijn vinger in de opening van de metalen lat van het stuur had zitten op het moment dat de aanrijding gebeurde en dat door de scherpe kant van de opening in het stuur en door de impact die vinger, welke zich in de opening bevond, werd afgesneden.

Aangaande hetgeen in België na het ongeval is voorgevallen met betrekking tot de medische behandeling van verdachte bevindt zich in het dossier een aantal brieven en rapporten van medici, waaronder:

• een brief van 16 februari 2000 van dr. D. Desruelles, assistent anesthesie-reanimatie (doorgenummerde pagina 632), inhoudende onder meer diens eerste vaststellingen ter plaatse van het ongeval, waaronder: "De patiënt zat op de chauffeurszetel. De vinger lag op de grond tussen de voeten van de patiënt. Het ging over een propere snijwonde, zonder zware bloeding." en diens hypothese: "De vinger zat tijdens het besturen van de wagen in een gat van het sportstuurwiel (relatief scherp ijzer). Andere oorzaken zijn mogelijk, doch geen andere scherpe elementen werden gezien in de wagen."

• een "intermediair verslag" van de Universitaire Ziekenhuizen Leuven, Plastische en Reconstructieve Heelkunde, opgemaakt door dr. J.J. Vranckx en dr. B. van den Hof (doorgenummerde pagina's 635-637), inhoudende -onder meer- (aangaande de vingeramputatie): "Het betreft een clear cut wonde, zonder tekens van crush, noch avulsie.(...)De patiënt verkiest resoluut een reïmplantatie." en voorts een verslag van de reïmplantatie van de vinger bij verdachte, diens verdere behandeling en de prognose.

Naar aanleiding van deze onderzoeken en mede gelet op de hierna nog te noemen rapporten, geproduceerd in het kader van het onderzoek ad 3, komt het hof tot het volgende oordeel. De vaststelling door zowel Ing. Stroobants als dr. Desruelles dat verdachte diens linkerwijsvinger door een gat in het sportstuur zou hebben gestoken, waardoor die vinger als gevolg van de impact van de botsing is geamputeerd, is op zichzelf genomen – gezien de door deze deskundigen gedane feitelijke waarnemingen – niet zonder meer onbegrijpelijk, doch in ieder geval bij nadere beschouwing onvoldoende onderbouwd. Mogelijke andere oorzaken van de amputatie zijn niet onderzocht, alhoewel dr. Desruelles die wel mogelijk achtte.

Het onderzoek ad 2) van het bureau Schalke & Partners (hierna: S&P), dat is uitgevoerd in opdracht van de betrokken verzekeringsmaatschappijen, heeft geleid tot een rapport van 30 maart 2000 over een door P.H. Willemse, A. Goorts en [getuige 1] uitgevoerd onderzoek naar de toedracht van de letselschade bij verdachte (doorgenummerde pagina's 584 t/m 596), met bijlagen.

In dit rapport wordt onder meer verslag gedaan van een technisch onderzoek aan de

-inmiddels naar Nederland getransporteerde- personenauto van verdachte door [getuige 1] (tevens getuige in het latere politie-onderzoek) waarbij deze op het stuurwiel en op andere plaatsen in de auto bloedresten aantrof, die hij heeft losgewerkt en heeft laten onderzoeken door het Delta Laboratorium te Poortugaal. In het als bijlage bij het rapport gevoegde verslag van "onderzoek op lokaal anaesthetica in gedroogd bloed" door dr. L.J. Mostert, klinisch chemicus bij genoemd Laboratorium, staat onder meer vermeld als resultaat: "M.b.v. GC/MS werd lidocaïne (50 microgram per gram monster, nicotine (niet gekwantificeerd), cotinine (niet gekwantificeerd) en caffeïne (niet gekwantificeerd) aangetoond" en in de conclusie: "Een vasoconstrictoire stof kon niet worden aangetoond."

Een ander bij dit rapport gevoegde bijlage betreft een brief van prof.dr. D.R.A. Uges, klinisch en forensisch toxicoloog-farmacoloog en ziekenhuisapotheker aangaande de -vermoedelijke- hoge concentratie van lidocaïne in het door dr. Mostert onderzochte bloed, die niet zou kunnen worden verklaard door de toediening ervan bij de tandheelkundige behandeling, die verdachte kort voor het ongeval had ondergaan.

De door Prof. Uges, op grond van het door dr. Mostert gedane onderzoek aan het bloedmonster, gemaakte berekening van het (hoge) lidocaïne-gehalte in vol bloed is voor het hof niet zonder meer verklaarbaar. Het hoge gehalte aan lidocaïne lijkt niet in overeenstemming te zijn met de kort voor het ongeval bij verdachte door de Belgische tandarts toegediende hoeveelheid lidocaïne. Echter evenmin is verklaarbaar de door dr. Mostert in het bedoelde monster bepaalde nicotine en cotinine, terwijl voor het hof voldoende is komen vast te staan dat verdachte geen roker was.

Met betrekking tot dit onderzoek overweegt het hof voorts dat ook de wijze waarop de monsterneming heeft plaatsgevonden en het bloedmonster door een medewerker van S&P is behandeld en nadien verzonden aan het Delta Laboratorium een aantal vragen en twijfels oproept, hetgeen ook door de raadsman in zijn pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gesteld.

Ter terechtzitting van de rechtbank op 19 oktober 2005 heeft de medewerker van S&P, [getuige 1], onder ede verklaard dat er, behalve de vraagstelling, geen stukken zaten bij de verzending van het monster aan het Delta Laboratorium. De hem toen door de raadsman voorgehouden e-mails of faxberichten (doorgenummerde pagina's 944 en 945) kende noch herkende de getuige. Ook verklaarde de getuige dat het handschrift van het geschrevene op die documenten ("Na gebruik vernietigen s.v.p.. VERTROUWELIJK") niet het zijne was. Op 9 juni 2006 heeft de getuige [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris alsnog verklaard dat hij wel de auteur van bedoelde documenten was en dat de schriftelijke aantekeningen ook van zijn hand waren. Verder wist hij zich toen ook te herinneren dat hij, anders dan door hem tegenover de rechtbank verklaard, wel tussentijds telefonisch contact heeft gehad met het Delta Laboratorium.

Deze gang van zaken doet het hof twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuige [getuige 1] en daarmee ook aan de professionaliteit waarmee de monsterneming door deze getuige is verricht. Deze twijfel wordt mede gevoed doordat de getuige heeft vermeld dat hij de monsters heeft veiliggesteld volgens de FT-norm 250.04, terwijl dit blijkens zijn eigen verklaring tegenover de rechter-commissaris op 9 juni 2006 duidelijk niet het geval is geweest. Anders dan de FT-norm 250.04 voorschrijft heeft de getuige de bloedmonsters, op verschillende plaatsen in de auto aangetroffen, niet apart gehouden, maar bij elkaar gedaan, en heeft hij de bloedschilfers niet met een scalpelmesje of vochtig wattenstaafje veiliggesteld, maar met een beukenhouten spatel eraf gekrabd. Ook heeft hij geen tweede monster genomen, waardoor een contra-expertise niet (meer) mogelijk was.

Het hof neemt bij de aldus te relativeren waardering van het op grond van dit onderzoek gepresenteerde bewijs in aanmerking dat het geen politie-onderzoek betreft, doch een onderzoek dat is verricht door een particulier onderzoeksbureau in opdracht van belanghebbende verzekeringsmaatschappijen, waarbij de onderzoeker, blijkens de inhoud van de eerdergenoemde e-mails of faxberichten kennelijk is uitgegaan van het feit dat verdachte het litigieuze ongeval en de amputatie van zijn vinger in scène had gezet en dit uitgangspunt ook op voorhand aan het Deltalaboratorium had medegedeeld.

Wat hiervan ook zij, ook al zou de uitslag van het onderzoek van de door de getuige [getuige 1] veiliggestelde bloedmonsters niet hoeven te worden betwijfeld, dan nog is daarmee niet vastgesteld van welk lichaamsdeel van verdachte het bloed afkomstig is en hoe de bloedsporen op de onderdelen van de auto (waaronder het stuurwiel) terecht zijn gekomen.

Het onderzoek ad 3) van de Nederlandse politie (Interregionaal Fraudeteam Oost Nederland) in opdracht van het openbaar ministerie, waarbij tevens een gerechtelijk vooronderzoek is geopend en doorzoekingen hebben plaatsgevonden in de woning en de tandartsenpraktijk van verdachte, heeft geleid tot -onder meer-:

• een NFI-verslag van 29 november 2001 van een bijeenkomst in het academisch ziekenhuis te Maastricht en een discussie onder de aldaar aanwezigen: Ir. Lelieveld (NFI deskundige "technisch en materiaalkundig onderzoek"), Ing. Makkinga (NFI deskundige "voertuig- en verkeersongevallen"), dr. Visser (NFI arts en patholoog) en prof.dr. Stapert, chirurg en hoogleraar traumatologie aan de R.U. Maastricht. Dit verslag bevat als conclusie dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de scherprandige klieving van de wijsvinger is ontstaan door een plotselinge, zeer krachtige beweging van het stuurwiel ten opzichte van de vinger.

• het rapport van 15 december 2004 van een reconstructieonderzoek (met behulp van het uit de auto van verdachte afkomstige stuurwiel) door dr. Kent van het "Center for Applied Biomechanics" van de Universiteit van Virginia in de V.S., waarin dr. Kent op basis van zijn onderzoeksbevindingen als zijn mening "to a reasonable degree of engineering certainty" geeft dat de verwonding van verdachte niet werd opgelopen als gevolg van het insteken van de vinger door het gat in het stuurwiel ten tijde van de botsing.

• een aantal verhoren van verdachte, waarbij deze consistent heeft verklaard - kort samengevat en voorzover hier van belang - dat hij zich niets kan herinneren vanaf het moment dat hij bij Leuven "onder de poort" door reed tot aan het moment dat hij in het ziekenhuis bij bewustzijn kwam en voorts, dat zijn wetenschap van hetgeen hij als toedracht van het ongeval aan de verzekeringsmaatschappijen heeft opgegeven, slechts is gebaseerd op de daarover opgemaakte verslagen.

Na het instellen van het hoger beroep door verdachte tegen het veroordelende vonnis, heeft de verdediging in samenspraak met de behandelend advocaat-generaal nader onderzoek geïnitieerd bij de rechter-commissaris in Zutphen. Dit nader onderzoek heeft opgeleverd het (veelal: nader) horen van een groot aantal getuigen en deskundigen, waarvan de processen-verbaal zich bij de stukken bevinden.

Alles in ogenschouw nemend, constateert het hof dat alle medische en technische onderzoeken die in de onderhavige zaak zijn verricht, uitsluitend waren toegespitst op de - al dan niet moedwillige - amputatie van de linker wijsvinger van verdachte, waarbij deze onderzoeken uitsluitend zien op het (on)mogelijk zijn van die amputatie door laterale en/of radiale krachten, uitgeoefend op die vinger als gevolg van de botsing van zijn auto met een boom op het moment dat verdachte die vinger door een gat in het sportstuur van die auto zou hebben gestoken.

Kennelijk zijn de onderzoekers daarbij uitgegaan van hetgeen door de verkeersdeskundige hoogleraar-ingenieur Stroobants en de arts dr. Desruelles is opgemerkt over de oorzaak van de amputatie van de vinger van verdachte, alsmede van hetgeen verdachte heeft opgegeven als oorzaak van de amputatie van zijn vinger.

Niet of onvoldoende is onderzocht of wellicht andere oorzaken aan de amputatie ten grondslag hebben gelegen of hebben kunnen liggen.

Het hof merkt daarbij op dat bijvoorbeeld geen enkel grondig onderzoek is verricht naar de mogelijkheid of onmogelijkheid dat de vinger van verdachte door een scherp voorwerp of scherp uitstekend deel van de auto kan zijn geamputeerd.

Nader onderzoek naar enige alternatieve oorzaak van de amputatie is thans niet meer mogelijk, reeds omdat de auto van verdachte, waarmee het ongeval geschiedde, al geruime tijd geleden is vernietigd. Ook het tijdsverloop sinds het ongeval staat in de weg aan nog enig zinvol onderzoek terzake.

Het hof merkt op dat voor alle drie tenlastegelegde delictshandelingen dient te worden bewezen dat verdachte met opzet de meergenoemde formulieren in strijd met de waarheid heeft ingevuld/ een en ander valselijk heeft voorgewend. De inhoud kennende van de resultaten van de onderzoeken ad 2 en 3 lijkt dit het geval te zijn geweest. Toch blijft hierover bij het hof twijfel bestaan. Verdachte heeft immers ter terechtzitting van het hof - niet onaannemelijk in een alternatief scenario- verklaard dat hij bij het invullen van de formulieren en bij het afleggen van verklaringen is afgegaan op wat hij van de Belgische politie (Rijkswacht) vernomen had met betrekking tot wat hem overkomen was, en dat hij dus aan de respectieve verzekeringsmaatschappijen heeft opgegeven dat “vermoedelijk” (zie voor het gebruik van dit woord onder meer pagina 459/460) zijn linker wijsvinger was geamputeerd. Vermelding verdient hierbij dat Ing. Stroobants reeds een dag na het ongeval, op 10 november 1999, (pagina 337) melding maakte van het feit dat van verdachte een vinger van de linkerhand afgesneden was doordat verdachte op het moment van het ongeval zijn vinger in de opening van het stuur had gestoken.

Op grond van het vorenstaande en mede naar aanleiding van de door de verdediging gegeven verklaringen voor de - ook in het vonnis waarvan beroep opgenomen - voor verdachte met het oog op de tenlastelegging bezwarende feiten en/of omstandigheden, alsmede de door de verdediging naar voren gebrachte ontlastende omstandigheden, zijn bij het hof zodanige twijfels gerezen omtrent de beantwoording van de vraag of de verdachte de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan, dat de beantwoording van die vraag in het voordeel van verdachte moet uitvallen.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Gelet hierop komt het hof niet meer toe aan het verbinden van enig gevolg aan de hiervoor geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr J.A. Coster van Voorhout, voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr R. de Groot, raadsheren,

in tegenwoordigheid van W. Welmers, griffier,

en op 22 augustus 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.