Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB0740

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
01-08-2007
Zaaknummer
0700111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat [geïntimeerden ] beweerdelijk zijn geadviseerd door een onbekwame deskundige geheel in hun risicosfeer ligt, nu zij de deskundige hebben ingeschakeld en van zijn diensten gebruik hebben gemaakt. Dat [geïntimeerden ] de Nederlandse taal onvoldoende beheersen komt eveneens voor hun eigen rekening, maar is in casu geen zelfstandig argument nu zij immers stellen mede daarom eerder bedoelde deskundige te hebben ingeschakeld. Dat laatste klemt te meer nu [appellanten ] in hoger beroep onweersproken hebben gesteld dat [geïntimeerden ] zich gedurende het verkoopproces hebben laten begeleiden door hun dochter die de Nederlandse taal in (meer dan) voldoende mate beheerst. Het enkele uiteenlopen van de boete en de werkelijke schade is [..] geen argument om de boete te matigen. De vraag ligt derhalve voor of het bijkomende feit dat [geïntimeerden ] gebruik hebben gemaakt van een deskundige die hen beweerdelijk onvoldoende heeft geadviseerd, maakt dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete wordt gematigd. Het hof is van oordeel dat, zelfs als al zou vaststaan dat [geïntimeerden ] onder de maat van advies zijn gediend, zulks geenszins het geval is. Een ander oordeel ter zake zou immers tot feitelijke - en onaanvaardbare - consequentie hebben dat het risico van een onbekwame adviseur van de koper deels wordt afgewenteld op de verkoper, zulks terwijl laatstgenoemde aan de keuze van de adviseur en de kwaliteit van diens adviezen in de regel part noch deel heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 31 juli 2007

Rolnummer 0700111

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellante 1],

wonende te [woonplaats],

toevoeging,

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

toevoeging aangevraagd,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten ],

procureur: mr. P.M. Wilmink,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden ],

procureur: mr. L. Paulus.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 16 augustus 2006 en 22 november 2006 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 12 februari 2007 is door [appellanten ] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 22 november 2006 met dagvaarding van [geïntimeerden ] tegen de zitting van 27 februari 2007.

Bij memorie van grieven hebben [appellanten ] producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt:

"bij arrest, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

te beslissen overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden ] verweer gevoerd met als conclusie:

"appellanten in hun grieven niet ontvankelijk te willen verklaren, althans hen hun grieven als rechtens ongegrond en onbewezen te ontzeggen en, opnieuw rechtdoende, het vonnis van de rechtbank van 22 november 2006, gewezen onder zaak/rolnummer 121452/HA ZA 06-732, te bekrachtigen, met veroordeling van appellanten in de kosten van beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten ] hebben twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 2 (2.1 tot en met 2.4) van het vonnis waarvan beroep is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan.

2. Op grond van die feiten gaat het in deze zaak – kort gezegd – om de vraag of de contractuele boete van € 15.400,--, welke [geïntimeerden ] uit hoofde van de koopovereenkomst d.d. 10 augustus 2005, met betrekking tot van een woning aan de [adres] te [plaats], aan [appellanten ] verschuldigd zijn geworden, voor matiging in aanmerking komt.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door [geïntimeerden ] aangevoerde omstandigheden (onbekwame adviseur, onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal en werkelijke schade voor [appellanten ] van € 8.448,46) gezamenlijk voldoende aanleiding geven de contractuele boete op grond van billijkheid te matigen met een bedrag van € 3.400,--. Omdat [appellanten ] de boete reeds hadden geïnd, werden zij door de rechtbank veroordeeld tot terugbetaling aan [geïntimeerden ] van een bedrag groot € 3.400,--.

4. De grieven komen op tegen de door de door de rechtbank toegepaste matiging en hetgeen daaraan aan overwegingen is ten grondslag gelegd. Ze lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5. Voorop staat dat in een geval als het onderhavige, waarin niet een wettelijke verplichting tot schadevergoeding maar een bedongen boete aan de orde is, slechts artikel 6: 94 lid 1 BW van toepassing is. Volgens die bepaling kan de rechter de bedongen boete matigen, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. In het voorlopig verslag is uitgesproken “dat de rechter deze bevoegdheid voorzichtig moet hanteren en niet al te snel tot een matiging of aanvulling moet overgaan”. Van een zelfde benadering blijkt uit de memorie van antwoord: “In beginsel is het toegelaten een boetedoening de functie te geven van een extra aansporing tot nakoming door de schuldenaar door hem ter zake van een eventuele tekortkoming te verplichten tot betaling van een hoger bedrag dan de door de schuldeiser geleden schade (…). De rechter behoort in de aldus aan partijen gelaten contractsvrijheid pas te kunnen ingrijpen, indien de billijkheid het klaarblijkelijk eist, waartoe het enkele uiteenlopen van boete en werkelijke schade niet voldoende is (zie Hoge Raad 18 april 2003, LJN: AF3072).

6. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat [geïntimeerden ] beweerdelijk zijn geadviseerd door een onbekwame deskundige geheel in hun risicosfeer ligt, nu zij de deskundige hebben ingeschakeld en van zijn diensten gebruik hebben gemaakt. Dat [geïntimeerden ] de Nederlandse taal onvoldoende beheersen komt eveneens voor hun eigen rekening, maar is in casu geen zelfstandig argument nu zij immers stellen mede daarom eerder bedoelde deskundige te hebben ingeschakeld. Dat laatste klemt te meer nu [appellanten ] in hoger beroep onweersproken hebben gesteld dat [geïntimeerden ] zich gedurende het verkoopproces hebben laten begeleiden door hun dochter die de Nederlandse taal in (meer dan) voldoende mate beheerst.

7. Het enkele uiteenlopen van de boete en de werkelijke schade is – zoals hiervoor overwogen – geen argument om de boete te matigen. De vraag ligt derhalve voor of het bijkomende feit dat [geïntimeerden ] gebruik hebben gemaakt van een deskundige die hen beweerdelijk onvoldoende heeft geadviseerd, maakt dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete wordt gematigd. Het hof is van oordeel dat, zelfs als al zou vaststaan dat [geïntimeerden ] onder de maat van advies zijn gediend, zulks geenszins het geval is. Een ander oordeel ter zake zou immers tot feitelijke – en onaanvaardbare - consequentie hebben dat het risico van een onbekwame adviseur van de koper deels wordt afgewenteld op de verkoper, zulks terwijl laatstgenoemde aan de keuze van de adviseur en de kwaliteit van diens adviezen in de regel part noch deel heeft.

8. De grieven treffen derhalve doel.

Slotsom

9. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. De vordering van [geïntimeerden ] zal alsnog worden afgewezen. [geïntimeerden ] zullen, als de in beide instanties in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg (salaris procureur: 2 punten tarief II) als in hoger beroep (salaris procureur: 1 punt tarief I).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis d.d. 22 november 2006, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerden ] af;

veroordeelt [geïntimeerden ] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [appellanten ] begroot op € 248,-- aan verschotten en op

€ 904,-- aan salaris voor de procureur;

veroordeelt [geïntimeerden ] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellanten ] begroot op € 384,31 aan verschotten en op

€ 632,-- aan salaris voor de procureur;

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan

€ 309,31 aan verschotten en € 632,-- voor salaris voor de procureur, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Zandbergen en Hidma, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Van den Bosch als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 31 juli 2007.