Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB0970

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-07-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
2006/282
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2004:AR3224, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof kan [appellant] in haar verhouding tot de gemeente in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billlijkheid geen beroep meer doen op het [verweer dat de grond niet verontreinigd was].

Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking. [appellant] wist reeds in 1999 dat de gemeente de van de aarden wal afkomstige grond op het perceel van [appellant], op basis van de onderzoeksrapporten die de gemeente ook aan hem had toegezonden (en naar aanleiding waarvan [appellant] aan de gemeente had laten weten vanwege de saneringskosten niet aan de voorgenomen sanering te willen meewerken), als asbesthoudend beschouwde. In juni 2000 heeft [appellant] deze verdachte grond op het perceel van de gemeente gedeponeerd. Vervolgens heeft de gemeente [appellant] bij brieven van 25 juli 2000 en 9 augustus 2000 opgeroepen aan te tonen dat hij de van zijn perceel verwijderde grond voordien op verantwoorde wijze had laten saneren, dan wel dat hij alsnog voor een verantwoorde sanering zou zorgen, bij gebreke waarvan de gemeente de kosten voor afvoer op [appellant] zou verhalen. Bij brief van 14 augustus 2000 heeft de gemeente de verwijdering en sanering door een, door haar daartoe aangewezen saneringsbedrijf, aangekondigd en is [appellant] opnieuw in de gelegenheid gesteld de grond zelf te laten afvoeren door een erkend saneringsbedrijf. Vaststaat dat [appellant] deze brieven heeft ontvangen. [appellant] heeft op deze brieven slechts gereageerd met een voorstel de gedeponeerde grond zelf terug te schuiven. Voorts staat vast dat [appellant] aan de gemeente niet heeft meegedeeld om zelf een (tegen)onderzoek te willen laten uitvoeren. Gesteld noch gebleken is dat [appellant], tussen het depot en de verwijdering daarvan, de uitkomst van de van de in opdracht van de gemeente verrichte onderzoeken heeft betwist, terwijl hij wist dat de wens van de gemeente tot verwijdering en sanering van het depot op deze onderzoeken was gebaseerd. Daar komt bij dat de gemeente onbetwist heeft gesteld dat na verwijdering omtrent de verontreiniging van het depot “niets meer opnieuw te controleren valt” (pleitnota eerste aanleg, nr. 2.2).

Naar het oordeel van het hof mocht de gemeente onder deze omstandigheden erop vertrouwen dat [appellant] na afvoer van het depot niet alsnog de asbestonderzoeken in twijfel zou trekken. Door destijds geen bezwaar te maken tegen de onderzoeken maar daarmee te wachten tot na de verwijdering en sanering van de grond heeft [appellant], naar het oordeel van het hof, de positie van de gemeente, zoals de gemeente ook heeft gesteld, onredelijk benadeeld. Feitelijk onderzoek van de grond is nu immers niet meer mogelijk, waardoor het voor de gemeente lastig is de juistheid van de resultaten van de in haar opdracht uitgevoerde onderzoeken nader aan te tonen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2007/63

Uitspraak

24 juli 2007

derde civiele kamer

rolnummer 2006/282

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Dronten,

zetelende te Dronten,

geïntimeerde,

procureur: mr. L. Paulus.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 22 september 2004 en van 7 september 2005 die de rechtbank Zwolle-Lelystad tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie en geïntimeerde (hierna ook te noemen: de gemeente) als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie heeft gewezen; van deze vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 7 december 2005 de gemeente aangezegd van de vonnissen van 22 september 2004 en 7 september 2005 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de gemeente voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] achttien grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, producties in het geding gebracht en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof, bij uitvoerbaar verklaard arrest, de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de gemeente alsnog zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 6.268,--, met wettelijke rente vanaf 15 juni in 2000 althans vanaf 17 december 2003, de gemeente zal veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van [naar het hof begrijpt:] het vonnis van 7 september 2005 aan de gemeente heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen, met wettelijke rente vanaf de dag van betaling, met veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de gemeente de grieven bestreden, producties in het geding gebracht en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de vorderingen van [appellant] zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van [naar het hof begrijpt:] het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen, na ieder nog een akte te hebben genomen, de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 september 2005 onder 1.1 t/m 1.9 feiten vastgesteld. Door [appellant] is tegen deze feitenvaststelling een grief (grief 1) aangevoerd. Hieronder zullen de feiten – met inachtneming van de door [appellant] gewenste aanvullingen, voorzover deze tussen partijen vaststaan – opnieuw worden vastgesteld. De grief zal voor het overige onder 4 worden besproken.

Als niet bestreden staan tussen partijen in hoger beroep de volgende feiten vast.

3.2 [appellant] is eigenaar van een perceel grond gelegen bij de splitsing van de [weg A] en de [weg B] te [plaatsnaam]. Dat perceel is rechthoekig, behoudens dat het ter hoogte van de uitmonding van de [weg B] in de [weg A] enigszins is afgehoekt. De gemeente is eigenaar van een strook grond gelegen tussen het perceel van [appellant] en de twee genoemde wegen. Deels op het terrein van [appellant] en op de strook van de gemeente lag – aan de kopse zijde van het terrein – een aarden wal.

3.3 De gemeente is in 1999 met instemming van [appellant] begonnen met het opruimen en verwijderen van die wal, omdat zij daar een groenstrook wilde aanleggen. Het terrein van [appellant] lag toen braak. Op vrijwel het gehele terrein van [appellant] lagen betonplaten, die gedeeltelijk met grond waren bedekt.

3.4 Vervolgens bleek dat asbestverdachte plaatdeeltjes in en op de grond aanwezig waren. Ingenieursbureau Witteveen en Bos heeft de aarden wal en het terrein van [appellant] onderzocht en heeft op 5 juli 1999 over het door haar verrichte onderzoek gerapporteerd. Ingenieursbureau Broomans heeft nader onderzoek verricht en daarover op 7 oktober 1999 gerapporteerd. Voor de analyse heeft Broomans Envico ingeschakeld, een daartoe gecertificeerd en erkend bedrijf.

3.5 Het rapport van Broomans van 7 oktober 1999 (prod. 2 bij inleidende dagvaarding) vermeldt onder meer het volgende:

“Samenvatting onderzoeksresultaten

Het gehele afgebakende terrein is door ons visueel onderzocht op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Hierbij hebben wij een groot aantal kleine asbesthoudende plaatrestanten aangetroffen. Door de dichte begroeiing zijn niet alle asbestresten waarneembaar. De situatie is wel voldoende duidelijk om tot betrouwbare advisering te komen. De waargenomen aantallen zoals aangegeven in hoofdstuk 4 zijn in werkelijkheid groter.

Aan de noord-westkant van het terrein is een verharding zichtbaar in de vorm van een betonvloer (foto 4). Opmerkelijk is dat tijdens het onderzoek is gebleken dat deze betonvloer zich over het grootste deel van het terrein uitstrekt, zij het dat deze merendeels is bedekt met een laag grond variërend in dikte van 0 tot ca. 25 cm.

Voorts hebben wij op 5 locaties, verspreid op het terrein, grondmonsters genomen. Bij analyse van deze monsters is eveneens asbesthoudend materiaal aangetroffen. Deze analyse is uitgevoerd op basis van NEN 5897 middels lichtmicroscopie en electronenmicroscopie.

Wij adviseren het terrein afgesloten te houden of te saneren.

(…)

Analyse grondmonsters

De hoeveelheid grondmonsters en de wijze van bemonsteren is uitgevoerd conform NEN-5897. De grondmonsters zijn onderzocht door een Sterlab geaccrediteerd asbestlaboratorium, t.w. Envico Environmental Consult” gevestigd te Axel. Analyse heeft plaatsgevonden middels lichtmicroscopie, ondersteund met electronenmicroscopie”

3.6 Broomans heeft tevens een kostenraming gemaakt voor de sanering.

3.7 [appellant] heeft te kennen gegeven het geraamde bedrag niet te kunnen of willen betalen en heeft zijn terrein in april 2000 met hekken afgezet. Met de (voormalige) wal is tussen november 1999 en september 2000 niets gedaan.

3.8 Begin juni 2000 heeft [appellant] met een shovel de bovenste grondlaag van zijn terrein afgeschraapt en deze grond op een hoop geschoven aan de zijde waar de onder 3.2 genoemde aarden wal lag.

3.9 Op 3 juli 2000 heeft Broomans opnieuw de grond onderzocht. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft Broomans in een briefrapport van 4 juli 2000 geschreven:

“De volgende wijzigingen zijn van toepassing:

- De vervuiling over het gehele terrein is op het particuliere gedeelte verplaatst naast de opslag op gemeente grond, de grote van de nieuwe (bijgekomen) opslag bedraagt ca 400 tot 450 ton.

- De grond verspreid over het particuliere gedeelte is nu verminderd tot een laag dikte variërend van 1 tot 5 cm dikte en deze laag is op diverse plaatsen nog steeds besmet.

Aan de hand van deze wijzigingen moeten wij nog steeds vaststellen dat het gehele terrein nog steeds vervuild is en gereinigd moet worden. En dat de asbesthoudende grond alleen gedeeltelijk verplaatst is van de particuliere grond naar de gemeente grond, waardoor het depot groter is geworden.”

3.10 De gemeente heeft naar aanleiding van het door [appellant] verrichte gronddepot een viertal brieven aan [appellant] verstuurd, die door hem zijn ontvangen (de brieven van 25 juli, 9, 14 en 24 augustus 2000 (conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, prod. 2-5).

3.11 [appellant] heeft tegen een gemeenteambtenaar gezegd dat hij de opgeschoven grond wel wilde terugschuiven, maar de gemeente gaf aan dat alleen goed te vinden indien er een plan van aanpak zou komen, waaruit zou blijken dat de sanering goed zou worden uitgevoerd. [appellant] heeft een zodanig plan niet aan de gemeente gegeven en de gemeente heeft de opgeschoven grond samen met de er al langere tijd liggende aarden wal laten verwijderen.

3.12 Aan de gemeente is door het voor de sanering ingeschakelde bedrijf voor wat betreft de door [appellant] opgeschoven grond € 45.099,10 gefactureerd. Ondanks aanmaningen daartoe heeft [appellant] dat bedrag niet aan de gemeente betaald.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De gemeente heeft [appellant] gedagvaard voor de rechtbank Zwolle en vergoeding gevorderd van de gemaakte kosten van verwijdering van het door [appellant] in juni 2000 op haar grond geplaatste depot en van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 46.641,10, met rente vanaf 1 juli 2000. Hiertoe heeft zij primair gesteld dat [appellant] jegens de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door met asbest vervuilde grond te verplaatsen naar het terrein van de gemeente en subsidiair dat [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt door de verwijdering van het depot door de gemeente.

In reconventie heeft [appellant] – stellende dat de gemeente door de grond van [appellant] in bewaring te nemen en af te voeren toerekenbaar was tekortgeschoten in haar verplichtingen als zaakwaarnemer en zij aldus jegens [appellant] verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld – betaling gevorderd van een bedrag van € 6.268,-- met rente vanaf 15 juni 2000, althans 17 december 2003.

4.2 De rechtbank heeft bij eindvonnis van 7 september 2005 de vordering in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen, en – in conventie en in reconventie – [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

4.3 Met grief 1 komt [appellant] op tegen de door de rechtbank in haar tussenvonnis onder 1 vastgestelde feiten. Voorzover de in verband met deze grief door [appellant] gegeven feitenaanvullingen niet door de gemeente zijn betwist, is hiermee onder 3 rekening gehouden. Voor het overige betreft het aanvullingen die naar het oordeel van het hof niet beslissend zijn voor de beoordeling van het hoger beroep, zodat het hof hieraan voorbijgaat.

4.4 Het hof ziet aanleiding grief 7 eerst te behandelen. De overige grieven zullen vervolgens (deels) tezamen genomen worden besproken.

Locatie van het depot

4.5 Grief 7 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis dat voldoende is aangetoond dat de door [appellant] begin juni 2000, na het afschrapen van zijn perceel, gedeponeerde grond geheel of bijna geheel op het terrein van de gemeente lag.

4.6 De gemeente heeft gesteld - en [appellant] heeft betwist - dat [appellant] het depot op het terrein van de gemeente heeft geplaatst. De gemeente heeft hiertoe bij dagvaarding kaarten met verklarende tekst en een op 15 juni 2000 van het depot genomen serie foto’s in het geding gebracht. In de verklarende tekst bij de foto’s heeft de gemeente gesteld dat de boom op de hoek van de [weg A] direct naast de erfgrond staat, op grond in eigendom van de gemeente, alsmede dat vanuit de boom de erfgrens volgt in westelijke richting aan de noordzijde van het terrein. [appellant] heeft erkend dat de boom op gemeentegrens staat. Hij heeft de stellingen en producties van de gemeente slechts betwist door aan te voeren dat de boom op het schuine deel van de perceelsgrens staat en door te stellen dat de desbetreffende kaarten niet betrouwbaar zijn. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de overgelegde foto’s van 15 juni 2000, met name de derde foto (met zicht op het hele pand van [...] en op de straathoek) in samenhang met de zesde foto (met het bouwhek op de straathoek en het depot tussen de bewuste boom en de [weg A]), duidelijk dat het – nog onbegroeide – depot ruim voorbij de desbetreffende boom is geschoven in de richting van de [weg A]. Het hof acht op grond hiervan voldoende aannemelijk dat [appellant] de grond op gemeenteterrein heeft geschoven, ook in aanmerking genomen dat deze grens (zoals ook uit de door de gemeente bij inleidende dagvaarding als prod. 3 overgelegde kaarten blijkt) ter plaatse van die boom schuin loopt. Anders dan [appellant] in appel betoogt, is hiertoe geen nadere bewijslevering nodig. In het licht hiervan en gelet op de omstandigheid dat [appellant] de grond zelf heeft verschoven, de situatie uit eigen waarneming kende en dus beter had kunnen/moeten aangeven waar het depot, ook verder van die boom verwijderd, volgens hem precies lag, heeft [appellant] zijn betwisting in appel onvoldoende (nader) onderbouwd. Hij kon niet volstaan met de opmerking dat de foto’s in dat opzicht niet duidelijk waren. Nu [appellant] aldus in appel zijn stellingen niet voldoende nader heeft onderbouwd, zal hij ook niet worden toegelaten tot tegenbewijs.

4.7 De grief faalt derhalve.

Onrechtmatig verkregen bewijs?

4.8 De grieven 4 (deels) en 9 betreffen de vraag of de door de gemeente aangevoerde bewijsstukken al dan niet onrechtmatig zijn verkregen. [appellant] stelt dat de desbetreffende onderzoeksresultaten onbevoegd zijn verkregen; de gemeente stelt daarentegen dat zij aannam en mocht aannemen dat zij hiervoor de toestemming van [appellant] had verkregen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

4.9 Het hof stelt voorop dat onrechtmatig verkregen bewijs slechts onder bijkomende omstandigheden in een burgerlijk geding jegens de wederpartij niet mag worden gebruikt. Zulke bijkomende omstandigheden zijn in het onderhavige geval gesteld noch gebleken.

Van een processuele benadeling als gevolg van de verrichte onderzoeken van [appellant] is evenmin gebleken nu, zoals ook door de gemeente is gesteld, [appellant] vanaf de eerste vondst van asbestverdacht materiaal tot aan de verwijdering van het depot in de gelegenheid is geweest om de grond alsnog zelf te laten onderzoeken. Ook na omheining van het door [appellant] verschoven depot in 2000 had [appellant] hiertoe nog de mogelijkheid. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] hiertoe heeft verzocht of – indien daarvoor meer tijd nodig meende te hebben – hiertoe uitstel heeft gevraagd (zie ook hierna de bespreking van grief 4, onder 4.17 e.v.). Of bij het onderzoek door Broomans de door [appellant] gestelde onregelmatigheden zich hebben voorgedaan, kan daarom in het midden blijven.

4.9 Daar komt bij dat de gemeente in de gegeven omstandigheden ook ervan mocht uitgaan dat zij voor dit onderzoek toestemming had van [appellant]. Het hof baseert dit oordeel op het volgende.

De vraag of sprake is van toestemming is een vraag van uitleg van de wilsverklaring van de gerechtigde. Zoals iedere wilsverklaring kan een toestemming ook (stilzwijgend) zijn gegeven en kunnen latere gedragingen (waaronder begrepen een nalaten) bij de beoordeling van de vraag of een derde redelijkerwijs in de gegeven omstandigheden ervan mocht uitgaan dat sprake was van toestemming voor de desbetreffende handelingen.

Vaststaat dat met de aanvankelijke opruimwerkzaamheden met betrekking tot de aarden wal in de eerste helft van 1999 in onderling overleg en met toestemming van [appellant] is begonnen. [appellant] is na het stil leggen van deze werkzaamheden meegedeeld dat dit verband hield met de vondst van asbestverdacht materiaal. Vaststaat verder dat het rapport van Witteveen en Bos aan [appellant] is toegestuurd en dat [appellant] destijds (achteraf) geen bezwaar heeft gemaakt tegen het uitgevoerde onderzoek. Gelet hierop mocht de gemeente naar het oordeel van het hof ervan uitgaan dat [appellant] ook geen bezwaar zou maken tegen het op 20 september 1999 uitgevoerde vervolgonderzoek van Broomans. Dit wordt bevestigd door het feit dat [appellant] hiertegen na ontvangst van het onderzoeksrapport geen bezwaar heeft gemaakt. Het in juli 2000 verrichte onderzoek vormt een logisch vervolg op het eerdere onderzoek, terwijl bovendien vaststaat dat het daarbij slechts om een visueel onderzoek ging. Op grond hiervan ging de gemeente, zoals door haar ook is gesteld en door [getuige] is verklaard, ervan uit dat zij daarvoor ook toestemming had. Naar het oordeel van het hof mocht zij daarvan, gezien het voorgaande, ook uitgaan.

4.11 De grieven falen derhalve.

Het verweer van [appellant] dat de grond niet behoefde te worden gesaneerd

4.12 De grieven 5, 6, 8, en 10 tot en met 18 houden alle verband met de vraag of voldoende is komen vast te staan of de grond die door [appellant] in juni 2000 was gedeponeerd en door de gemeente is afgevoerd, zodanig met asbest was vervuild dat deze moest worden afgevoerd op de wijze zoals de gemeente dat heeft laten doen. [appellant] heeft betwist dat deze wijze van afvoeren noodzakelijk was, zulks onder verwijzing naar op zijn verzoek gemaakte rapporten van P&J (conclusie na enquête, prod. 2a; mvg, prod. 5) en BME (conclusie na enquête, prod. 4; mvg, prod. 6), welke rapporten zijn opgemaakt nadat de grond door de gemeente was verwijderd.

Het hof zal deze grieven hieronder tezamen behandelen.

4.13 Aan de hier bedoelde grieven ligt het standpunt van [appellant] ten grondslag, dat het depot niet verontreinigd was en dat de kosten bij de afvoer en sanering van de grond, voor rekening van de gemeente dienen te blijven nu deze niet zouden zijn veroorzaakt indien de gemeente de grond volgens de juiste normen/op de juiste wijze zou hebben laten onderzoeken. In dat geval zou volgens [appellant] zijn gebleken dat de grond in het depot niet was vervuild en had deze grond zonder hoge kosten kunnen worden afgevoerd of teruggeschoven.

Het hof zal eerst het in dit verband meest verstrekkende verweer van de gemeente bespreken. Het gaat daarbij om het verweer dat [appellant] zijn recht heeft verwerkt om zich erop te beroepen dat de grond niet vervuild was en dat het niet noodzakelijk was de grond af te voeren of te saneren. Hij heeft dat recht volgens de gemeente verwerkt door op het moment dat de grond er nog lag en in opdracht van de gemeente werd onderzocht, ofschoon hij wist dat de gemeente ervan uitging dat die grond vervuild was en, uitgaande van asbestbesmetting, voornemens was die grond tegen hoge kosten af te voeren, stil te zitten en te zwijgen, om pas nadat de grond was afgevoerd met zijn tegenwerpingen te komen.

4.14 Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking – een uitwerking van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW) – geldt als eerste vereiste dat de verhouding tussen partijen wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Aan die voorwaarde is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval - in ieder geval vanaf het door [appellant] verrichte depot van de grond in juni 2000 - voldaan, nu [appellant] naar het oordeel van het hof met dit depot - daargelaten de verontreiniging - op de grond van de gemeente (zie hiervoor rov. 4.8) jegens de gemeente toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor zij jegens elkaar in een rechtsverhouding van schuldeiser en schuldenaar zijn komen te staan. Die rechtsverhouding wordt blijkens art. 6:2 BW beheerst door de redelijkheid en billijkheid.

4.15 Naar het oordeel van het hof kan [appellant] in haar verhouding tot de gemeente in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billlijkheid geen beroep meer doen op het onder 4.11 weergegeven verweer.

Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking. [appellant] wist reeds in 1999 dat de gemeente de van de aarden wal afkomstige grond op het perceel van [appellant], op basis van de onderzoeksrapporten die de gemeente ook aan hem had toegezonden (en naar aanleiding waarvan [appellant] aan de gemeente had laten weten vanwege de saneringskosten niet aan de voorgenomen sanering te willen meewerken), als asbesthoudend beschouwde. In juni 2000 heeft [appellant] deze verdachte grond op het perceel van de gemeente gedeponeerd. Vervolgens heeft de gemeente [appellant] bij brieven van 25 juli 2000 en 9 augustus 2000 opgeroepen aan te tonen dat hij de van zijn perceel verwijderde grond voordien op verantwoorde wijze had laten saneren, dan wel dat hij alsnog voor een verantwoorde sanering zou zorgen, bij gebreke waarvan de gemeente de kosten voor afvoer op [appellant] zou verhalen. Bij brief van 14 augustus 2000 heeft de gemeente de verwijdering en sanering door een, door haar daartoe aangewezen saneringsbedrijf, aangekondigd en is [appellant] opnieuw in de gelegenheid gesteld de grond zelf te laten afvoeren door een erkend saneringsbedrijf. Vaststaat dat [appellant] deze brieven heeft ontvangen. [appellant] heeft op deze brieven slechts gereageerd met een voorstel de gedeponeerde grond zelf terug te schuiven. Voorts staat vast dat [appellant] aan de gemeente niet heeft meegedeeld om zelf een (tegen)onderzoek te willen laten uitvoeren. Gesteld noch gebleken is dat [appellant], tussen het depot en de verwijdering daarvan, de uitkomst van de van de in opdracht van de gemeente verrichte onderzoeken heeft betwist, terwijl hij wist dat de wens van de gemeente tot verwijdering en sanering van het depot op deze onderzoeken was gebaseerd. Daar komt bij dat de gemeente onbetwist heeft gesteld dat na verwijdering omtrent de verontreiniging van het depot “niets meer opnieuw te controleren valt” (pleitnota eerste aanleg, nr. 2.2).

Naar het oordeel van het hof mocht de gemeente onder deze omstandigheden erop vertrouwen dat [appellant] na afvoer van het depot niet alsnog de asbestonderzoeken in twijfel zou trekken. Door destijds geen bezwaar te maken tegen de onderzoeken maar daarmee te wachten tot na de verwijdering en sanering van de grond heeft [appellant], naar het oordeel van het hof, de positie van de gemeente, zoals de gemeente ook heeft gesteld, onredelijk benadeeld. Feitelijk onderzoek van de grond is nu immers niet meer mogelijk, waardoor het voor de gemeente lastig is de juistheid van de resultaten van de in haar opdracht uitgevoerde onderzoeken nader aan te tonen.

4.16 De onder 4.12 vermelde grieven, die alle betogen dat de grond destijds ten onrechte als vervuild is aangemerkt en daarom niet behoefde te worden gesaneerd, berusten op stellingen waarop [appellant] zich jegens de gemeente in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer kan beroepen. Hierop stuiten deze grieven af.

Overige grieven

4.17 Grief 2, waarin [appellant] aanvoert dat hij indertijd heeft aangeboden de grond zelf terug te schuiven, kan [appellant] niet baten. De gemeente was, gegeven de uit de rapporten van Broomans volgende vervuiling van het depot, verplicht de verwijdering daarvan te doen plaatsvinden met inachtneming van de geldende voorschriften voor de verwijdering van asbesthoudende grond, die slechts verwijdering door een daarin gespecialiseerd bedrijf toelieten. Op het aanbod het depot terug te schuiven kon de gemeente dus niet ingaan.

4.18 Volgens grief 4 heeft de rechtbank verzuimd in haar tussenvonnis een tweetal stellingen van [appellant] onder de weergave van het standpunt van [appellant] te vermelden en in haar beoordeling te betrekken. Het gaat om de stellingen van [appellant] dat de gemeente zich in redelijkheid niet kan beroepen op vergoeding van de verwijderingskosten omdat zij het depot heeft laten weghalen zonder dat [appellant] de kans heeft gekregen om het depot te onderzoeken, alsmede dat [appellant] rechtsbescherming is onthouden door misleidende correspondentie. De grief – zo begrijpt het hof – legt deze stellingen alsnog ter beoordeling voor aan het hof.

4.19 Het hof verwerpt het betoog van [appellant] dat hij geen kans heeft gehad om het depot te onderzoeken. Vaststaat dat het depot bestond uit grond, ten aanzien waarvan [appellant] tenminste vanaf de toezending van de in 1999 opgestelde rapporten van Witteveen en Bos en van Broomans wist dat deze door de gemeente als asbesthoudend werd aangemerkt. Hij had derhalve vanaf dat moment de (in 2000 door hem afgeschraapte en op het terrein van de gemeente gedeponeerde) grond kunnen laten onderzoeken. Ook na het begin juni 2000 verrichte depot had [appellant] nog voldoende tijd om de gemeente toestemming (en zo nodig uitstel) te vragen om de gedeponeerde grond alsnog te laten onderzoeken, hetgeen [appellant] heeft nagelaten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [appellant] in de, in juli en augustus 2000 aan hem verstuurde, brieven van de gemeente op de voorgenomen sanering werd gewezen en daarbij in de gelegenheid werd gesteld om de grond door een deskundig bedrijf te laten afvoeren.

4.20 Naar het oordeel van het hof kan [appellant] evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat hem rechtsbescherming is onthouden doordat hij, op grond van misleidende correspondentie van de zijde van de gemeente, ervan uitging (en mocht gaan) dat een bestuursrechtelijke rechtsgang zou volgen waarin hij zich zou kunnen verdedigen. Naar het oordeel van het hof mocht [appellant] uit de door de gemeente verzonden brieven (de brieven van 25 juli, 9, 14 en 24 augustus 2000) niet afleiden dat de gemeente hem niet in een civielrechtelijke procedure zou betrekken. Integendeel wordt in de brieven van 25 juli 2000 en 14 augustus 2000 een zodanige rechtsgang juist in het vooruitzicht gesteld. In deze brieven wordt vermeld dat de gemeente (bij niet-vervulling van door de gemeente gestelde voorwaarden) zich genoodzaakt voelt om [appellant] in rechte te betrekken met als inzet te komen tot verwijdering van wederrechtelijk gestorte respectievelijk vervuilde grond. Ook aan de brief van 24 augustus 2000, waarop [appellant] zich in dit verband heeft beroepen, mocht [appellant] een zodanig vertrouwen niet ontlenen, nu daarin onder meer wordt vermeld dat [appellant], in de visie van de gemeente, een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Dat de gemeente in laatstgenoemde brief heeft vermeld dat zij tevens [curs. hof] op grond van artikel 18.7 Wet milieubeheer de door [appellant] onrechtmatig veroorzaakte kosten kan verhalen, doet hieraan niet af.

4.21 Grief 4 faalt derhalve.

Subsidiaire grondslag: ongerechtvaardigde verrijking

4.22 Met grief 3 komt [appellant] op tegen de weergave door de rechtbank (rechtsoverweging 2.4 van het tussenvonnis) van de stellingen van de gemeente met betrekking tot de aan haar vorderingen subsidiair ten grondslag gelegde ongerechtvaardigde verrijking.

4.23 Gezien het voorgaande zijn de vorderingen van de gemeente op de primaire grondslag (onrechtmatige daad) toewijsbaar. De grief faalt derhalve bij gebrek aan belang.

5. Slotsom

5.1 De slotsom is dat de grieven falen. De bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd. De bekrachtiging van de vonnissen in conventie brengt de bekrachtiging van de vonnissen in reconventie met zich.

5.2 [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van 22 september 2004 en 7 september 2005 van de rechtbank Zwolle-Lelystad;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 2446,57 voor salaris van de procureur en € 1400,-- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Makkink, Vaessen en Lenselink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2007.