Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB0619

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
30-07-2007
Zaaknummer
05-00361
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2005:BB0946, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Bewijs inzake urencriterium zelfstandigenaftrek geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1467
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 05/00361

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van Rechtbank Arnhem van 19 september 2005, nummer AWB 05/561, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur van de Belastingdienst P.

1. De aanslag, het bezwaar en het geding voor de Rechtbank

1.1 Met dagtekening 22 februari 2002 heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 21.713.

1.2 Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3 Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is op 19 september 2005 aan partijen toegezonden.

2. Het geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 27 oktober 2005 per fax ter griffie ingekomen.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

2.3. Belanghebbende heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord.

2.4. Bij brief van 9 maart 2007 heeft de gemachtigde van belanghebbende, een nadere reactie met bijlagen ingezonden.

2.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 maart 2007 te Arnhem door de tweede meervoudige belastingkamer. De zaak is met instemming van partijen gelijktijdig behandeld met het beroep van de echtgenoot van belanghebbende, inzake de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000. Daar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, haar echtgenoot, en voornoemde gemachtigde, alsmede de Inspecteur. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst het Hof naar hetgeen in de uitspraak van de Rechtbank onder 2 is opgenomen. In aanvulling daarop stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door de ene partij gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

Belanghebbende heeft gedurende het onderhavige jaar in een agenda de aan de onderneming bestede uren bijgehouden. Na afloop van het jaar heeft belanghebbende het door de Rechtbank vermelde urenoverzicht opgemaakt. In dat urenoverzicht zijn opgenomen de in de agenda vermelde uren alsmede de afwisselend door belanghebbende en haar echtgenoot verrichte dagelijks terugkerende werkzaamheden. Volgens dit urenoverzicht heeft belanghebbende 1007,87 uren besteed aan het feitelijk drijven van de onderneming.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

Belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist dat zij recht heeft op zelfstandigenaftrek, omdat bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat zij daar recht op heeft en zij in het onderhavige jaar ten minste 1225 uren heeft besteed aan het drijven van haar onderneming. Voorts stelt de Inspecteur in tegenstelling tot belanghebbende dat de kosten van het verhogen van de stal en de kosten van bouwmaterialen niet behoren tot de kosten van de onderneming en dat belanghebbende daarvoor geen recht heeft op investeringsaftrek. De Inspecteur beroept zich in dit verband op ‘interne compensatie’.

5. Beoordeling van het geschil

zelfstandigenaftrek

5.1. Belanghebbende stelt dat zij naast de in de agenda vermelde 1007,87 uren wekelijks nog 4 uren besteedde aan het berijden en 1,5 uren aan het opzadelen, afzadelen en verzorgen van een ‘leasepaard’, derhalve in totaal ruim 250 uren. Deze uren zijn, zo stelt belanghebbende, gemaakt naast de in de agenda al vermelde uren met betrekking tot dit paard. De in de agenda vermelde uren hebben betrekking op het gebruik van dit paard als begeleiding bij een ander paard. Zelf hebben belanghebbende en haar gezin twee shetlandpony’s. Eén ervan staat in een tuinhuis en wordt volledig door de kinderen verzorgd. De andere staat in de stal en de daaraan bestede tijd zou, aldus belanghebbende, niet moeten meetellen bij het berekenen van de aan de onderneming bestede uren, omdat die pony ook door de kinderen werd verzorgd en, als de kinderen de verzorging niet op zich namen, deze verzorging door belanghebbende en haar echtgenoot opging in de verzorging van de paarden. Voor zover al een correctie op het aantal bestede uren moet worden gemaakt, dan moet de correctie in elk geval niet 2/9, maar 1/9 bedragen, omdat het maar over één pony gaat. Verder zijn er algemene werkzaamheden die ook gedaan moeten worden als er geen eigen paarden zijn en werkzaamheden die je voor eigen paarden niet zou doen, zoals installatie van automatische drinkbakken en maken van afsluitbare zadelkasten. Voorts stelt belanghebbende dat het aantal geschreven uren nog met 15% moet worden verhoogd in verband met uren die men niet geschreven heeft, maar wel heeft gemaakt.

5.2. De Inspecteur betwist dat belanghebbende in het onderhavige jaar ten minste 1225 uren heeft besteed aan de onderneming. In dit verband stelt de Inspecteur nog dat 2/9 van het aantal uren niet aan de onderneming kan worden toegerekend, maar moet worden geacht betrekking te hebben op de eigen paarden van belanghebbende.

5.3. De tijd die belanghebbende heeft besteed aan het verzorgen van de eigen pony’s heeft zij niet besteed aan het drijven van de onderneming, nu deze niet behoren tot het ondernemingsvermogen. Het Hof acht niet aannemelijk dat zoals de Inspecteur stelt dit 2/9 van het totale door belanghebbende vermelde aantal uren betreft. Belanghebbende heeft immers onweersproken gesteld, dat een van de pony’s geheel en de andere pony deels door de kinderen werd verzorgd en de in de agenda vermelde uren slechts voor een gedeelte de directe verzorging van de paarden en de andere pony betreffen.

5.4. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende naast de in de agenda vermelde uren, nog 250 uren besteedde aan het ‘leasepaard’. Dat in de agenda enkele malen nog afzonderlijk uren zijn vermeld met betrekking tot dit paard doet daaraan niet af, nu deze vermelding slechts enkele keren voorkomt en belanghebbende daarvoor een geloofwaardige verklaring heeft gegeven.

5.5. De algemene stelling van belanghebbende dat het aantal geschreven uren nog met 15% zou moeten worden verhoogd, acht het Hof niet aannemelijk, nu deze stelling op geen enkele wijze nader is onderbouwd.

5.6. Het Hof acht gelet op het vorenoverwogene aannemelijk dat belanghebbende naast de in de agenda vermelde 1007,87 uren ten minste 218 uren aan haar onderneming heeft besteed. Belanghebbende heeft derhalve recht op zelfstandigenaftrek. Het beroep op het vertrouwensbeginsel behoeft geen behandeling.

interne compensatie

5.7. Voorts heeft de Inspecteur gesteld dat bij het vaststellen van de aanslag ten onrechte enkele posten in aftrek zijn toegelaten en dat ten onrechte investeringsaftrek is verleend. Hij stelt zich op het standpunt dat dit bij wege van interne compensatie moet worden gecorrigeerd. Ter zitting heeft de Inspecteur dit beperkt tot de volgende posten:

Aannemersbedrijf (verhogen stal) ƒ 17.973

Bouwmaterialen ƒ 4.058

Investeringsaftrek (27% van ƒ 17.973) ƒ 4.852

ƒ 26.883

5.8. Het bedrag voor bouwmaterialen heeft naar belanghebbende ter zitting heeft verklaard voor een gedeelte betrekking op de verhoging van de stal (belanghebbende heeft ter zitting onweersproken verklaard dat dit ongeveer ƒ 2.000 is geweest) en voor het overige op onderhouds¬werkzaamheden. Voor zover deze kosten betrekking hebben op onderhoudswerkzaamheden, heeft belanghebbende deze naar het oordeel van het Hof gemaakt in haar hoedanigheid van gebruiker van de stal voor ondernemingsdoeleinden. Deze kosten zijn derhalve aftrekbaar als kosten van de onderneming.

5.9. De verhoging van de stal was noodzakelijk omdat voordien de stal zo laag was dat eigenaren van paarden er hun paarden niet graag wilden laten stallen en de stalplaatsen dientengevolge slecht of in het geheel niet verhuurbaar waren. Door deze betere verhuurbaarheid is de waarde van de stal gestegen. De kosten van de verhoging zijn aanzienlijk. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de verhoging van de stal doen plaatsvinden in haar hoedanigheid van mede-eigenaar van de stal en niet in het kader van het gebruik ervan. De kosten van de verhoging zijn daarom niet aftrekbaar als kosten van de onderneming. Dit betreft de kosten van het aannemersbedrijf van ƒ 17.973 en ongeveer ƒ 2.000 aan bouwmaterialen, in totaal dus ƒ 19.973.

5.10. Voorts heeft belanghebbende geen recht op investeringsaftrek ter zake van de verhoging van de stal, nu de verbouwing is opgegaan in de tot haar privé-vermogen behorende onroerende zaak (Hoge Raad 22 november 1978, nr. 19.046, BNB 1978/328) .

5.11. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangegeven winst van de vennootschap onder firma worden verhoogd met (ƒ 19.973 + ƒ 4.852 =) ƒ 24.825. Het belastbare inkomen van belanghebbende moet worden verminderd tot ƒ 17.175, als volgt gespecificeerd:

Vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 21.713

Bij: hoger winstaandeel (50%) ƒ 12.412

subtotaal ƒ 34.125

Af: zelfstandigenaftrek ƒ 16.950

Belastbaar inkomen ƒ 17.175

5.12. Slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd, evenals de uitspraak van de Inspecteur. Het Hof zal, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, de aanslag verminderen zoals hiervoor weergegeven.

6. Kosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep voor de Rechtbank en het hoger beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de reiskosten om ter zitting te verschijnen. Het Hof stelt de kosten voor rechtsbijstand overeenkomstig de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1 punt (verschijnen ter zitting van het Hof) × 1 (gewicht van de zaak) × € 322, ofwel op € 322. De reiskosten (openbaar vervoer, laagste klasse) voor het verschijnen ter zitting van de Rechtbank en van het Hof stelt het Hof op telkens € 14, ofwel € 28. Niet gesteld of gebleken is dat andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 17.175;

- gelast de Staat aan belanghebbende te vergoeden het voor de behandeling van het beroep voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 37 en het voor de behandeling van het hoger beroep voor het Hof gestorte griffierecht van € 103;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 350 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Deze uitspraak is op 19 juni 2007 gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. R.F.C. Spek. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.