Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB1610

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
VI 13/06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deels toewijzen van de vordering tot achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling.

Enerzijds vormt, voor een volledig achterwege blijven of uitstel van aanzienlijke duur van de vervroegde invrijheidstelling, grond dat veroordeelde zich, terwijl hij nog onder elektronisch toezicht stond, ernstig heeft misdragen en dat hem daarvoor een langdurige gevangenisstraf is opgelegd. Anderzijds echter ziet het hof in de na te noemen omstandigheden reden om de duur van het uitstel van de vervroegde invrijheidstelling te beperken. De ernstige misdraging van veroordeelde betreft andersoortige feiten dan het feit waarvoor veroordeelde straf ondergaat. Voorts is veroordeelde tot inzicht gekomen dat hij moet gaan werken aan de problemen die ten grondslag liggen aan zijn misdragingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 231

Uitspraak

VI-nummer: 13/06

Uitspraak: 18 juli 2007

Gerechtshof te Arnhem

Kamer als bedoeld in artikel 67 van de wet op de rechterlijke organisatie.

Het hof heeft te beslissen op de op 29 augustus 2006 ingekomen vordering van de advocaat-generaal te Den Haag van 25 augustus 2006, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:

[VEROORDEELDE],

geboren te [geboorteplaats op [geboortedatum],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 4 juli 2007 gehoord de veroordeelde en de raadsman van veroordeelde, mr S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling geheel toe te wijzen.

Overwegingen

Grondslag van de vordering

De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij arrest van 10 december 2002 van de gerechtshof te Den Haag opgelegde gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.

Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht.

Ernstige misdraging

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof hierover het volgende gebleken.

Veroordeelde is op 2 augustus 2006 aangehouden. Hij is vervolgens in voorlopige hechtenis genomen. Hij zou zich terwijl hij, onder elektronisch toezicht, op vrije voeten was, schuldig hebben gemaakt aan onder andere de handel in verdovende middelen en het voorhanden hebben van twee vuurwapens.

Blijkens het vonnis van de rechtbank te Rotterdam is veroordeelde op 5 juni 2007 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, terzake van:

- het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (feiten 1 en 2);

- het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 3);

- het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 4);

- het medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot vuurwapens van categorie III en het medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie.

Het hof is van oordeel dat de voornoemde feiten, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, zeer ernstige misdragingen vormen in de zin van artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling van de vordering

De ernst van de misdraging en de aard van de feiten rechtvaardigt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde voor een deel achterwege blijft. Het hof zal daarom de vordering van de officier van justitie deels toewijzen.

Enerzijds vormt, voor een volledig achterwege blijven of een uitstel van aanzienlijke duur van de vervroegde invrijheidstelling,grond dat veroordeelde zich , terwijl hij nog onder elektronisch toezicht stond zeer ernstig heeft misdragen, en dat die misdraging van zodanige aard en gewicht was dat hem daarvoor een langdurige gevangenisstraf is opgelegd, anderzijds echter ziet het hof in de na te noemen omstandigheden reden om de duur van het uitstel van de vervroegde invrijheidstelling te beperken. De ernstige misdraging van veroordeelde betreft andersoortige feiten dan het feit, een levensdelict, waarvoor veroordeelde straf ondergaat. Voorts is veroordeelde tot het inzicht gekomen, zo heeft hij aangegeven, dat hij moet gaan werken aan de problemen die ten grondslag liggen aan zijn misdragingen; hij heeft daartoe uit eigen beweging contact gezocht met een psycholoog met wie hij de mogelijkheden van behandeling, al dan niet in een klinische setting, zal gaan onderzoeken.

Toegepaste wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING:

Het hof:

- Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de advocaat-generaal te Den Haag en bepaalt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde zal worden uitgesteld, in dier voege dat de vervroegde invrijheidstelling pas zal plaatsvinden één jaar na het tijdstip waarop die ten vroegste zou kunnen worden bevolen.

Aldus gewezen door:

mr H.G.W. Stikkelbroeck, voorzitter

mrs P.C. Vegter en P.R. Wery, raadsheren

in tegenwoordigheid van mr N.D. ten Elshof, griffier

en op 18 juli 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.