Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB0997

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-07-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
06-00125
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2006:AV7741, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Geen verlies terzake van door aanmerkelijkbelangaandeelhouder aan zijn vennootschap ter beschikking gesteld horecapand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/2.19 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1481
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 06/00125

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 22 februari 2006, nr. AWB 05/2140, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur van de Belastingdiens te P (hierna: de Inspecteur) betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar onder meer een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.317.

1.2. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Bij uitspraak van 22 februari 2006 heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgehad op 20 juni 2007 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, diens gemachtigde alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnotitie voorgedragen en afschriften daarvan overgelegd aan het Hof en aan zijn wederpartij. De inhoud van beide pleitnota’s dient hier als herhaald en ingelast te worden aangemerkt.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende bezit 100 percent van de aandelen in X Holding BV. Deze vennootschap houdt alle aandelen in A BV.

2.2. Belanghebbende heeft in 1998 in privé de eigendom van de onroerende zaak aan de a-straat 1 te Q, een voormalig landhuis, (hierna: het pand) verworven voor een bedrag van 0 1.450.000. Met ingang van 1 maart 1998 heeft belanghebbende het pand verhuurd aan A BV voor een huursom van 0 144.000 per jaar. Per 1 januari 2001 bedroeg de huur per jaar ongeveer een bedrag van 0 150.000. A BV bezigde het pand in het kader van haar bedrijfsuitoefening als evenementenlocatie (organisatie van zakelijke en feestelijke bijeenkomsten). In de algemene bepalingen van de huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Einde huurovereenkomst of gebruik

5.1. Huurder is verplicht bij het einde van de huurovereenkomst, alsmede bij het beëindigen van het gebruik, het gehuurde ten genoegen van verhuurder in de oorspronkelijke staat (…) aan verhuurder op te leveren (…). Huurder is verplicht alle zaken die door hem in, aan of op het gehuurde zijn aangebracht (…) op eigen kosten te verwijderen tenzij partijen ter zake anders overeenkomen. Voor niet verwijderde zaken is verhuurder geen enkele vergoeding verschuldigd

5.2. (…)

5.3. Alle goederen waarvan huurder kennelijk afstand heeft gedaan door deze in het gehuurde achter te laten bij het daadwerkelijk verlaten van het gehuurde, kunnen door verhuurder, naar verhuurders inzicht, zonder enige aansprakelijkheid zijnerzijds, op kosten van huurder worden verwijderd (...).”.

2.3. A BV heeft in de jaren 1998, 1999 en 2000 met betrekking tot het pand omvangrijke investeringen gedaan. Zij heeft die investeringen in haar balans op de actiefzijde opgenomen onder de post “inventaris” respectievelijk onder de post “verbouwingskosten”. Zij heeft in genoemde jaren op die actiefposten afgeschreven. De investeringen hadden onder meer betrekking op de keukeninrichting, bars, haarden, schouwen, aircovoorzieningen en sanitaire voorzieningen.

2.4. Belanghebbende heeft het pand eind 2000 laten taxeren door B, makelaar in onroerend goed en beëdigd taxateur. Zij kende aan het pand een waarde in het economische verkeer vrij van huur en gebruik per 14 december 2000 toe van 0 3.800.000. Bij deze taxatie zijn bedoelde door A BV gedane investeringen in aanmerking genomen. Voorts is de taxateur van een horecabestemming van het pand uitgegaan.

2.5. Belanghebbende heeft het pand op 2 mei 2001 vrij van verhuur en gebruik verkocht aan een derde voor een bedrag van 0 3.000.000. In de desbetreffende koopovereenkomst is vermeld dat de in de koop begrepen roerende zaken door de koper worden gewaardeerd op 0 100.000. In de verkoop zijn niet begrepen de door A BV aangeschafte zaken/investeringen, zoals onder meer bars, airco, keukeninrichting, haarden, schouwen en sanitaire voorzieningen. Deze zijn vóór de levering van het pand aan de derde uit het pand verwijderd en separaat voor rekening van A BV verkocht.

2.6. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 heeft belanghebbende ter zake van de terbeschikkingstelling van het pand aan A BV een negatief belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden van 0 835.392 in aanmerking genomen. Daarbij is belanghebbende onder meer uitgegaan van een boekverlies van 0 800.000 bij de verkoop van het pand, te weten 0 3.000.000 verkoopprijs verminderd met de waarde van het pand per 1 januari 2001 van 0 3.800.000.

2.7. Bij het vaststellen van de onderwerpelijke aanslag heeft de Inspecteur het boekverlies van 0 800.000 niet geaccepteerd. Hiertegen heeft belanghebbende tevergeefs bezwaar bij de Inspecteur en beroep bij de Rechtbank aangetekend.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht bedoeld boekverlies, door belanghebbende nader becijferd op 0 900.000, niet in aanmerking heeft genomen. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag voor welke waarde het pand in het kader van de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling op de openingsbalans per 1 januari 2001 van belanghebbende dient te worden opgenomen. Belanghebbende bepleit, onder verwijzing naar het taxatierapport van B, een waarde van 0 3.800.000. De Inspecteur verdedigt daarentegen het standpunt dat de gezochte waarde niet hoger is dan de op 2 mei 2001 gerealiseerde verkoopprijs van 0 3.000.000.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder eerdergenoemde pleitnota’s. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting nog hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert – primair – tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank en van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit (onder meer) werk en woning van negatief 0 734.024. Subsidiair bepleit belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van 0 65.976.

3.4. De Inspecteur concludeert daarentegen tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge het per 1 januari 2001 in werking getreden artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) is belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren.

4.2. Onder een werkzaamheid wordt, zo volgt uit artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet, mede verstaan – voor zover te dezen van belang – het rendabel maken van vermogensbestanddelen voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet.

4.3. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat de verhuur door belanghebbende van het pand aan A BV valt onder de reikwijdte van de in overweging 4.2 genoemde bepaling.

4.4. In het overgangsrecht, artikel I, onderdeel AJ van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, is bepaald dat voorzover vermogensbestanddelen op grond van artikel 3.92 van de Wet bij het begin van het kalenderjaar 2001 tot een werkzaamheid worden gerekend, deze bij het begin van het kalenderjaar 2001 te boek worden gesteld voor de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip.

4.5. Ter beantwoording van de partijen verdeeld houdende vraag welke waarde in dezen per 1 januari 2001 in aanmerking moet worden genomen, dient vooreerst te worden bezien welke vermogensbestanddelen door belanghebbende aan A BV ter beschikking zijn gesteld. In dit verband is van belang dat vermogensbestanddelen, of zij nu als roerend dan wel als onroerend moeten worden gekwalificeerd, niet als ter beschikking gesteld in de zin van artikel 3.92 van de Wet kunnen worden aangemerkt, indien het volledige economische belang bij die vermogensbestanddelen niet de ter beschikking stellende belastingplichtige aangaat maar de vennootschap. Alsdan behoren die vermogensbestanddelen immers niet tot het vermogen van de ter beschikking stellende aanmerkelijkbelangaandeelhouder. Niet in geschil is dat A BV in de jaren 1998, 1999 en 2000 omvangrijke investeringen – onder meer airco, sanitaire voorzieningen, keukeninrichting, haarden, schouwen en verbouwingen – met betrekking tot het pand heeft gedaan. Het Hof acht, gelet op bijlage negen van het hoger beroepschrift van belanghebbende, aannemelijk dat bedoelde door A BV gedane investeringen ten minste een bedrag van 0 700.000 hebben belopen. Zij heeft die investeringen tot haar bedrijfsvermogen gerekend en daarop in genoemde jaren afgeschreven. Voorts heeft zij die vermogensbestanddelen bij het beëindigen van de huurovereenkomst, overeenkomstig de algemene bepalingen van de huurovereenkomst, uit het pand verwijderd en voor haar rekening verkocht. Een en ander leidt naar het oordeel van het Hof tot de gevolgtrekking dat belanghebbende die betreffende vermogensbestanddelen – de huurdersinvesteringen – niet ter beschikking aan A BV heeft gesteld in de zin van artikel 3.92 van de Wet.

4.6. In aanmerking genomen dat de waardebepaling van het pand in het taxatierapport van B mede betrekking heeft op bedoelde huurdersinvesteringen, kan dit taxatierapport reeds hierom niet als grondslag dienen ter bepaling van de gezochte waarde per 1 januari 2001. Voorts is genoemde taxateur eraan voorbijgegaan dat het pand in verhuurde staat verkeerde.

4.7. Nu, zoals hiervóór is overwogen, de huurdersinvesteringen bij de waardering per 1 januari 2001 niet in aanmerking dienen te worden genomen en zij niet in de verkoop van 2 mei 2001 zijn begrepen, acht het Hof, anders dan belanghebbende betoogt, aannemelijk dat voor de toepassing van artikel 3.92 van de Wet de staat van het op 2 mei 2001 aan de derde verkochte pand overeenstemde met de staat van het door belanghebbende op 1 januari 2001 aan A BV ter beschikking gestelde pand, met dien verstande echter dat het pand per 1 januari 2001 verhuurd was en de koop betrekking had op het pand vrij van verhuur en gebruik.

4.8. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in een geval, zoals hier, een belastingplichtige een onroerende zaak kort na de peildatum (hier: 1 januari 2001) heeft verkocht, in de regel ervan moeten worden uitgegaan dat de waarde in het economische verkeer overeenkomt met de door de belastingplichtige kort na deze peildatum overeengekomen verkoopprijs, zulks tenzij de partij die zich daarop beroept feiten en omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit volgt dat de verkoopsom niet de waarde weergeeft.

4.9. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat de ter zake van het pand gerealiseerde verkoopprijs lager is dan de waarde in het economische verkeer ervan omdat sprake was van een verkoopdruk wegens slechte financiële omstandigheden. Het Hof acht, gelijk de Inspecteur kennelijk bepleit, die stelling niet aannemelijk geworden. In de eerste plaats blijkt uit de stukken van het geding (bijlage 8 van het hoger beroepschrift) immers dat de terbeschikkingstelling van de onderhavige vermogensbestanddelen door belanghebbende aan A BV in 2001 voor belanghebbende, de verkoopkosten buiten aanmerking latend, een positief resultaat opleverde. In de tweede plaats heeft A BV de tot augustus 2001 verschuldigde huurpenningen aan belanghebbende voldaan.

4.10. Belanghebbende heeft in dit kader voorts erop gewezen dat op 1 januari 2001 een horecabestemming op het pand rustte, terwijl de koper aan het pand, kort gezegd, een woonbestemming wenste te geven. Ook deze stelling rechtvaardigt niet de conclusie dat de betaalde koopsom niet overeenkomt met de waarde in het economische verkeer. In dit verband verdient opmerking dat ten tijde van het sluiten van de obligatoire overeenkomst er nog geen bestemmingswijziging had plaatsgevonden. Voorts acht het Hof niet aannemelijk dat een verkoop van het pand met de bestemming horeca een hogere prijs zou hebben opgeleverd dan bij een verkoop van het pand met woonbestemming. Zulks staat haaks op het betoog van belanghebbende dat hij de derde exploitant op rij was die er niet in slaagde de horecagelegenheid winstgevend te exploiteren.

4.11. Belanghebbende is er niet in geslaagd feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat de gerealiseerde verkoopprijs lager is dan de waarde in het economische verkeer.

4.12. Belanghebbende heeft subsidiair aangevoerd dat van de koopsom van 0 3.000.000 een bedrag van 0 100.000 betrekking heeft op overgenomen roerende zaken (kroonluchters, tuinlantaarns en vijverattributen), zodat de waarde van het pand een bedrag van 0 2.900.000 beloopt. Die stelling snijdt geen hout. In dezen gaat het immers om de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen door de aanmerkelijkbelangaandeelhouder aan zijn vennootschap. Die vermogensbestanddelen kunnen zowel onroerend als roerend van aard zijn. Nu belanghebbende de gestelde tot het pand behorende roerende zaken voor zijn rekening – in privé – heeft verkocht aan de derde, mag worden aangenomen dat deze roerende zaken door hem ter beschikking waren gesteld aan A BV en derhalve binnen het toepassingsbereik van artikel 3.92 van de Wet vallen. Ten overvloede zij voorts nog opgemerkt dat het Hof, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, onvoldoende aannemelijk acht dat tussen belanghebbende en de derde daadwerkelijk een prijs van 0 100.000 is overeengekomen voor te leveren roerende zaken.

4.13. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 30 juli 2007 te Arnhem door mr. R. den Ouden, voorzitter, en mr. J. van de Merwe en mr. J.W. Zwemmer, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De voorzitter,

De griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 juli 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.