Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB0607

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
30-07-2007
Zaaknummer
06-00027
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2005:AU9670, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Verbouwingskosten van kantoorgedeelte vormen niet-aftrekbare verbeteringskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/20.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 06/00027

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 7 december 2005, num-mer AWB 05/2551, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 4 februari 2003 een aanslag in de inkomstenbelas-ting/premie volksverzekeringen 2000, genummerd 0.H.06 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 326.191 (€ 148.019). Aan heffingsrente is ƒ 4.855 (€ 2.203) berekend.

1.2. Bij uitspraak van de Inspecteur van 2 juni 2005 is het bezwaar van belanghebbende afge-wezen (en ongegrond verklaard).

1.3. Het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft de Rechtbank ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft op 18 januari 2006 hoger beroep ingesteld.

1.5. Tot de stukken van het geding behoort het verweerschrift in hoger beroep alsmede de nadere van belanghebbende op 7 mei 2007 ontvangen stukken, waarvan een afschrift is toege-zonden aan de Inspecteur.

1.6. Bij het onderzoek ter zitting op 16 mei 2007 te Arnhem zijn gehoord belanghebbendes gemachtigde alsmede de Inspecteur.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8. De notities van het pleidooi dat de Inspecteur ter zitting heeft gehouden wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is samen met zijn echtgenote (indirect) houder van alle aandelen in de besloten vennootschap X Land- en tuinbenodigdheden B.V., waarvan hij tevens directeur is. De ruimten waarin het bedrijf is gevestigd, behoren tot het privé-vermogen van belanghebbende en omvatten een bedrijfsgedeelte groot 1.700 m², bestaande uit een aantal (grote) opslagruimtes voor machines, gewasbeschermingsmiddelen en handelsgoederen, een winkel en voorts een kantoor met bovenverdieping, waarvan de directiekamer zich bevindt onder de bovenwoning (een dijk-woning) die door belanghebbende wordt bewoond. Verschillende onderdelen van het pand lopen in elkaar over. De woning is direct gelegen aan de dijk en de daarachter liggende gebouwen zijn slechts via één inrit bereikbaar. De tuin achter de (dijk)woning is vanuit de bovenwoning alleen via een trap naar het kantoor te bereiken. Het geheel heeft slechts één aansluiting op de waterlei-ding en het elektriciteitsnet. De verwarming van het gehele complex is via twee olieketels aange-sloten op één olietank.

2.2. Belanghebbende verhuurt het bedrijfsgedeelte al geruime tijd aan de B.V. In 2000 wordt het gedeelte van het kantoor met bovenverdieping (met een oppervlakte van circa 150 m²) dat zich direct achter het woonhuis bevindt grondig aangepakt wegens achterstallig onderhoud. De bouwkundige werkzaamheden bestaan volgens belanghebbende onder meer uit:

- vervanging van (een deel) van het (verrotte) dak;

- vervanging van (een deel van) de bovenverdieping;

- vervanging van de verouderde leidingen (van verwarming en elektra);

- vervanging van (een deel van) de (verrotte) raamkozijnen;

- vervanging van een muur (muren) van de benedenverdieping;

- het aanbrengen van een trappenhuis, een nieuw toilet, een keuken, een vlizotrap en nieu-we wanden en deuren op de bovenverdieping.

In totaal belopen de verbouwingskosten ƒ 131.451 (€ 59.650). Belanghebbende heeft alleen de kosten van het aanbrengen van het trappenhuis etc. ten bedrage van ƒ 13.665 (€ 6.200,90) als verbeteringskosten aangemerkt en alle overige kosten ( ƒ 117.786 = € 53.449) als (aftrekbare) onderhoudskosten in zijn aangifte voor het jaar 2000 opgevoerd.

Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de Inspecteur deze kosten niet in aftrek aanvaard.

2.3. Voor het verrichten van de bouwwerkzaamheden is op 4 mei 2000 een bouwvergunning afgegeven door de gemeente Y. In augustus 2000 is begonnen met de gedeeltelijke sloop van het bestaande kantoorgebouw. De onder 2.2. als achterstallig onderhoud opgevoerde verbouwings-kosten zijn in 2000 voldaan.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de Inspecteur terecht de kostenaftrek heeft geweigerd.

3.2. Partijen houdt in dit verband primair verdeeld of het verbouwde kantoorgedeelte voor het onderscheid (radicale) vernieuwing of onderhoud als een zelfstandig onderdeel van het gehele gebouw moet worden aangemerkt, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

3.3. Voor het geval het Hof zou oordelen dat het kantoorgedeelte een onzelfstandig onderdeel uitmaakt van het gehele gebouw, zijn partijen ter zitting overeengekomen dat de verbouwings-kosten voor 50% als kosten van vernieuwing en voor 50% als onderhoudskosten moeten worden aangemerkt.

3.4. In zijn nadere stukken verzoekt belanghebbende het Hof een waarneming ter plaatse te verrichten in het belang van een juiste rechtsvinding indien bij het Hof enige twijfel bestaat omtrent de feitelijke situatie of indien dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de vraag of sprake is van één complex.

3.5. Elk van de parttijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.6. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van voormelde pleitnotitie, toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.7. In hoger beroep concludeert elk van de partijen overeenkomstig haar conclusie in eerste aanleg, met dien verstande dat in het onder 3.3. vermelde geval alsnog 50% van de verbouwings-kosten als onderhoudskosten kunnen worden aangemerkt.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De Rechtbank heeft in de door belanghebbende bestreden uitspraak voor het onderscheid aftrekbare onderhoudskosten en niet-aftrekbare kosten van verbetering de juiste criteria aange-legd en daarbij met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1999, nr. 34012, BNB 1999/154 terecht geoordeeld dat een splitsing van verbouwingskosten in kosten van onder-houd en kosten van verbetering niet meer aan de orde is indien de verbouwing zo radicaal is dat in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Uit (rov. 3.2 van) het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 1999, nr. 34348, BNB 1999/213 volgt dat hetgeen in bouwkundig opzicht is geschied, en derhalve ook het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een radicale vernieuwing, moet worden bezien vanuit de in de verbouwing betrokken (woon)eenheid.

4.2. Nu vaststaat dat de verbouwing slechts betrekking heeft op het kantoorgedeelte van het onder 2.1. beschreven complex, moet derhalve eerst worden beoordeeld of dit kantoorgedeelte een zelfstandige eenheid vormt binnen het complex dan wel daarvan een onzelfstandig onderdeel (bestanddeel) uitmaakt.

4.3. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat de uitnodiging voor een waarneming ter plaatse met name is gedaan met het oog op de beoordeling of het kan-toorgedeelte een zelfstandig dan wel een onzelfstandig onderdeel uitmaakt van het complex en niet om te bezien welke - achteraf niet meer te beoordelen wijzigingen zich in bouwkundig opzicht hebben voorgedaan. Na bestudering van de tot de gedingstukken behorende foto’s en bouwtekeningen en de daarop gegeven toelichting ter zitting acht het Hof een waarneming ter plaatse niet van belang voor een goede oordeelsvorming omtrent dit aspect van het geschil. Voor het antwoord op de vraag of een zaak al dan niet onderdeel uitmaakt van een andere (hoofd)zaak moet in beginsel worden aangesloten bij de bepalingen van het vermogensrecht zoals opgenomen in boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en de ter zake gewezen jurisprudentie. De gedingstukken en hetgeen partijen overigens naar voren hebben gebracht bieden het Hof voldoende informatie om met betrekking deze vraag tot een (juist) oordeel te komen.

4.4. Artikel 3:4 van het Burgerlijk Wetboek luidt:

1. Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak.

2. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken wordt bestanddeel van de hoofdzaak.

4.5. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat het kantoorgedeelte naar ver-keersopvattingen onderdeel uitmaakt van het woonhuis, of enig ander gedeelte van het complex, dat als hoofdzaak zou zijn aan te merken. Blijkens Hoge Raad 11 december 1953, NJ 1954, 115 is voor het criterium “naar verkeersopvattingen” bepalend of de hoofdzaak zonder het onderdeel als incompleet zou moeten worden beschouwd en daarzonder niet volgens zijn bestemming kan functioneren. Noch van het woonhuis noch van de opslagruimten of de winkel kan gezegd wor-den dat zij niet overeenkomstig hun bestemming kunnen functioneren indien de kantoorruimte elders was gelegen of gerealiseerd. De omstandigheid dat het kantoorgedeelte dienstbaar is aan de in de in of op het gebouw/perceel aanwezige bedrijfsactiviteiten is daarbij niet relevant, zie Hoge Raad 15 november 1991, NJ 1993,316.

4.6. Evenmin kan worden volgehouden dat het onderhavige – oorspronkelijk als aanbouw van de woning gebouwde – kantoorgedeelte niet van de woning dan wel een andere zelfstandige gedeelte van het complex kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan (ten minste) één van de zaken. Uit de overgelegde bouwtekeningen komt naar voren dat het kantoor een eigen ingang heeft die is afgescheiden van het woonhuis en de overige gedeelten van het complex, terwijl het boven de directiekamer gelegen woonhuis aan de voorzij-de een eigen ingang heeft. De omstandigheid dat de aan de achterkant gelegen tuin – zoals be-langhebbende stelt – niet anders dan via het kantoor kan worden bereikt, sluit niet uit dat het woonhuis vanuit het kantoor eenvoudig kan worden afgescheiden door een afsluitbare deur. Ook de omstandigheid dat het gehele complex voor het afnemen van water en elektriciteit gebruik maakt van slechts één water- en één elektriciteitsaansluiting en het gehele complex voor de verwarming is aangewezen op één olietank, kan niet bewerkstelligen dat het verbouwde kantoor-gedeelte als onzelfstandig onderdeel opgaat in het gehele complex dan wel een ander – als hoofd-zaak aan te merken – zelfstandig gedeelte van het complex. De voor de afbakening van objecten in de Wet Onroerende Zaken gehanteerde criteria kunnen te dezen niet worden toegepast.

4.7. Gelet op het voorgaande zal het Hof het onder 4.1 vermelde onderscheid tussen splitsing van onderhoud- en verbeteringskosten en niet-splitsing bij radicale vernieuwing bezien vanuit de kantooreenheid.

4.8. Het geheel van de onder 2.2. vermelde verbouwingswerkzaamheden waaronder – blijkens de foto’s die als bijlage 14 bij het verweerschrift van de Inspecteur in eerste aanleg zijn overge-legd – ook de volledige sloop van het dak, de zijmuren en alle raamkozijnen, vormt naar het oordeel van het Hof in bouwkundig opzicht een zo ingrijpende en omvangrijke verbouwing dat in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden zodat alle kosten als verbeteringskosten moeten worden aangemerkt. De omstandigheid dat een deel van de oude materialen zijn hergebruikt maakt dit niet anders.

4.9. Het gelijk is derhalve aan de Inspecteur. Aan het subsidiaire standpunt van partijen wordt derhalve niet toegekomen.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht..

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan te Arnhem op 26 juni 2007 door mr. M.C.M. de Kroon, voorzitter, mrs. R. den Ouden en N.E. Haas. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Van der Waerden als griffier.

(A.W.M. van der Waerden) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 juni 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.