Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BB0197

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
B 2006/277
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klacht tegen beslissing van de officier van justitie inzake het sepot m.b.t. het kraken van een zeecontainer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

B2006\277

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

inzake

S.,

klaagster,

bijgestaan door mr D. Zeewuster, advocaat te Arnhem,

tegen

W., E. en L.,

beklaagden.

Op 24 augustus 2006 heeft mr Zeewuster namens klaagster schriftelijk beklag gedaan over de beslissing van de officier van justitie te Arnhem om tegen beklaagden geen strafvervolging in te stellen. Dit klaagschrift is op 28 augustus 2006 ter griffie van dit hof ingekomen.

Het hof heeft kennisgenomen van de ambtsberichten van de officier van justitie en de hoofdofficier van justitie te Arnhem, het advies van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.

Het beklag

Klaagster heeft op 18 april 2006 aangifte gedaan van het wederrechtelijk in gebruik nemen van een woning of gebouw, gepleegd door beklaagden in de periode tussen 1 en 3 april 2006. Beklaagden hebben van klaagster een standplaats gehuurd op een woonwagenkamp. In juni 2003 is op het perceel van beklaagden een wietplantage aangetroffen. Bij gerechtelijke uitspraak is beklaagden toen aangezegd dat klaagster tot ontruiming van de standplaatsen zou overgaan, wanneer beklaagden wederom een wietplantage zouden exploiteren. Klaagster heeft de woonwagens van beklaagden eind maart 2006 verwijderd, toen eind december 2005 bij hen wederom een wietplantage is aangetroffen. Klaagster heeft op die plaatsen twee zeecontainers geplaatst, zodat er geen caravans of andere woonwagens geplaatst konden worden. Vervolgens hebben beklaagden de door klaagster geplaatste zeecontainers gekraakt en zijn in deze zeecontainers gaan wonen. Aan een schriftelijke sommatie van de advocaat van klaagster om beide standplaatsen te ontruimen, is door beklaagden geen gehoor gegeven.

Uit het dossier is niet gebleken dat beklaagden op de aangifte zijn gehoord.

De officier van justitie heeft op 1 augustus 2006 besloten beklaagden niet te vervolgen, aangezien de feiten, zoals geschetst in de aangifte, niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van overtreding van artikel 429sexies van het Wetboek van Strafrecht.

Deze beslissing is diezelfde dag aan klaagster medegedeeld.

De beoordeling van het beklag

Klaagster kan als rechtstreeks belanghebbende worden beschouwd en is derhalve ontvankelijk in haar beklag.

Klaagster heeft aangifte gedaan van het wederrechtelijk in gebruik nemen van een woning of gebouw, aangezien beklaagden de zeecontainers hebben betrokken, die door klaagster op de betreffende standplaatsen van het woonwagenkamp waren geplaatst. Uitsluitend over het wederrechtelijk in gebruik nemen van de zeecontainers zal het hof een oordeel geven, nu de officier van justitie ook slechts betreffende dit feit een beslissing heeft gegeven. Overigens blijkt uit de aangifte niet dat het in gebruik nemen door klager danwel de politie daadwerkelijk feitelijk is geconstateerd.

Het toepasselijke artikel 429sexies van het Wetboek van Strafrecht verbiedt het kraken van een woning of gebouw waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden tevoren is beëindigd. Voor het bewijs van overtreding van bovengenoemd artikel is derhalve vereist dat het gaat om een woning of gebouw.

Voor uitleg van deze begrippen kan aansluiting gezocht worden bij een arrest van de Hoge Raad van 11 februari 2002 (NJ 2002, 167), waar is bepaald dat onder ‘gebouw’ in de zin van artikel 429sexies van het Wetboek van Strafrecht - in tegenstelling tot een ‘woning’ in de zin van voornoemd artikel – is te verstaan: een bouwwerk dat niet bestemd is tot bewoning. Impliciet kan daaruit worden afgeleid dat onder ‘woning’ valt: een bouwwerk dat wel tot bewoning bestemd is.

Een zeecontainer is bestemd ten behoeve van het vervoer van goederen over zee en zodoende niet bestemd voor bewoning. Dit leidt slechts uitzondering in die gevallen waar een zeecontainer geschikt is gemaakt voor bewoning. In die gevallen geldt ook een vergunningplicht. Gelet op het feit dat uit de aangifte van klaagster is gebleken dat de betreffende zeecontainers juist geplaatst zijn met als doel dat er geen bewoning op de standplaatsen zou geschieden, leidt het hof af dat de zeecontainers niet bestemd waren (gemaakt) tot bewoning. Hieraan doet niet af dat de zeecontainers blijkens de aangifte in gebruik zijn genomen als woning. Hetgeen overigens niet feitelijk door aangever of politie is vastgesteld.

Voor wat betreft het begrip ‘gebouw’ kan het volgende opgemerkt worden. Gelet op het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad, waarbij is uitgemaakt dat de in de Leegstandwet gegeven definitie van ‘gebouw’ geen betekenis heeft voor de uitleg van artikel 429sexies van het Wetboek van Strafrecht, dient onder gebouw veeleer te worden verstaan een bouwwerk dat – in tegenstelling tot het begrip woning in dit artikel – niet bestemd is tot bewoning. Nu in de wet geen definitie wordt gegeven van het begrip gebouw kan aansluiting worden gezocht bij hetgeen daarmee in het algemeen spraakgebruik wordt bedoeld. Naar algemeen spraakgebruik zal een zeecontainer daar niet onder worden begrepen.

Derhalve valt de door klaagster geplaatste zeecontainers onder het begrip woning noch onder het begrip gebouw in de zin van eerdergenoemd artikel. Het in gebruik nemen van de zeecontainers door beklaagden kan derhalve niet met toepassing van art. 429sexies van het Wetboek van Strafrecht worden bestreden.

Uit het voorgaande volgt dat het beklag ongegrond is. Daarom kan een verhoor van betrokkenen achterwege blijven. Er wordt beslist als volgt.

Beslissing

Het hof:

Wijst het beklag af.

Deze beschikking is gegeven door mrs Abbink, voorzitter, Roessingh-Bakels en Mintjes, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Jansen, griffier, op 27 juni 2007

en ondertekend door de voorzitter en de griffier.