Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA9175

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
21-002721-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een verkeersongeval met dodelijke afloop, taakstraf 120 uren en een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden.

Verdachte is een ambulancechauffeur en op weg naar een spoedmelding. Onderweg rijdt hij op een kruising tegen een auto aan met daarin een moeder en kind. Het kind komt, als gevolg van deze aanrijding, later in het ziekenhuis te overlijden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2007/57

Uitspraak

Parketnummer: 21-002721-06

Uitspraak d.d.: 10 juli 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 23 juni 2006 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van

26 juni 2007 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

ten aanzien van het onder primair bewezenverklaarde:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd het primair tenlastegelegde bewezen te verklaren en verdachte daarvoor te veroordelen tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De advocaat-generaal acht zeer onvoorzichtig rijgedrag bewezen.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat er geen speciaal of generaal preventieve doelstelling is die hier behoeft te worden nagestreefd. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid ligt daarom niet in de rede.

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Tengevolge van het aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag van verdachte is deze met de door hem bestuurde ambulance op een kruising tegen een personenauto gebotst, waardoor het als bijrijder in de auto zittende nog zeer jonge kind, [slachtoffer], om het leven is gekomen. Zijn ouders en naaste familieleden zijn daardoor diep getroffen.

In het voordeel van verdachte houdt het hof rekening met het feit dat blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie verdachte niet eerder voor een strafbaar feit werd veroordeeld. Ook verdachte beseft het verlies van de nabestaanden van [slachtoffer] en heeft naar het hof is gebleken ook zelf aanmerkelijke psychische gevolgen van dit ongeval ondervonden. Voorts acht het hof van belang dat verdachte reed in de uitoefening van zijn beroep als ambulancechauffeur en op weg was naar een A1 melding en dus om iemand die in zijn leven bedreigd werd te helpen. Gelet op die feiten en omstandigheden acht het hof, anders dan de advocaat-generaal een (gedeeltelijk) onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid niet aan de orde.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te melden duur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur, passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 (oud) en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,

mr H. Abbink en mr J.D. den Hartog, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs, griffier,

en op 10 juli 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.