Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB1546

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
1014/2006
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IPR, gewone verblijfplaats kind, dat sinds juli 2004 in Tunesie woont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juli 2007 Familiekamer

Rekestnummer 1014/2006

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen “de vader”,

procureur: mr. M.J.M. Willems,

tegen

[verweerster] (in de huwelijksakte ook genoemd [...]),

wonende te [woonplaats] (Tunesië),

verweerster, verder te noemen “de moeder”.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenbeschikking van 16 januari 2007. In deze beschikking heeft het hof oproeping bevolen van de moeder, waarbij zij in de gelegenheid zal worden gesteld om een verweerschrift in te dienen, en heeft het hof iedere verdere beslissing aangehouden.

1.2 De griffier van dit hof heeft per aangetekende brief van 8 maart 2007 de moeder opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 28 juni 2007 te 09.00 uur, onder toezending van het beroepschrift met bijlagen van de vader, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 21 december 2006 en de tussenbeschikking van 16 januari 2007, en heeft daarbij de moeder in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 14 juni 2007 een verweerschrift ter griffie van het hof in te dienen.

1.3 De moeder heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

1.4 De mondelinge behandeling is voortgezet op 28 juni 2007. Namens de vader is de procureur verschenen. De moeder is – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet verschenen. Namens de raad is [A.] verschenen.

2 De vaststaande feiten

2.1 Het hof verwijst voor de vaststaande feiten naar zijn tussenbeschikking van 16 januari 2007 en stelt daarnaast de volgende feiten vast.

2.2. De vader heeft zowel de Nederlandse als de Tunesische nationaliteit. De moeder heeft de Tunesische nationaliteit. [het kind] heeft zowel de Nederlandse als de Tunesische nationaliteit.

2.3. [het kind] heeft met de vader en de moeder vanaf de maand april 2004 tot 24 juli 2004 in Nederland verbleven. Op 24 juli 2004 is [het kind] met de moeder naar Tunesië vertrokken.

2.4. De echtscheidingsbeschikking is op 20 maart 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3 De motivering van de beslissing

3.1 Het hof dient te beoordelen of hij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek van de man, dat ertoe strekt te bepalen dat de gewone verblijfplaats van [het kind] bij hem in Nederland zal zijn. Het verzoek van de vader is bij de rechtbank binnengekomen op 22 december 2004. Op 1 maart 2001 is de Verordening nr. 1347/2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (de Brussel II-Verordening) in werking getreden. Op 1 maart 2005 is deze verordening vervangen door de Verordening nr. 2201/2003 inzake de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkse zaken en ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis). Ingevolge de overgangsbepalingen van artikel 64 van Brussel II-bis dient de bevoegdheid – nu de procedure door de vader is ingesteld vòòr 1 maart 2005 – te worden beoordeeld aan de hand van de Brussel II-Verordening. Op grond van het bepaalde in artikel 2 juncto artikel 3 van deze verordening is ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid de Nederlandse rechter bevoegd indien het kind gewoonlijk in Nederland verblijft. Vaststaat dat [het kind] sinds 24 juli 2004 feitelijk in Tunesië verblijft. Dit betekent dat op grond van de Brussel II-Verordening de Nederlandse rechter niet bevoegd is.

3.2 Vervolgens dient het hof te beoordelen of de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden ontleend aan het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961. Ingevolge artikel 13 lid 1 van dit verdrag is het verdrag van toepassing op alle minderjarigen die hun gewone verblijf in een van de verdragsluitende staten hebben. Aangezien [het kind] zijn gewone verblijfplaats in Tunesië heeft en Tunesië geen verdragsluitende staat is, is dit verdrag niet van toepassing op het onderhavige verzoek. Nu [het kind] niet in een verdragstaat woont, de Nederlandse rechter geen rechtsmacht kan ontlenen aan de Brussel II-Verordening en [het kind] zijn verblijfplaats niet in een EU-lidstaat heeft, moet de rechtsmacht van de Nederlandse rechter worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 Rv. Ingevolge artikel 4 lid 3 aanhef onder b Rv. heeft de Nederlandse rechter die rechtsmacht met betrekking tot een echtscheidingsverzoek heeft, tevens rechtsmacht ter zake een daarmee samenhangende nevenvoorziening, met dien verstande dat met betrekking tot verzoeken tot regeling van het gezag en het omgangsrecht de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart indien hij zich, wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. [het kind], die in Tunesië is geboren, heeft slechts in Nederland verbleven vanaf dat hij twee maanden oud was tot dat hij ongeveer zes maanden oud was. Hij woont sedertdien in Tunesië bij zijn moeder. [het kind] is nu ruim drie jaar oud. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vader aangegeven dat ook in Tunesië een echtscheidingsprocedure aanhangig is gemaakt en dat de rechter in Tunesië een voorlopige omgangsregeling tussen hem en [het kind] heeft vastgesteld. De vader gaat ongeveer 4 keer per jaar naar Tunesië en hij heeft dan een heel beperkte, begeleide omgang met [het kind]. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat sprake is van een situatie als hiervoor omschreven in artikel 4 lid 3 onder b Rv, zodat hij zich niet bevoegd zal verklaren van het verzoek van de vader kennis te nemen.

4 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 6 juli 2006 en, opnieuw beschikkende:

verklaart zich niet bevoegd om van het verzoek van de man kennis te nemen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Zutphen, Mens en Keulen en is op 17 juli 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.