Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA9543

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
2005/753
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verwijst in dit verband naar zijn arrest van 4 november 2003, Agr.r. 2006, 5315, inzake [-/-]. De beslissing in bedoeld arrest ziet op het geval dat de pachter tenminste vanaf 1984 varkens heeft gehouden in de hem door de verpachter ter beschikking gestelde varkensschuur. Tegen de achtergrond van de continuïteit die bestaat tussen de diverse opvolgende regelingen van de voor het houden van varkens benodigde productierechten, heeft het hof geoordeeld dat partijen beide aan het ontstaan van het varkensrecht hebben bijgedragen, de pachter door de varkens te houden die hij voor de meitelling van 1984 heeft opgegeven, en de verpachter door de varkensschuur ter beschikking te stellen. Het hof heeft daaruit afgeleid dat de pachter, in verband met het tweede lid van artikel 25 Pachtwet, ter gelegenheid van het einde van de pachtovereenkomst gehouden is tot overdracht aan de verpachter van het tot exploitatie van het gepachte dienende varkensrecht, waartegenover hij aanspraak kan maken op een gedeelte van de waarde van dat recht, welk gedeelte in het algemeen – naar redelijkheid en billijkheid, en rekening houdende met alle omstandigheden van het geval – dient te worden bepaald op 50% van de waarde ten tijde van de overdracht. [..]

[geïntimeerde] heeft voorts nog betoogd dat een gedeelte van het varkensrecht niet verhandelbaar is, omdat dit grondgebonden is. [geïntimeerde] heeft hierbij klaarblijkelijk het oog op het tweede lid van artikel 16 Wet herstructurering varkenshouderij, dat inderdaad bepaalde dat het grondgebonden deel van het varkensrecht niet naar een ander bedrijf kan overgaan, maar ziet er ten onrechte aan voorbij dat die bepaling bij de Wet van 10 december 2003 (Stb. 2003, 542), in werking getreden per 6 februari 2004 (Stb. 2004, 38) en dus vóór het einde van de onderhavige pachtovereenkomst per 10 juni 2004, is geschrapt en dat daarmee de overgang van het grondgebonden deel van het varkensrecht mogelijk werd gemaakt. Het hof verwijst naar artikel 16 Wet herstructurering veehouderij en naar het vijfde lid van artikel 18 van die wet, zoals beide bepalingen golden vanaf 6 februari 2004 tot het moment dat de Wet herstucturering veehouderij is ingetrokken, namelijk per 1 januari 2006 (artikel II wet van 15 september 2005, Stb. 2005, 480; inwerkingtreding volgens Stb 2005, 562). Ook in zoverre is het standpunt van [geïntimeerde] derhalve onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2007/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 juni 2007

pachtkamer

rolnummers 2005/753 P en 2005/765 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak met rolnummer 2005/753 P van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

procureur: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

procureur: mr. F.J. Boom,

almede in de zaak met rolnummer 2005/765 P van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

procureur: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het incidenteel beroep,

procureur: mr. F.J. Boom,

1 Het geding in eerste aanleg in de zaak met rolnummer 2005/753 P

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 7 juni 2005 in de zaak met het nummer CP 328940/04/03, dat de pachtkamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Boxmeer, tussen appellant in het principaal beroep (hierna te noemen: [appellant]) als eiser (de kop van het vonnis vermeldt abusievelijk: “gedaagde”) en geïntimeerde in het principaal beroep (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde (de kop van het vonnis vermeldt abusievelijk: “eiser”) heeft gewezen. Een kopie van genoemd vonnis is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in eerste aanleg in de zaak met rolnummer 2005/765 P

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 7 juni 2005 in de zaak met het nummer CP 327122/16/03, dat de pachtkamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Boxmeer, tussen appellant in het principaal beroep (hierna te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde in het principaal beroep (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen. Een kopie van genoemd vonnis is aan dit arrest gehecht.

3 Het geding in hoger beroep in de zaak met rolnummer 2005/753 P

3.1 [appellant] heeft bij exploot van 7 juli 2005 aan [geïntimeerde] aangezegd van het onder 1 bedoelde vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

3.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft hij een aantal nieuwe producties in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van de vorderingen van [appellant], zoals geformuleerd in het bestreden vonnis op de pagina’s 2 en 3 onder III, V en VI (eerste alinea inzake het aspect van het mestquotum), zulks met bekrachtiging van het vonnis voor het overige, en opnieuw recht doende:

a. [geïntimeerde] zal veroordelen om aan [appellant] ter zake van onbetaald gebleven pachtpenningen te betalen de somma van € 9.153,— te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag der inleidende dagvaarding in eerste aanleg tot die der algehele voldoening en met een bedrag ad € 405,— terzake van buitengerechtelijke kosten;

b. [geïntimeerde] zal veroordelen op overeenkomstige wijze als is geformuleerd in meergemeld vonnis onder VI;

een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en verweer gevoerd, heeft hij zijnerzijds in voorwaardelijk incidenteel beroep één grief tegen het bestreden vonnis opgeworpen, heeft hij bewijs aangeboden en een nieuwe productie in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd:

in het principaal beroep:

dat de vorderingen van [appellant] moeten worden afgewezen, althans dat het bestreden vonnis, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden, moet worden bevestigd, en dat [appellant] moet worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, onder bepaling dat [appellant] de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is als hij deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van ’s hofs arrest heeft voldaan;

in het voorwaardelijk incidenteel beroep:

dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover het door [geïntimeerde] opgeworpen incident tot voeging van de zaak met de hiervoor onder 2 bedoelde zaak is afgewezen en dat het hof, opnieuw recht doende, beide zaken zal voegen en ook als zodanig zal behandelen.

3.4 Vervolgens heeft [appellant] in het principaal beroep bij akte op de memorie van antwoord gereageerd, een nieuwe productie in het geding gebracht, en heeft hij zich in het voorwaardelijk incidenteel beroep aan het oordeel van het hof gerefereerd.

3.5 Bij antwoordakte heeft [geïntimeerde] een nieuwe productie in het geding gebracht en is hij ingegaan op de inhoud van de akte van [appellant].

3.6 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

4 Het geding in hoger beroep in de zaak met rolnummer 2005/765 P

4.1 [appellant] heeft bij exploot van 7 juli 2005 aan [geïntimeerde] aangezegd van het onder 2 bedoelde vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

4.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, en heeft hij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover de door [geïntimeerde] op grond van de pachtovereenkomst te betalen tegenprestatie met ingang van 1 augustus 2003 op nihil werd gesteld, [appellant] werd veroordeeld in de proceskosten en de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard, met bekrachtiging van het vonnis voor het overige, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

4.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft hij zijnerzijds in incidenteel beroep twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, heeft hij zijn eis gewijzigd, heeft hij bewijs aangeboden, en heeft hij geconcludeerd:

in het principaal beroep:

dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van [appellant] af zal wijzen, het bestreden vonnis, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden zal bevestigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep, onder bepaling dat [appellant] de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is als hij deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van ’s hofs arrest heeft voldaan;

in het incidenteel beroep:

dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen wat betreft het in rechtsoverweging 3.6 vervatte oordeel, en de zaak terug zal verwijzen naar de pachtkamer in eerste aanleg voor verdere afdoening, althans volgens zijn gewijzigde vordering:

III. voor recht zal verklaren dat de tot het (voormalig) gepachte behorende varkensrechten aan [geïntimeerde] toebehoren en dat [geïntimeerde] niet gehouden is medewerking te verlenen aan enige overdracht van deze varkensrechten aan [appellant] en dat hij evenmin gehouden is enige vergoeding te verstrekken aan [appellant];

IV. indien en voor zover de pachtkamer het onder III. gevorderde afwijst, (subsidiair) voor recht zal verklaren dat [appellant] slechts recht heeft op 25% van de waarde van de met het gepachte samenhangende varkensrechten, althans (meer subsidiair) voor recht zal verklaren dat [appellant] recht heeft op een door de pachtkamer in goede justitie te bepalen gedeelte van de waarde van de tot het gepachte behorende varkensrechten;

V. [appellant] zal veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, tot vergoeding van de door [geïntimeerde] als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de pachtovereenkomst die tussen partijen tot 10 juni 2004 heeft gelopen, geleden en nog te lijden schade, zulks op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties, onder bepaling dat [appellant] de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is als hij deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van ’s hofs arrest heeft voldaan.

4.4 Vervolgens heeft [appellant] in het principaal beroep bij akte op de memorie van antwoord gereageerd en een nieuwe productie in het geding gebracht, heeft hij de grieven in het incidenteel beroep bestreden, en heeft hij tegen de gewijzigde eis deels verweer gevoerd en voor het overige zich gerefereerd.

4.5 Bij antwoordakte heeft [geïntimeerde] gereageerd op het laatstbedoelde processtuk van [appellant] en twee nieuwe producties in het geding gebracht.

4.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

5 De vaststaande feiten

5.1 Op grond van de in zoverre niet bestreden vaststelling van de pachtkamer van de rechtbank en op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende is weersproken dan wel blijkt uit de onbetwiste inhoud van de overgelegde bescheiden, staat in het hoger beroep in beide zaken het navolgende vast.

5.2 Bij een in 1992 aangegane en op 23 oktober 1992 door de Grondkamer voor Noord-Brabant goedgekeurde pachtovereenkomst heeft [appellant] als verpachter een varkensstal voor 360 mestvarkens, kadastraal bekend gemeente [...], sectie [...] gedeeltelijk, aan [geïntimeerde] als pachter in gebruik gegeven voor de duur van zes jaar, ingaande op 1 januari 1993, tegen een jaarlijkse pachtprijs van ƒ 17.520,—, te voldoen in 12 termijnen op de 28e van elke maand, voor het eerst te voldoen op 28 januari 1993. Art. 22 van de pachtovereenkomst luidt:

“Bij faillissement van de pachter gaat de referentiehoeveelheid dierlijke meststoffen om niet over naar de verpachter.”

5.3 Voorafgaand aan de onder 5.2 bedoelde pachtovereenkomst heeft [A.] de varkensschuur in 1983 verpacht aan [B.], de vader van [geïntimeerde]. Nadat [appellant] de varkensschuur van [A.] had verkregen, heeft hij per 1 januari 1987 de varkensschuur voor zes jaar verpacht aan genoemde [B.].

5.4 Bij beschikking van 10 september 1999 heeft de Grondkamer Zuid de pachtprijs vastgesteld op ƒ 19.303,— per jaar, ingaande 1 januari 1999.

5.5 Bij aangetekende brief van 15 juli 2003 heeft [geïntimeerde] onder meer het navolgende geschreven:

“Met deze brief delen wij u mee dat wij de pacht per 1 augustus 2003 opschorten totdat u de vleesvarkensstal bouwtechnisch in orde maakt. Zoals al mondeling besproken met de heer [geïntimeerde] zijn de roosters in de stal van dermate slechte kwaliteit, dat biggen opleggen niet meer veilig en verantwoord is. Verder voldoet uw stal niet aan de milieu- en welzijnseisen van het Varkensbesluit. Derhalve is het verboden om er varkens in te huisvesten.

Daar u onze pachtovereenkomst goedgekeurd d.d. 23 oktober 1992 door de grondkamer voor Noord-Brabant niet nakomt, zien wij ook geen enkele reden meer om de pacht te betalen.

Wij stellen u hierbij in gebreke doordat u uw onderhoudsverplichting niet nakomt en de stal ook niet wil aanpassen aan de nieuwe eisen van het Varkensbesluit. U heeft in juni 2003 ook mondeling aangegeven dit ook geenszins van plan te zijn.

Voorstel van onze kant is om bij niet nakoming van het onderhoud de pachtovereenkomst samen per 1 augustus 2003 op te zeggen.”

5.6 Eind juli 2003 heeft [geïntimeerde] de laatste varkens uit de verpachte stal weggehaald en de exploitatie van de stal gestaakt.

5.7 Op 1 augustus 2003 is het Koninklijk Besluit van 28 april 2003, houdende wijzing van het Varkensbesluit (implementatie richtlijnen nr. 2001/88/EG en nr. 2001/93/EG) in werking getreden.

5.8 Bij brief van 4 augustus 2003 heeft de adviseur van [appellant], [C.], bestreden dat het gepachte bouwtechnisch niet in orde zou zijn en dat niet voldaan zou zijn aan het Varkensbesluit. De brief houdt verder onder meer in dat [appellant] onder voorwaarden bereid was de pacht te beëindigen. Tot die voorwaarden behoorde dat het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht zonder vergoeding op de verpachter zou overgaan.

5.9 Vervolgens hebben partijen verder met elkaar gecorrespondeerd, maar geen overeenstemming bereikt.

5.10 Ter gelegenheid van de op 10 juni 2004 ten overstaan van de pachtkamer in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen, zijn partijen het volgende overeengekomen:

“Partijen komen hierna over een dat de pachtovereenkomst tussen partijen in ieder geval per heden wordt beëindigd en dat de varkensstal ook daadwerkelijk is ontruimd.”

6 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Overwegingen in beide zaken

6.1 Het geschil zoals dat partijen thans nog verdeeld houdt, heeft vooral betrekking op:

1. de vraag of [geïntimeerde] aanspraak kan maken op schadevergoeding;

2. de vraag of [appellant] aanspraak kan maken op betaling van de pachtprijs over de periode vanaf 1 juli 2003 tot 10 juni 2004;

3. de vraag aan wie (de waarde van) het varkensrecht toekomt;

6.2 De onder 6.1 sub 1 bedoelde vraag wordt aan de orde gesteld door grief I in het incidenteel beroep in de zaak met rolnummer 2005/765 P en zal het hof hierna onder 6.38 e.v. bespreken.

6.3 De onder 6.1 sub 2 bedoelde vraag wordt aan de orde gesteld door grief III in het principaal beroep in de zaak met rolnummer 2005/753 P, alsmede door grief I in het principaal beroep in de zaak met rolnummer 2005/765 P zal het hof hierna onder 6.4 e.v. bespreken.

6.4 De pachtkamer in eerste aanleg heeft de vordering van [appellant] tot betaling van de pachtprijs over de periode vanaf 1 juli 2003 tot 10 juni 2004 afgewezen. [appellant] komt tegen die beslissing op.

6.5 Ter zake van het onderhavige geschilpunt zijn twee perioden te onderscheiden: (1) de periode vanaf 1 juli tot 1 augustus 2003 en (2) de periode van 1 augustus 2003 tot en met 10 juni 2004, zijnde de tussen partijen overeengekomen beëindigingsdatum (zie hiervoor onder 5.10).

6.6 Ten aanzien van de eerste periode is van belang dat [appellant] ter gelegenheid van de op 10 juni 2004 gehouden comparitie van partijen heeft verklaard dat de pacht tot en met 31 juli 2003 is betaald. Thans in hoger beroep heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat de pachtprijs over de maand juli 2003 niet is voldaan en hij heeft daarvan ook bewijs aangeboden. [geïntimeerde] heeft zich beroepen op de erkenning door [appellant] ter gelegenheid van de comparitie van partijen.

6.7 Naar het hof begrijpt, beroept [geïntimeerde] zich op een gerechtelijke erkentenis als bedoeld in artikel 154 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. [appellant] heeft bij inleidende dagvaarding van 14 januari 2004 betaling gevorderd van de pacht over de maanden “juli tot en met november 2003”. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen van 10 juni 2004 heeft [geïntimeerde], naar blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie, verklaard dat de pachtpenningen over de maand juli 2003 waren betaald en dat betaling altijd vooraf geschiedde. In reactie daarop heeft [appellant], eveneens volgens het proces-verbaal, verklaard dat de pacht tot en met 31 juli 2003 was betaald en aldus de waarheid van bedoelde stelling van [geïntimeerde] uitdrukkelijk erkend. Daarmee is sprake van een gerechtelijke erkentenis. Volgens genoemd artikel 154 kan een gerechtelijke erkentenis slechts worden herroepen indien aannemelijk is dat zij door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Het hof leest in de stellingen van [appellant] niet dat zich een grond voor herroeping voordoet. De enkele mededeling van [appellant] (akte van 2 januari 2007 in de zaak met rolnummer 2005/765) dat hij “inmiddels heeft… geconstateerd dat ook de pachtpenningen over de maand juli 2003 niet zijn voldaan” beschouwt het hof in dit verband niet als een voldoende gemotiveerd beroep op dwaling.

6.8 Wat betreft de tweede periode als bedoeld onder 6.5, namelijk die van 1 augustus 2003 tot en met 10 juni 2004, heeft de pachtkamer in eerste aanleg in de zaak met rolnummer 2005/765 de door [geïntimeerde] als pachter verschuldigde tegenprestatie op nihil gesteld, hetgeen het hof begrijpt als een gedeeltelijke ontbinding van de pachtovereenkomst, in dier voege dat [geïntimeerde] over de bedoelde periode geen pachtpenningen behoeft te voldoen. In de zaak met rolnummer 2005/753 is de vordering op die in de zaak met rolnummer 2005/765 genoemde grond afgewezen. Bedoelde nihilstelling berust op het oordeel van de pachtkamer in eerste aanleg, naar aanleiding van hetgeen die kamer ter plaatse heeft waargenomen, dat de stal niet meer voor de varkensmesterij en behuizing voor varkens is te gebruiken, omdat die niet aan de eisen van het Varkensbesluit voldoet. In dit verband heeft de pachtkamer in eerste aanleg het navolgende geconstateerd:

• de openingen tussen de roosters in de vloeren variëren van 18 tot 22 mm met uitschieters naar 25 en 29/30 mm;

• de vloeren zijn hier en daar zeer ruw, mede door gaten in het beton;

• in een hok is een ijzeren plaat aangebracht op de plaats waar het rooster is gescheurd (deze plaat is roestig);

• de kabels waarop de plafondfolie rust zijn deels vergaan;

• de brijbakken verkeren in een slechte en versleten toestand en zijn deels van zeer matige kwaliteit.

6.9 De bezwaren van [appellant] tegen het oordeel van de pachtkamer in eerste aanleg laten zich als volgt samenvatten:

a. De pachtkamer in eerste aanleg heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom zij de uitkomsten van het in opdracht van [appellant] door Derks Taxaties B.V. verrichte onderzoek heeft gepasseerd en had bij gebreke van een nieuw onderzoek, de uitkomsten van het onderzoek van Derks Taxaties B.V. moeten volgen.

b. Oordelend dat de stal was versleten, had de pachtkamer in eerste aanleg een onderzoek in dienen te stellen ter beantwoording van de vraag of die situatie aan de ouderdom van het gebouw dan wel aan achterstallig onderhoud was te wijten.

c. Tot kort voor zijn brief van 15 juli 2003 had [geïntimeerde] [appellant] niet dan wel summier op de hoogte gesteld van mogelijke mankementen.

6.10 Het onder a omschreven bezwaar dient te worden verworpen. Zoals hiervoor onder 6.8 is weergegeven heeft de pachtkamer in eerste aanleg haar bevindingen nauwkeurig omschreven en daarmee – mede tegen de achtergrond van de inhoud van artikel 8 Varkensbesluit – afdoende gemotiveerd waarom zij het rapport van Derks Taxaties B.V. ondeugdelijk achtte. [appellant] heeft de feitelijke juistheid van de bevindingen van de pachtkamer in eerste aanleg in hoger beroep ook niet bestreden. De pachtkamer in eerste aanleg heeft dan ook terecht de uitkomsten van het onderzoek van Derks Taxaties B.V. niet gevolgd. Het onder b omschreven bezwaar moet evenzeer worden verworpen, nu [appellant] ten onrechte heeft nagelaten te motiveren en concretiseren in welke opzichten niet hem maar [geïntimeerde] een verwijt treft van de door de pachtkamer in eerste aanleg in de stal waargenomen mankementen. Gelet op de aard van de constateringen van de pachtkamer in eerste aanleg zoals onder 6.8 weergegeven, ligt het niet voor de hand dat die constateringen terug te voeren zijn op onvoldoende (dagelijks) onderhoud door de pachter. Wat betreft het onder c omschreven bezwaar is van belang dat [geïntimeerde] zich er in eerste aanleg op heeft beroepen dat [appellant] zich heel duidelijk op het standpunt heeft gesteld dat op hem geen verplichting rustte om de stal aan te passen aan de door het Varkensbesluit gestelde welzijnseisen, en meende dat met “een aantal lapmiddelen” kon worden volstaan (conclusie van antwoord van 14 september 2004). Ook heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij uit uitlatingen van [appellant] heeft opgemaakt dat [appellant] niet van zins was om in de stal te investeren (conclusie van dupliek van 11 januari 2005). Het hof begrijpt hieruit dat [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat van hem – gelet op de afwijzende houding van [appellant] – niet kon worden gevergd dat hij nader protesteerde tegen de mankementen in de stal. [appellant] heeft niet voldoende gemotiveerd betwist dat hij afwijzend heeft gereageerd op het standpunt van [geïntimeerde] dat aanpassing van de stal nodig was en heeft – ook nadat hij ter gelegenheid van de plaatsopneming door de pachtkamer in eerste aanleg van de mankementen in de stal volledig kennis heeft genomen – in die houding volhard. Uit een en ander volgt dat voor zover aan [geïntimeerde] kan worden verweten dat hij niet tijdig dan wel onvoldoende tegen de mankementen heeft geprotesteerd, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat dit zou leiden tot rechtsverlies aan de zijde van [geïntimeerde], omdat uit het tot op heden gehandhaafde standpunt van [appellant] volgt dat hij ook aan een tijdig en voldoende duidelijk protest geen gevolg zou hebben gegeven. Dat [geïntimeerde] ten tijde van zijn eerste protest reeds had laten weten van de pachtovereenkomst af te willen, zoals door [appellant] is aangevoerd, doet er niet aan af dat [appellant] – indien hij [geïntimeerde] had willen houden aan zijn verbintenis tot betaling van de pachtpenningen – ervoor diende te zorgen dat de aan [geïntimeerde] verpachte varkensstal bleef voldoen aan de eisen die de wet aan een zodanige stal stelt.

6.11 De onder 6.1 sub 3 bedoelde vraag wordt aan de orde gesteld door grief II in het principaal beroep in de zaak met rolnummer 2005/753 P, alsmede door grief II in het incidenteel beroep en de gewijzigde eis van [geïntimeerde] in de zaak met rolnummer 2005/765 P.

6.12 Het hof verwijst in dit verband naar zijn arrest van 4 november 2003, Agr.r. 2006, 5315, inzake [-/-]. De beslissing in bedoeld arrest ziet op het geval dat de pachter tenminste vanaf 1984 varkens heeft gehouden in de hem door de verpachter ter beschikking gestelde varkensschuur. Tegen de achtergrond van de continuïteit die bestaat tussen de diverse opvolgende regelingen van de voor het houden van varkens benodigde productierechten, heeft het hof geoordeeld dat partijen beide aan het ontstaan van het varkensrecht hebben bijgedragen, de pachter door de varkens te houden die hij voor de meitelling van 1984 heeft opgegeven, en de verpachter door de varkensschuur ter beschikking te stellen. Het hof heeft daaruit afgeleid dat de pachter, in verband met het tweede lid van artikel 25 Pachtwet, ter gelegenheid van het einde van de pachtovereenkomst gehouden is tot overdracht aan de verpachter van het tot exploitatie van het gepachte dienende varkensrecht, waartegenover hij aanspraak kan maken op een gedeelte van de waarde van dat recht, welk gedeelte in het algemeen – naar redelijkheid en billijkheid, en rekening houdende met alle omstandigheden van het geval – dient te worden bepaald op 50% van de waarde ten tijde van de overdracht.

6.13 [geïntimeerde] stelt zich (primair) op het standpunt dat het varkensrecht hem geheel toekomt. Ook [appellant] stelt zich zijnerzijds op het standpunt dat het varkensrecht geheel aan hem toekomt.

6.14 [geïntimeerde] beroept zich in de eerste plaats op artikel 22 van de pachtovereenkomst. Hij leidt uit die bepaling af dat partijen in de vraag of de pachter tot overdracht van het varkensrecht (voorheen de referentiehoeveelheid dierlijke meststoffen) gehouden is, zelf hebben voorzien en wel in die zin dat alleen in geval van faillissement het varkensrecht om niet op de verpachter overgaat, en dat hij als pachter in andere gevallen recht heeft op het volledige varkensrecht. Het laatste laat zich echter geenszins uit de tekst van artikel 22 afleiden; die tekst heeft immers enkel betrekking op het geval van faillissement van de pachter. Concrete feiten of omstandigheden waaruit volgt dat partijen artikel 22 – niettegenstaande de tekst van die bepaling – bedoeld hebben in de door [geïntimeerde] voorgestane zin, althans dat [geïntimeerde] redelijkerwijs van die bedoeling heeft mogen uitgaan, zijn door [geïntimeerde] niet gesteld. Zijn beroep op artikel 22 faalt derhalve.

6.15 [geïntimeerde] heeft zich in de tweede plaats beroepen op de redelijkheid en billijkheid in verband met specifieke feiten en omstandigheden. Die feiten en omstandigheden zijn:

I. [appellant] was op het moment dat [geïntimeerde] in 1983 pachter werd, geen verpachter, maar werd dat eerst voorafgaand aan de overeenkomst van 1987.

II. [appellant] heeft zelf nooit varkens gehad.

III. De locatie van het gepachte heeft geen afzonderlijk mestnummer bij Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

IV. [geïntimeerde] heeft tweemaal gezorgd voor het ontstaan en instandhouden van de voor het houden van varkens benodigde productierechten, namelijk eerst voor de toekenning van een referentiehoeveelheid mestproductierechten en vervolgens voor de omzetting daarvan in eenheden varkensrecht.

V. Het bedrijf van [geïntimeerde] is aangemerkt als een hardheidsgeval in de zin van het Besluit hardheidsgevallen varkenshouderij op de grond dat [geïntimeerde] in het juiste tijdvak voor zijn bedrijf een nieuwe milieuvergunning heeft aangevaagd, als gevolg waarvan ook de eventuele latentie in de stal van [appellant] is opgevuld.

VI. [appellant] heeft geen mestnummer waarop de varkensrechten zouden kunnen worden bijgeschreven.

6.16 Uit de overwegingen van het hof in de zaak [-/-], zoals onder 6.12 samengevat, volgt dat de onder II, III en IV bedoelde feiten en omstandigheden niet van belang zijn.

6.17 Ook de onder I aangeduide omstandigheid kan er niet toe leiden dat [geïntimeerde] aanspraak kan maken op meer dan op 50% van de waarde van het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht. [appellant] is door de verkrijging van het gepachte zijn rechtsvoorganger immers in alle rechten en verplichtingen opgevolgd. Het hof verwijst naar artikel 34 Pachtwet.

6.18 De onder V bedoelde feiten en omstandigheden leiden evenmin tot een vergroting van de aanspraak van [geïntimeerde]. Reeds daarom niet omdat [geïntimeerde] niet stelt dat als gevolg daarvan ten behoeve van de exploitatie van het gepachte daadwerkelijk meer eenheden varkensrecht zijn verkregen dan anders het geval zou zijn geweest, maar enkel spreekt van een eventuele latentie (inleidende dagvaarding onder 29). Voor zover [geïntimeerde] met zijn akte van 14 september 2004 onder 3 en 4 bedoeld heeft te stellen dat daadwerkelijk sprake was van latente ruimte in de gepachte varkensstal, geldt dat hij die stelling onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat hij geen concrete gegevens heeft genoemd waaruit zich dat laat afleiden. Het hof voegt aan het voorgaande ten overvloede toe dat ook indien vast zou staan dat in verband met latente plaatsingsruimte daadwerkelijk meer eenheden varkensrecht zijn verkregen, dit niet tot een andere beslissing leidt. Bedoelde plaatsingsruimte is immers door de verpachter ter beschikking gesteld en aldus heeft hij ook in zoverre aan het ontstaan van het varkensrecht bijgedragen.

6.19 Ten slotte leidt ook de onder VI bedoelde omstandigheid er niet toe dat [geïntimeerde] aanspraak zou kunnen maken op het volledige varkensrecht, althans op een vergoeding van meer dan 50% van de waarde van het met het gepachte samenhangende gedeelte van dat recht. Indien de verpachter zelf niet over een mestnummer beschikt, kan oplevering van het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht plaatsvinden doordat de verpachter de opvolgend pachter dan wel een andere derde aanwijst op wiens naam de overschrijving dient plaats te vinden. Ook kunnen partijen overeenkomen dat de pachter het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht behoudt dan wel zelf verkoopt, onder vergoeding van 50% van de waarde aan de verpachter.

6.20 Uit het voorgaande volgt dat ook het beroep van [geïntimeerde] op de redelijkheid en billijkheid niet opgaat en dat hij op niet meer dan op 50% van de waarde van het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht aanspraak kan maken.

6.21 Voor zijn standpunt dat [geïntimeerde] in het geheel geen aanspraak op een vergoeding voor het over te dragen varkensrecht kan maken, heeft [appellant] zich erop beroepen dat de onderhavige pachtovereenkomst na 1984 is aangegaan, namelijk in 1992 en ingegaan per 1 januari 1993, en dat weliswaar eerder reeds (namelijk vanaf 1983) een pachtovereenkomst heeft bestaan, doch niet met [geïntimeerde] maar in plaats daarvan met diens vader, [B.].

6.22 Dit standpunt moet worden verworpen. In de stellingen van [geïntimeerde] ligt besloten dat hij de destijds aan zijn vader, dan wel aan de maatschap (van vader en zoon), toegekende productierechten van deze heeft overgenomen en dus dat deze niet door [appellant] aan hem ter beschikking zijn gesteld, hetgeen door [appellant] niet is betwist. Gelet daarop valt niet in te zien hoe de omstandigheid dat [geïntimeerde] in 1984 zelf nog geen pachter was – zo min als [appellant] toen verpachter was – naar redelijkheid en billijkheid mee zou kunnen brengen dat het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht geheel aan [appellant] toekomt, in die zin dat hij [geïntimeerde] daarvoor geen vergoeding verschuldigd is. Bedoelde omstandigheid leidt er ook niet toe dat [appellant] minder dan 50% van de waarde van het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht aan [geïntimeerde] behoeft te vergoeden.

6.23 Nu het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht in die vorm niet langer beschikbaar is, zodat oplevering ervan niet meer mogelijk is, schiet [geïntimeerde] tekort in de nakoming van de op hem rustende verbintenis, hetgeen hem tot schadevergoeding verplicht. Beide partijen gaan uit van een waarde van € 60,— per eenheid varkensrecht. Partijen verschillen van opvatting over het aantal eenheden varkensrecht dat met het gepachte samenhangt. Volgens [appellant] zijn dat er 360, overeenkomstig het aantal varkensplaatsen. [geïntimeerde] gaat uit van 320 eenheden en betoogt bovendien dat rekening moet worden gehouden met een generieke korting van 10%.

6.24 Volgens de eigen stellingen van [appellant] is het aantal varkensplaatsen eind 1991 vergroot van 320 tot 360 stuks. Nu naar aanleiding van de meitelling 1984 mestproductierechten zijn toegekend en die toekenning, in verband met de continuïteit die bestaat tussen de diverse opvolgende regelingen van de voor het houden van varkens benodigde productierechten, bepalend is voor de omvang van het varkensrecht, dient uit te worden gegaan van 320 varkensplaatsen.

6.25 Met zijn beroep op een generieke korting van 10% heeft [geïntimeerde] klaarblijkelijk het oog op de bepaling van artikel 6 Wet herstructurering varkenshouderij. Door [appellant] is niet betwist dat op grond van die bepaling inderdaad een generieke korting is toegepast. Dat betekent dat het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht niet meer dan (90% van 320) 288 eenheden varkensrecht omvat.

6.26 [geïntimeerde] heeft voorts nog betoogd dat een gedeelte van het varkensrecht niet verhandelbaar is, omdat dit grondgebonden is. [geïntimeerde] heeft hierbij klaarblijkelijk het oog op het tweede lid van artikel 16 Wet herstructurering varkenshouderij, dat inderdaad bepaalde dat het grondgebonden deel van het varkensrecht niet naar een ander bedrijf kan overgaan, maar ziet er ten onrechte aan voorbij dat die bepaling bij de Wet van 10 december 2003 (Stb. 2003, 542), in werking getreden per 6 februari 2004 (Stb. 2004, 38) en dus vóór het einde van de onderhavige pachtovereenkomst per 10 juni 2004, is geschrapt en dat daarmee de overgang van het grondgebonden deel van het varkensrecht mogelijk werd gemaakt. Het hof verwijst naar artikel 16 Wet herstructurering veehouderij en naar het vijfde lid van artikel 18 van die wet, zoals beide bepalingen golden vanaf 6 februari 2004 tot het moment dat de Wet herstucturering veehouderij is ingetrokken, namelijk per 1 januari 2006 (artikel II wet van 15 september 2005, Stb. 2005, 480; inwerkingtreding volgens Stb 2005, 562). Ook in zoverre is het standpunt van [geïntimeerde] derhalve onjuist.

6.27 Volgens hetgeen hiervoor is overwogen, bedraagt de door [geïntimeerde] aan [appellant] verschuldigde vergoeding 50% van 288 eenheden à € 60 is € 8.640,—.

Overwegingen in de zaak met rolnummer 2005/753 P

6.28 Met grief I in het principaal beroep beklaagt [appellant] zich erover dat de pachtkamer in eerste aanleg de vermeerdering van eis, voor zover het betreft het varkensrecht dan wel het mestquotum, niet heeft toegestaan. In zoverre is het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat volgens het tweede lid van artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen een zodanige beslissing geen hogere voorziening openstaat.

6.29 Uit grief II in het principaal beroep in samenhang met de conclusie van de memorie van grieven begrijpt het hof dat [appellant] zijn vordering in hoger beroep opnieuw heeft vermeerderd, in die zin dat hij veroordeling van [geïntimeerde] vordert om mee te werken aan overdracht van het “mestquotum van 360 varkens” en subsidiair tot betaling van een vergoeding van 100% van de waarde van dat quotum ten bedrage van € 21.600,—. Terugwijzing naar de pachtkamer in eerste aanleg, zoals door [geïntimeerde] bepleit, is niet mogelijk omdat die kamer reeds eindvonnis heeft gewezen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad staat de omstandigheid dat over de gewijzigde eis in slechts één feitelijke instantie (namelijk de appèlinstantie) kan worden beslist, niet aan eiswijziging in de weg. Het hof zal dan ook op basis van de vermeerderde eis recht doen.

6.30 Uit hetgeen hiervoor onder 6.11-6.27 is overwogen, volgt dat ter zake van het met gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht toewijsbaar is een bedrag van € 8.640,—.

6.31 Uit hetgeen onder 6.3-6.10 is overwogen, volgt dat grief III in het principaal beroep faalt.

6.32 De voorwaarde waaronder [geïntimeerde] incidenteel beroep heeft ingesteld, door het hof opgevat als de voorwaarde dat het hof de beide zaken niet gevoegd behandelt, is niet vervuld, zodat de grief in dat beroep geen bespreking behoeft.

6.33 Uit hetgeen is overwogen, volgt dat partijen ieder over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld. Gelet daarop heeft de pachtkamer in eerste aanleg terecht de proceskosten gecompenseerd. Grief IV in het principaal beroep faalt derhalve.

6.34 De slotsom is dat de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden en dat de gewijzigde eis van [appellant] toewijsbaar is tot een bedrag van € 8.640,—. Ook wat betreft het hoger beroep acht het hof een compensatie van de proceskosten gepast.

Overwegingen in de zaak met rolnummer 2005/765 P

6.35 Uit hetgeen onder 6.3-6.10 is overwogen, volgt dat grief I in het principaal beroep faalt.

6.36 Grief II in het principaal beroep bouwt voort op grief I en deelt in het lot van die grief.

6.37 Grief I in het incidenteel beroep heeft betrekking op het onder 6.1 sub 1 aangeduide geschilpunt. [geïntimeerde] beklaagt zich erover dat de pachtkamer in eerste aanleg de letterlijke tekst van zijn vordering sub V tot uitgangspunt heeft genomen. Gelet op het verbod voor de rechter om buiten het gevorderde te gaan, heeft de pachtkamer in eerste aanleg zich terecht gehouden aan de wijze waarop [geïntimeerde] zijn vordering had geformuleerd.

6.38 In hoger beroep heeft [geïntimeerde] alsnog zijn vordering sub V, strekkende tot schadevergoeding nader op te maken bij staat, losgemaakt van zijn vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldoende dat de aansprakelijkheid vaststaat en de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat bedoelde mogelijkheid daadwerkelijk bestaat, is door [geïntimeerde] echter niet aannemelijk gemaakt. Tegen de achtergrond van de omstandigheid dat [geïntimeerde] met het als gevolg van het stopzetten van de exploitatie van de varkensstal vrijkomende vermogen en met vrijkomende arbeid vervangende ondernemingsactiviteiten heeft ontplooid dan wel heeft kunnen ontplooien, behoefde bedoelde mogelijkheid immers een nadere toelichting, die ten onrechte achterwege is gebleven. In zoverre is de gewijzigde eis derhalve niet toewijsbaar.

6.39 Met grief II in het incidenteel beroep beklaagt [geïntimeerde] zich erover dat ook zijn vordering tot verklaring voor recht dat hij niet gehouden is tot overdracht van het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht en evenmin gehouden is tot het betalen van een vergoeding ter zake van bedoeld gedeelte, door de pachtkamer in eerste aanleg niet inhoudelijk is behandeld. Ook hier geldt dat de pachtkamer in eer-ste aanleg zich terecht niet buiten het door [geïntimeerde] gevorderde heeft begeven.

6.40 [geïntimeerde] heeft zijn vorderingen sub III en IV in hoger beroep alsnog losgemaakt van zijn vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst. Uit hetgeen hiervoor onder 6.11 tot en met 6.27 is overwogen, volgt dat [geïntimeerde] de helft van de waarde van het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht aan [appellant] dient te vergoeden. De vordering van [geïntimeerde] sub III is dan ook niet toewijsbaar. De vordering sub IV is slechts toewijsbaar in die zin dat het hof voor recht zal verklaren dat [appellant] recht heeft op de helft van de waarde van het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht.

6.41 De slotsom is dat de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden en dat de gewijzigde eis van [geïntimeerde] toewijsbaar is in die zin dat het hof voor recht zal verklaren dat [appellant] recht heeft op de helft van de waarde van het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht. In het principaal beroep is [appellant] geheel in het ongelijk gesteld, zodat het hof [appellant] zal veroordelen in de kosten van dat beroep. Bij de begroting van die kosten zal het hof rekening houden met de omstandigheid dat sprake is van twee samenhangende zaken, zodat de voorbereiding van de zaak met rolnummer 2005/753 P de behandeling door de raadsman van [geïntimeerde] van het principaal beroep heeft vergemakkelijkt. De proceskosten in het incidenteel beroep zal het hof compenseren, nu partijen in dat beroep ieder deels in het ongelijk zijn gesteld.

7 Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in de zaak met rolnummer 2005/753 P:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Boxmeer, van 7 juni 2005 in de zaak met het nummer CP 328940/04/03;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een vergoeding ter zake van het varkensrecht ad € 8.640,—;

wijst de gewijzigde eis van [appellant] voor het overige af;

compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

in de zaak met rolnummer 2005/765 P:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Boxmeer, van 7 juni 2005 in de zaak met het nummer CP 327122/16/03;

verklaart voor recht dat [appellant] recht heeft op de helft van de waarde van het met het gepachte samenhangende gedeelte van het varkensrecht;

wijst de gewijzigde eis van [geïntimeerde] voor het overige af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal beroep, tot op dit arrest aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 244,— voor griffierecht en op € 500,— voor procureurssalaris, en bepaalt dat [appellant] wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is indien hij deze kosten niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;

compenseert de kosten van het incidenteel beroep aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Wesseling-Lubberink en Olthof, en de raden ing. De Lorijn en ir. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2007.