Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB1402

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
1206/2006
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging Duitse alimentatiebeslissing; verjaring, verval, strijd met Nederlandse openbare orde?

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen, 's-Gravenhage, 02-10-1973
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/114
JIN 2007/417
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juli 2007

Familiekamer

Rekestnummer 1206/2006

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen,

gevestigd te Gouda,

verzoeker, verder te noemen “het LBIO”,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “de man”,

procureur mr. P.A.C. de Vries.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Almelo van 1 november 2006, uitgesproken onder zaaknummer 78924 / KG RK 06-305 (EG).

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift ingekomen ter griffie van het hof op 28 november 2006 is het LBIO in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Het LBIO verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van de Urkunden van het Stadt Jugendamt [plaatsnaam] van 15 februari 1996 en 7 december 1999 toe te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

2.2 Bij verweerschrift ingekomen per fax ter griffie van het hof op 20 december 2006 heeft de man het verzoek in hoger beroep van het LBIO bestreden. De man verzoekt het hof de grieven van het LBIO ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van het LBIO in de kosten van het geding in eerste aanleg en het geding in hoger beroep.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 13 maart 2007 plaatsgevonden. Namens het LBIO is verschenen [A.]. De man is in persoon verschenen, bijgestaan mr. D.A. Klüsener, advocaat te Hengelo (O). Dhr. [A.] en mr. Klüsener hebben daarbij pleitnotities overgelegd.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een tweetal brieven met bijlagen van het LBIO van 29 januari 2007 en 2 maart 2007 en een faxbericht met bijlage van het LBIO van 9 maart 2007.

3 De vaststaande feiten

3.1 Uit [de vrouw], verder te noemen “de vrouw” is op [geboortedatum] 1990 geboren [het kind], verder te noemen “[het kind]”. De man, geboren op 9 augustus 1931, is de vader van [het kind].

3.2 Het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] heeft in een stuk genaamd Anerkenntniserklärung nach § § 1600 a ff. BGB und Verpflichtungserklärung zur Zahlung des Regelunterhalts van 28 augustus 1990 ten laste van de man een bijdrage in de verzorging en opvoeding van [het kind] vastgesteld van DM 271,- per maand tot en met het zesde levensjaar van [het kind], respectievelijk DM 334,- per maand van het zevende tot en met het twaalfde levensjaar van [het kind] en DM 400,- per maand van het dertiende tot en met het achttiende levensjaar van [het kind].

3.3 In een stuk genaamd Urkunde über die Abänderung eines Unterhalts-Titels (Regelunterhalt) van 26 mei 1992 heeft het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] gewijzigd in DM 309,- per maand tot en met het zesde levensjaar van [het kind], respectievelijk DM 382,- per maand van het zevende tot en met het twaalfde levensjaar van [het kind] en DM 458,- per maand van het dertiende tot en met het achttiende levensjaar van [het kind].

3.4 In een stuk genaamd Urkunde über die Abänderung eines Unterhalts-Titels (Regelunterhalt) van 15 februari 1996 heeft het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] gewijzigd in DM 249,- per maand tot en met het zesde levensjaar van [het kind], respectievelijk DM 324,- per maand van het zevende tot en met het twaalfde levensjaar van [het kind] en DM 402,- per maand van het dertiende tot en met het achttiende levensjaar van [het kind].

3.5 Bij brief van 5 juli 1996 heeft dhr. [B.] (hierna: [B.]) namens het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] de man naar aanleiding van een onderhoud met hem aangeschreven. In deze brief heeft [B.] – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

(…)

“Sie gaben an, daß Sie zur Zeit und ach auf Dauer nur noch ein mtl. Einkommen von 1.344,58 DM hfl. Erhalten.

Aufgrund dieses Einkommens können Sie den Regelunterhalt von 249,- DM für [het kind] nich mehr entrichten.

Ich bitte jedoch noch um Mitteilung, ob Sie freiwillig einen mtl. Betrag für [het kind] nach hier dennoch zahlen könnten.”

(…)

3.6 Bij brief van 10 juli 1997 heeft [B.] namens het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] de man aangeschreven. In deze brief heeft [B.] – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

(…)

“in der o.g. Amtspflegeschaftsangelegenheit bitte ich Sie, sich mit mir in den nächsten Tagen in Verbindung zu setzen. Eventuell besteht von hier die Möglichkeit, den Unterhalt herabzusetzen, da Sie nur eine geringe Rente erhalten".

(…)

3.7 Bij brief van 29 juli 1997 heeft [B.] namens het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] de man naar aanleiding van een onderhoud met de man aangeschreven. In deze brief heeft [B.] – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

(…)

“hiermit nehme ich Bezug auf Ihre Vorsprache am 23.07.1997 und bitte Sie weiterhin 100,00 DM monatlich an das Jugendamt der Stadt [plaatsnaam] zu überweisen. Wie Sie angegeben haben beträgt Ihr monatliches Gesamteinkommen 1570,22 hfl. Dieses einkommen entspricht 1393,07 DM. Ihr selbstbehalt liegt bei 1300.00 DM. Somit empfehle ich Ihnen weiterhin die 100,00 DM Unterhalt nach hier zu zahlen.”

(…)

3.8 Bij brief van 16 juli 1998 heeft [B.] namens het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] de man naar aanleiding van een onderhoud met de man aangeschreven. In deze brief heeft [B.] – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:

(...)

“Sie gaben an ein monatliches Gesamteinkommen von 1.570,22 hfl. zu erzielen. Dieser Betrag ergibt zur Zeit 1.413,22 DM. (…)

Ich bitte Sie daher den Dauerauftrag von mtl. 100 DM nicht zu löschen, sondern weiterhin mtl. 100 DM nach hier wie bisher zu überweisen.“

3.9 In de brief van 1 juni 1999 van de man (naar het hof begrijpt: aan het Jugendamt Stadt [plaatsnaam B]) is – voor zover thans van belang – het volgende opgenomen:

(…)

“Zur Zeit zahle Ich 100 DM Unterhalt für [het kind] an das Jugendamt [plaatsnaam B].

Mehr kann ich leider nicht zahlen.

Mein Einkommen beträgt zur Zeit mtl. 1.700 hfl ”

(…)

3.10 In een stuk genaamd Urkunde über die Abänderung des Regelunterhalts in Regelbetrag van 7 december 1999 heeft het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] verhoogd naar 100% van de toenmalige Regelbetragverordnung. De bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] is blijkens dit stuk vastgesteld op DM 431,- per maand voor de periode 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2002, respectievelijk DM 510,- per maand voor de periode 1 juli 2002 tot en met 23 juli 2008.

3.11 Bij verzoekschrift, ingekomen op de rechtbank op 6 juni 2006, heeft het LBIO verzocht een verlof tenuitvoerlegging te verlenen van de hiervoor bij 3.4 en 3.10 genoemde Urkunden van 15 februari 1996 en 7 december 1999 en de man te veroordelen in de kosten van het geding.

3.12 Bij bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek verlof tot tenuitvoerlegging van het LBIO afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Tussen partijen staat vast dat het Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen (‘s-Gravenhage) van 2 oktober 1973 (verder te noemen: het Verdrag), dat zowel door Duitsland als door Nederland is ondertekend, van toepassing is in deze zaak.

4.2 Artikel 4 van het Verdrag bepaalt – voor zover hier van belang – dat de in een Verdragsluitende Staat gegeven beslissing in een andere Verdragsluitende Staat moet worden erkend of uitvoerbaar verklaard indien:

1. zij is gegeven door een autoriteit die als bevoegd wordt beschouwd in de zin van artikel 7 of 8;

2. daartegen in de Staat van herkomst geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend.

4.3 In artikel 7 lid 3 van het Verdrag is vermeld dat de autoriteit van de Staat van herkomst bevoegd wordt geacht in de zin van het Verdrag indien de verweerder zich heeft onderworpen aan de bevoegdheid van deze autoriteit, uitdrukkelijk dan wel door verweer ten gronde te voeren zonder voorbehoud ten aanzien van de bevoegdheid.

4.4 Het hof overweegt als volgt. Het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] moet worden aangemerkt als de ter zake bevoegde autoriteit in de zin van het Verdrag. Uit de hiervoor onder 3.5 tot en met 3.9 vermelde correspondentie met [B.], Amtspfleger van het Jugendamt Stadt [plaatsnaam], blijkt niet dat de man een voorbehoud ten aanzien van de bevoegdheid van het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] heeft gemaakt en ook overigens is niet van een dergelijk voorbehoud gebleken. Nu de in voormelde Urkunden gegeven beslissingen zijn gegeven door een bevoegde autoriteit in de zin van artikel 7 lid 3 van het Verdrag en verder niet is gesteld of is gebleken dat tegen deze beslissingen in de Staat van herkomst (Duitsland) een gewoon rechtsmiddel kan worden aangewend, volgt daaruit dat ingevolge artikel 4 van het Verdrag de in Duitsland gegeven beslissingen van 15 februari 1996 en 7 december 1999 in Nederland moeten worden erkend of uitvoerbaar verklaard zonder dat deze beslissing inhoudelijk wordt beoordeeld.

4.5 Ingevolge artikel 5 van het Verdrag kan de erkenning of tenuitvoerlegging van de beslissing niettemin worden geweigerd indien:

1. de erkenning of tenuitvoerlegging van de beslissing klaarblijkelijk onverenigbaar is met de openbare orde van de aangezochte Staat; of

2. de beslissing werd verkregen door bedrog of arglist in de procedure; of

3. een geschil tussen dezelfde partijen en betreffende hetzelfde onderwerp aanhangig is voor een autoriteit van de aangezochte Staat en daarbij het eerst is aanhangig gemaakt; of

4. de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp gegeven beslissing, welke is gegeven in de aangezochte Staat, hetzij in een andere Staat, mits zij in het laatste geval voldoet aan de voorwaarden vereist voor haar erkenning en tenuitvoerlegging in de aangezochte Staat.

4.6 Het LBIO heeft in hoger beroep de volgende drie grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd:

1. Ten onrechte heeft de rechtbank in de bestreden beschikking aangenomen dat er sprake is van “Volstreckungsverjährung” naar Duits recht;

2. Ten onrechte heeft de rechtbank in de bestreden beschikking aangenomen dat er sprake is van “Verwirkung” (verval) naar Duits recht;

3. Ten onrechte heeft de rechtbank in de bestreden beschikking gesteld dat de tenuitvoerlegging van de voormelde Urkunden van 15 februari 1996 en 7 december 1999 onverenigbaar is met de openbare orde van Nederland, omdat het niet zou aangaan over te gaan tot executie van een “oude” beschikking nadat tussen partijen, waarbij de vrouw rechtmatig vertegenwoordigd werd door een derde, een alimentatie is afgesproken die afwijkt van de eerder vastgestelde alimentatie.

4.8 Het hof stelt voorop dat het invorderen van gelden op basis van buitenlandse beslissingen die naar het nationale recht reeds zijn verjaard of ten aanzien waarvan de gerechtigde zijn rechten heeft verwerkt of daarvan afstand heeft gedaan, is aan te merken als strijdig met de Nederlandse openbare orde.

Ten aanzien van de eerste grief van het LBIO overweegt het hof als volgt. Het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] vordert via het LBIO het door de man op grond van voormelde Urkunden van 15 februari 1996 en 7 december 1999 te weinig betaalde aan onderhoud in. Het hof is van oordeel dat deze vordering niet is verjaard. Zowel naar oud als naar nieuw Duits recht zijn aanspraken tussen ouders en kinderen gedurende de minderjarigheid van het kind “gehemmt” (par. 207, lid 1 onder 2 BGB). Nu vaststaat dat [het kind] nog geen 18 jaar is, kunnen de onderhoudsaanspraken van haar dus niet zijn verjaard. Weliswaar heeft de advocaat van de vader nog betoogd dat in Urkunden vervatte vorderingen eigen verjaringstermijnen kennen, maar nu ook in de Urkunden slechts de onderhoudsaanspraken van het kind jegens de vader zijn vastgelegd, valt niet in te zien waarom de regel van par. 207, lid 1 onder 2 BGB dan niet zou gelden. Grief 1 slaagt derhalve.

4.9 Ten aanzien van de tweede grief van het LBIO overweegt het hof als volgt. De man heeft ten aanzien van de vordering van het Jugendamt Stad [plaatsnaam] een beroep gedaan op “Verwirkung”, omdat, aldus de man, hij met het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] via [B.] nadere afspraken heeft gemaakt over de (hoogte van de) onderhoudsbijdragen. Naar Duits recht geldt in dit verband onder meer de eis dat de man er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [het kind] als onderhoudsgerechtigde geen aanspraak meer zou maken op haar onderhoudsaanspraak voortvloeiend uit voormelde Urkunden van 15 februari 1996 en 7 december 1999. De daarvan afwijkende afspraken zijn vastgelegd in de brieven van het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] aan de man van 29 juli 1997 en 16 juli 1998 – dus nadat de man op 9 augustus 1996 65 was geworden en aanspraak kreeg op AOW – waaruit blijkt dat de man destijds totale maandinkomsten aan het Jugendamt heeft opgegeven van ƒ 1.570,22. De man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof gemeld dat hij momenteel een netto maandinkomen uit diverse pensioenfondsen (PGGM, SWE en ABP) ontvangt van € 2.100,-. De man heeft voorts aangegeven dat zijn inkomsten uit pensioen sinds zijn 65e levensjaar onveranderd zijn.

Nu de man in juli 1997 en juli 1998 aan het Jugendambt Stadt [plaatsnaam] blijkbaar heeft medegedeeld (slechts) ƒ 1.570,22 aan inkomsten te ontvangen, moet het ervoor worden gehouden dat hij aan het Jugendamt alleen zijn inkomsten uit AOW heeft opgegeven en dat hij dus zijn aanvullende pensioenen heeft verzwegen. In het feit dat de man ook in zijn brief van 1 juni 1999 aan het Jugendamt Stadt [plaatsnaam B] vermeldt slechts over maandelijkse inkomsten van ƒ 1.700,- te beschikken, is daarvoor bevestiging te vinden. Het is de man te verwijten dat hij een belangrijk deel van zijn maandinkomen ten opzichte van de bevoegde Duitse instantie heeft verzwegen. Reeds het feit dat de nadere afspraken met het Jugendamt Stadt [plaatsnaam] tot stand zijn gekomen op basis van onvolledige informatie van hemzelf, maakt dat de man er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat (de moeder van) [het kind] geen aanspraken zou maken op de haar toekomende alimentatie, nog daargelaten dat ook uit niets blijkt dat [het kind] met deze afspraken ooit heeft ingestemd. Grief 2 slaagt eveneens.

Tot slot heeft de man nog aangevoerd dat het strijdig is met de Nederlandse openbare orde dat op basis van (oude) Urkunden wordt ingevorderd, terwijl er daarna andersluidende (nadere) afspraken zijn gemaakt. Dit verweer faalt. Die afspraken zijn immers tot stand gekomen op basis van onvolledige informatie van de man. Niet valt in te zien waarom het in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde om alsnog volledige betaling van de verschuldigde alimentatie te vorderen. Daarmee slaagt ook grief 3.

4.10 Nu niet is gebleken dat de tenuitvoerlegging van voormelde Urkunden van 15 februari 1996 en 7 december 1999 onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde, en overige feiten of omstandigheden die ingevolge artikel 5 van het Verdrag in de weg staan aan een tenuitvoerlegging van deze Urkunden niet zijn gesteld of gebleken, zal het hof het verzoek van het LBIO om verlof tot tenuitvoerlegging daarvan toewijzen.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen.

5.2 Het hof zal de man als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen. Die kosten zal het hof op nihil bepalen, nu niet gebleken is dat het LBIO bijstand van een procureur genoot en evenmin dat zij griffierechten of andere verschotten heeft betaald.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 1 november 2006, en opnieuw beschikkende:

verleent aan het LBIO verlof tot tenuitvoerlegging van de ten laste van de man gegeven beslissingen in de Urkunden van het Jugendamt Stad [plaatsnaam] van 15 februari 1996 en 7 december 1999;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in beide instanties aan de zijde van het LBIO bepaald op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Vaessen, Wammes en Wefers Bettink en is op 17 juli 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.