Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB0623

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-06-2007
Datum publicatie
30-07-2007
Zaaknummer
06-00003
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2005:BB0950, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting

Afspraak inzake privé-gebruik bestelbus door ondernemer geldt niet onder regime IB 2001

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/13.1.4
FutD 2007-1485
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 06/00003

Eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 6 december 2005, nummer AWB 05/1456, in het geding tussen

X te Z (hierna: belanghebbende), verweerder in hoger beroep

en

de Inspecteur

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18 984. Aan heffingsrente is € 202 berekend.

1.2. Voor het jaar 2003 is hem een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16 160. Aan heffingsrente is € 176 berekend.

1.3. Bij, met andere, in één geschrift verenigde uitspraken van 29 maart 2005 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de onder ?1.1 en ?1.2 vermelde aanslagen ongegrond ver-klaard.

1.4. Op het beroep tegen de uitspraken van de Inspecteur heeft de Rechtbank de aanslag voor het jaar 2002 verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14 792 en die voor het jaar 2003 tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11 968.

1.5. Tot de stukken van het geding behoort het verweerschrift van belanghebbende in het hoger beroep.

1.6. Bij het onderzoek ter zitting in hoger beroep op 14 maart 2007 zijn gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur, bijgestaan door A, werkzaam op zijn eenheid.

1.7. Van de zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is geboren op 15 juli 1945 en gehuwd met X-Y.

2.2. In de jaren 2001, 2002 en 2003 dreef belanghebbende in de vorm van een eenmanszaak een onderneming, waarvan de activiteiten in hoofdzaak bestonden uit de verhuur en verkoop van kano’s en van kanoaanhangers.

2.3. In juli 1996 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Het openbare deel van het rapport daarvan is als bijlage 18 van het verweerschrift in eerste aanleg overgelegd. Het vermeldt onder 2.1.1:

‘Bel.pl. rijdt in een bestelbusje met grijs kenteken. Deze auto kan ook sedert de verscherpte eisen ingevolge de nieuwe BPM-wetgeving niet als een personenauto worden aangemerkt. Dit houdt in dat het 20%-forfait niet geldt en dat de privé-km’s dienen te worden bijgehou-den. Bij de vorige controle is dit besproken. Tot op heden boekt bel.pl. nog steeds jaarlijks 1500,– terug voor privé-gebruik Gezien het gebruik en inrichting van het busje heb ik niet de indruk dat het echte prive gebruik hoog ligt. Ik ben met bel.pl. overeengekomen dat hij vanaf 1-1-96 ƒ 2000,– per jaar overboekt.’

2.4. Op 10 mei 2001 heeft belanghebbende een bestelbus Ford Transit TDI, kenteken 00 AA BB met een cataloguswaarde van ƒ 42 958,49 ofwel € 19 493,71, aangeschaft onder inruil van een Transit 80S diesel met dubbele cabine, kenteken CC DD 00. De desbetreffende factuur is gedagtekend 2 juli 2001.

2.5. Belanghebbende en zijn echtgenote hadden in de jaren 2001 en volgende tot in het jaar 2005 geen auto in privé.

2.6. Belanghebbende heeft over de jaren 2001 tot en met 2004 geen rittenadministratie bijge-houden.

2.7. Op 17 december 2004 heeft namens de Inspecteur A een bespreking met belanghebbende gehad over de aanvaardbaarheid van de aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2001 tot en met 2003. In de notities van die bespreking is onder het opschrift ‘Privé-gebruik auto’ opgenomen:

– afspraak B ƒ 1 500 (€ 681) per jaar

– „ achterhaald door nieuwe wetgeving 2001

– geen km-adm.!

vanaf 17-11-2004 km-adm.

– bijtelling 25% v.d. cat.waarde (incl. ob) bel.pl. is het hier niet mee eens, gaat zeker in bezwaar en beroep, heeft zich aan afspraak met B gehouden.’

2.8. Belanghebbende heeft voor de jaren 2002 en 2003 € 681 aan onttrekking ten laste van de winst geboekt voor privégebruik van de bestelauto.

2.9. De Inspecteur berekent de bijtelling voor privégebruik van de auto in beide jaren op € 4 873 en heeft daarom € (4 873–681=) 4 192 bij het inkomen van belanghebbende geteld.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In hoger beroep houdt partijen verdeeld, of de onder bedoelde bijtelling terecht is, wat de Inspecteur verdedigt doch belanghebbende betwist. Meer in het bijzonder is ook in geschil of belanghebbende voor het jaar 2001 en volgende aan de in 1996 gemaakte afspraak het vertrou-wen mag ontlenen dat voor die jaren geen bijtelling ter zake van privé-gebruik auto zal plaatsvin-den op de voet van de per 1 januari 2001 in werking getreden nieuwe wettelijke regeling.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4. In hoger beroep verzoekt de Inspecteur de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen en zijn uitspraak op bezwaar op bezwaar te bevestigen.

3.5. Belanghebbende concludeert tot – naar het Hof verstaat – bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Volgens artikel 3.20, eerste en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 in de voor de jaren 2002 en 2003 geldende tekst (hierna: Wet IB 2001) – voor zover hier van belang – wordt, indien aan de belastingplichtige ook voor privédoeleinden een auto ter beschikking staat, op jaarbasis ten minste 25% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen. Indien uit een rittenadministratie of anderszins blijkt – dit betekent: door de belastingplichtige overtuigend wordt aangetoond – dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt de onttrekking gesteld op nihil.

4.2. Vaststaat dat belanghebbende geen rittenadministratie heeft bijgehouden en het bedoelde bewijs ook niet anderszins kan leveren.

4.3. Tot en met het jaar 2000 was de in art. 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 voorziene bijtelling bij de winst wegens gebruik van een tot het ondernemingsvermogen behorende auto alleen van toepassing met betrekking tot een personenauto. Vanaf het jaar 2001, bij gelegenheid van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001, is, zoals hiervoor in 4.1 is vermeld, de regeling van het autokostenforfait van toepassing voor elke auto, derhalve ook voor bestelauto’s.

4.4. Bij het bepalen van de winst moest vóór het jaar 2001 een correctie op de winst plaatsvin-den naar de mate van het privé-gebruik van een tot het ondernemingsvermogen behorend voer-tuig. Naar het oordeel van het Hof moet de in 1996 tussen een ambtenaar van de Belastingdienst en belanghebbende gemaakte afspraak omtrent de kosten van het privé-gebruik van de bestelauto in het licht van het voorgaande worden bezien. Ten aanzien van de omvang van het privé-gebruik van de bestelauto door belanghebbende in die tijd hebben belanghebbende en de ambtenaar toentertijd met elkaar in 1996 afgesproken een onttrekking van ƒ 2 000 per jaar aan te houden.

4.5. In 2001 is, zoals hiervoor aangegeven, de wettelijke regeling inzake het autokostenforfait uitgebreid tot elke auto, derhalve ook tot bestelauto’s. De wet moet voor iedereen gelijk worden toegepast. Uitgangspunt is dat ook zonder dat de Inspecteur een onder de vigeur van een vorige wet met andere regelgeving gemaakte afspraak opzegt, hij is gehouden een nieuwe wettelijke regeling die vanaf een bepaald tijdstip is gaan gelden, toe te passen.

4.6. De omstandigheid dat belanghebbende eerst laat na de invoering van de nieuwe wettelijke regeling van het autokostenforfait per 1 januari 2001 op de hoogte is gekomen van de bijzonder-heden van die regeling en de mogelijkheid van het leveren van het bewijs inzake het aantal verre-den privé-kilometers, kan niet bewerkstelligen dat belanghebbende om die reden erop kon of mocht vertrouwen dat de in 1996 gemaakte afspraak onverkort zou gelden voor de periode vanaf 1 januari 2001.

4.7. Het Hof merkt nog op dat naar zijn oordeel belanghebbende bij een juiste en zorgvuldige kennisneming van de passage in de Ondernemerspocket voor het jaar 2001 belanghebbende had kunnen weten dat de regeling van het autokostenforfait wijziging had ondergaan.

4.8. Het Hof ziet geen reden om belanghebbende te volgen in zijn standpunt dat hij erop kon of mocht vertrouwen dat de in 1996 gemaakte afspraak onverkort ook zou gelden bij een wijziging van het wettelijk regime. De bewoordingen van die afspraak, zoals onder ?2.3 weergegeven, geven ook geen aanleiding voor een ander oordeel.

4.9. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd bevestigd dat ook de door hem ingeruilde bestelauto, hiervoor genoemd onder ?2.4, een dubbele cabine had. Anders dan de Rechtbank, begrijpt het Hof uit de zo-even bedoelde afspraak, in het bijzonder uit de woorden ‘gebruik en inrichting van het busje’ waaruit B ‘niet de indruk’ kreeg dat het privégebruik hoog was, niet dat het privégebruik werd beperkt door de aard en de inrichting van de bestelauto.

5. Slotsom

Het hoger beroep is gegrond. De Rechtbank heeft het beroep ten onrechte gegrond verklaard.

6. Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en, opnieuw recht doende:

– verklaart het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 25 juni 2007 door mr. Röben, voorzitter, mr. Den Ouden en mr. Haas. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 juni 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.