Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA9132

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
2006/063
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenloop van de vorderingen op grond van artikel 7: 681 en 7: 658 BW. Het hof stelt voorop dat bij samenloop van verschillende regelingen in beginsel beide regelingen van toepassing zijn (cumulatie). Kunnen de rechtsgevolgen van de ene regeling niet gelijktijdig intreden met die van de andere regeling dan heeft de gerechtigde de keuze tussen beide regelingen (alternativiteit). Dit een en ander lijdt slechts uitzondering, indien de wet voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt dat toepasselijkheid van de ene regeling toepasselijkheid van de andere regeling uitsluit (exclusiviteit). [..] Anders dan Roto Smeets heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat in dit geval de artikelen 7: 681 BW en 7: 658 BW naast elkaar kunnen worden toegepast. Geen van deze artikelen verplicht [appellant] een keuze te maken en zijn vordering op (slechts) een van deze artikelen te baseren. Noch uit artikel 7:681 BW noch uit artikel 7: 658 BW kan worden afgeleid dat toepassing van artikel 7: 658 BW de toepasselijkheid van artikel 7: 681 BW uitsluit. Evenmin brengen de hiervoor vermelde wetsartikelen onvermijdelijk mee dat artikel 7: 658 BW ten opzichte van artikel 7: 681 BW als een lex specialis dient te worden beschouwd. Het hof neemt hierbij in aanmerking a. de aard van de in artikel 7: 681 BW vermelde schadevergoeding, die naar billijkheid, rekening houdende met alle omstandigheden van het geval, dient te worden vastgesteld b. de omstandigheid dat niet alleen de financiële gevolgen van de beëindiging van het dienstverband bepalend zijn voor de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is en c. de aard van de in artikel 7: 658 BW vermelde aansprakelijkheid en de in dat artikel gestelde eisen voor toewijzing van een op dat artikel gebaseerde schadevergoeding, met name de “verwijtbaarheid” van de werkgever [..].

Opzegging arbeidsovereenkomst. Het hof stelt voorop dat de rechter zelfstandig moet beslissen over de vraag of de werkgever de dienstbetrekking kennelijk onredelijk heeft doen eindigen en bij de beantwoording van deze vraag alle over en weer voor hem aangevoerde argumenten op hun relevantie dient te onderzoeken, ongeacht of zij reeds ter sprake zijn gebracht bij de behandeling van het verzoek ter verkrijging van een ontslagvergunning.

Het hof is van oordeel dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Roto Smeets per 29 maart 2004, om reden dat [appellant] drie jaar arbeidsongeschikt was, kennelijk onredelijk zou kunnen zijn, indien -allereerst- komt vast te staan dat [appellant] gedurende zijn dienstverband bij Roto Smeets aan het Organo-Psycho-Syndroom (hierna: OPS) is gaan lijden en arbeidsongeschikt is geworden. Roto Smeets heeft niet bestreden dat [appellant] tijdens zijn dienstverband is bloot gesteld aan oplosmiddelen. Voorts zijn partijen het er over eens dat blootstelling aan oplosmiddelen kan leiden tot schade aan de gezondheid, zoals OPS. [..] Op grond van hetgeen in r.o. 5.17 is overwogen dient [appellant] te bewijzen dat hij aan OPS lijdt.

Het hof is voornemens met betrekking tot de vraag of [appellant] aan OPS lijdt een onderzoek door een deskundige te bevelen [..]

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 124
JAR 2007, 206
JA 2007/158
JAR 2007/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2007

vijfde civiele kamer

rolnummer 2006/0063

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

procureur: mr. P.A.C. de Vries,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Roto Smeets B.V.,

gevestigd te Deventer,

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

procureur: mr. F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Deventer) van 17 november 2005, gewezen tussen appellant in het principaal beroep, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel beroep (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde in het principaal beroep, appellante in het voorwaardelijk incidenteel beroep (hierna te noemen: Roto Smeets) als gedaagde. Een fotokopie van dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 29 december 2005 Roto Smeets aangezegd in hoger beroep te komen van het hiervoor genoemde vonnis, met dagvaarding van Roto Smeets voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant], onder overlegging van twee producties, acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en het in eerste aanleg gevorderde zal toewijzen, met veroordeling van Roto Smeets in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Roto Smeets, onder overlegging van één productie, de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Tevens heeft zij voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 november 2005, waarbij zij drie grieven tegen dit vonnis heeft aangevoerd en toegelicht. Roto Smeets heeft in het principaal beroep geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis, zonodig met aanvulling of met verbetering van de rechtsgronden zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties. Roto Smeets heeft in het voorwaardelijk incidenteel beroep geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen overeenkomstig de daartegen gerichte voorwaardelijke incidentele grieven, en opnieuw recht doende, de vorderingen van [appellant], zoals geformuleerd in eerste aanleg bij de dagvaarding van 10 september 2004, alsnog zal afwijzen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.4 Bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel beroep heeft [appellant], onder overlegging van twee producties, de grieven van Roto Smeets bestreden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het voorwaardelijk incidenteel beroep ongegrond zal verklaren, met veroordeling van Roto Smeets in de kosten van dit beroep.

2.5 [appellant] heeft, onder overlegging van één productie, akte verzocht houdende verbetering van eis. Daarbij heeft hij gevorderd dat Roto Smeets zal worden veroordeeld om aan hem te betalen:

a. een bedrag van € 93.672,53 bruto, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, terzake van schadevergoeding ex artikel 7:681 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2004 tot aan de dag van algehele voldoening;

b. een bedrag van € 5.000,- als voorschot op de materiële en immateriële schade die [appellant] heeft geleden en lijdt, op grond van de aansprakelijkheid van Roto Smeets ex artikel 7:658 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 november 2000 tot aan de dag van algehele voldoening;

c. de overige schade, zowel materieel als immaterieel, waaronder begrepen de schade ex artikel 6:96 BW, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf nader te bepalen data van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening en

d. de kosten van deze procedure.

2.6 Roto Smeets heeft akte verzocht houdende bezwaar tegen de wijziging van eis in het principaal beroep.

2.7 [appellant] heeft antwoordakte verzocht.

2.8 Ten slotte hebben beide partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De grieven

3.1 [appellant] heeft in het principaal beroep -zakelijk weergegeven- de volgende grieven aangevoerd. Aangezien grief 6 ontbreekt, zal het hof de grieven 7 tot en met 9 opnieuw nummeren als grief 6, 7 en 8.

Grief 1

[appellant] heeft bewaar tegen de samenvatting van zijn standpunt onder 2 van het vonnis. Daarin overweegt de kantonrechter: “[appellant] heeft daarbij zelf de vraag opgeworpen of beide vorderingen naast elkaar kunnen worden toegewezen.” Onjuist is vervolgens de vaststelling door de kantonrechter “Om die reden heeft hij bij de dagvaarding aangegeven het netto-equivalent van de op deze grondslag toe te kennen vergoeding te willen verrekenen met het bedrag van een toewijzing van zijn vordering op de grondslag van artikel 7: 658 BW.”

Grief 2

Ten onrechte is de kantonrechter van oordeel:

“Waar, zoals in het onderhavige geval, de kennelijke onredelijkheid- mede- wordt gegrond op de tijdens het dienstverband ontstane arbeidsongeschiktheid en de daaruit (…) voortvloeiende gevolgen, is niettemin tot op zekere hoogte sprake van twee vorderingen tot vergoeding van dezelfde schade.” gevolgd door: “Voor zover dat het geval is, moet een keuze gemaakt worden voor één beoordeling omtrent de plicht tot schadevergoeding terzake door de rechter. “

Grief 3

Ten onrechte overweegt de kantonrechter in rechtsoverweging 4 dat een keuze moet worden gemaakt voor één beoordeling omtrent de plicht tot schadevergoeding ter zake door de rechter.

Grief 4

Ten onrechte oordeelt de kantonrechter in rechtsoverweging 5a dat arbeidsongeschiktheid in beginsel een omstandigheid is die voor rekening van de betrokken werknemer komt, voor zover wet noch arbeidsovereenkomst in enige verdeling van dit risico voorzien.

Grief 5

Ten onrechte oordeelt de kantonrechter in rechtsoverweging 5.c dat bij de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag de vraag naar de eventuele verantwoordelijkheid van de werkgever voor de arbeidsongeschiktheid van [appellant] buiten beschouwing moet blijven, waarna hij met toepassing van de maatstaf volgens het gestelde onder rechtsoverweging 5.a tot en met c tot de conclusie komt dat de vordering van [appellant] gestoeld is op de stelling dat hij wegens ziekte is ontslagen na een dienstverband van 14 jaar en zich “afgedankt” voelt, met verwerping van de aangevoerde argumenten (rechtsoverweging 5.d).

Grief 6

Ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 9 c overwogen: “waaruit blijkt dat de Zogenaamde M(aximaal) A(aanvaardbare) C(oncentratie)-waarden (hierna: MAC-waarden) (…) niet zijn overschreden.”

Grief 7

Ten onrechte oordeelt de kantonrechter in rechtsoverweging 13 dat [appellant] er niet in is geslaagd aan te tonen, althans onvoldoende aannemelijk te maken dat zijn gezondheidsklachten door de blootstelling aan schadelijke stoffen zijn veroorzaakt.

Grief 8

Ten onrechte oordeelt de kantonrechter het rapport van het Solvent Team onvoldoende overtuigend omdat niet zou zijn uitgegaan van de juiste blootstellings-gegevens/ arbeidshistorie (rechtsoverweging 14).

3.2 Roto Smeets heeft in het voorwaardelijk incidenteel beroep de volgende grieven aangevoerd:

Grief 1

Ten onrechte overweegt de kantonrechter op pagina 6 e.v. onder 10 dat het beroep van Roto Smeets op verjaring van de vordering van [appellant] verworpen wordt.

Grief 2

Ten onrechte oordeelt de kantonrechter dat er in het kader van het beroep op verjaring door Roto Smeets geen aanleiding is voor een andere beoordeling van de bewijslastverdeling en ten onrechte overweegt de kantonrechter dat er geen aanleiding is Roto Smeets ambtshalve met het bewijs te belasten.

Grief 3

Ten onrechte overweegt de kantonrechter in rechtsoverweging 15 dat [appellant] overeenkomstig zijn algemene bewijsaanbod wordt toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden in dienst van Roto Smeets in zodanige mate is blootgesteld aan schadelijke stoffen dat de door hem gestelde klachten daardoor veroorzaakt kunnen zijn.

4 De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, wordt hieraan het volgende vaststaande feit toegevoegd.

4.1 [appellant] is sedert 15 mei 2002 werkzaam als toezichthouder bij de gemeente Deventer.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 [appellant] heeft in eerste aanleg -na vermeerdering van eis- betaling van Roto Smeets gevorderd van:

1. een bedrag van € 93.672,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag;

b. een bedrag van € 5.000,- als voorschot op immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 november 2000. Deze vordering is gebaseerd op artikel 7: 658 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);

3. de arbeidsvermogensschade, voor zover dit bedrag het netto-equivalent van de toegewezen schadevergoeding uit kennelijk onredelijk ontslag overstijgt, alsmede andere vermogensschade, nader op te maken bij staat, met verwijzing hiervoor naar de schadestaat-procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de (nader te bepalen) dag van opeisbaarheid. Ook deze vordering is gebaseerd op artikel 7: 658 BW;

4. de kosten van de procedure;

5.2 Nadat Roto Smeets zich tegen de hiervoor vermelde vorderingen van [appellant] heeft verweerd, heeft de kantonrechter in het bestreden vonnis de vordering van [appellant] wegens kennelijk onredelijk ontslag afgewezen en met betrekking tot de door [appellant] gevorderde schade op grond van artikel 7: 658 BW [appellant] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat hij bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden in dienst van Roto Smeets in zodanige mate aan schadelijke stoffen is blootgesteld dat de door hem gestelde gezondheidsklachten daardoor veroorzaakt kunnen zijn;

5.3 Het vonnis van de kantonrechter dient, voor zover het de vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag betreft, als een deelvonnis te worden beschouwd. Voor zover het de vordering op grond van artikel 7: 658 BW betreft, dient dit vonnis als een interlocutoir vonnis te worden aangemerkt.

5.4 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 januari 2004, NJ 2005, 510 beslist dat naar het sedert 1 januari 2002 geldende procesrecht, waarin in dagvaardingsprocedures tussentijds beroep van rechtswege is uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald, moet worden aangenomen dat dit wettelijk verbod om tussentijds beroep in te stellen wordt doorbroken in een geval waarin tussen dezelfde partijen meer vorderingen ter beoordeling stonden en de in eerste aanleg oordelende rechter aan een gedeelte van het geschil door een uitdrukkelijk dictum een einde had gemaakt, maar voor een ander gedeelte een interlocutoir tussenvonnis wees. In een zodanig geval moet ook naar het thans geldende recht worden aangenomen dat tussentijds beroep van dat vonnis, ook wat betreft het interlocutoir gedeelte daarvan, steeds mogelijk is omdat een ander stelsel ten gevolge kan hebben dat de berechting van met elkaar samenhangende vorderingen zou worden gesplitst, hetgeen onwenselijk is, onder andere omdat dit kan leiden tot tegenstrijdige beslissingen.

5.5 [appellant] heeft binnen de in artikel 339 Rv vermelde beroepstermijn van drie maanden, hoger beroep tegen het deelvonnis van de kantonrechter ingesteld.

5.6 [appellant] heeft eveneens, binnen de in artikel 339 Rv vermelde beroepstermijn, hoger beroep ingesteld tegen het interlocutoir gedeelte van het vonnis van de kantonrechter. In dit hoger beroep is hij ontvankelijk, gelet op het in rechtsoverweging 5.4 vermelde arrest van de Hoge Raad.

5.7 [appellant] heeft in hoger beroep zijn eis “verbeterd”, zoals in rechtsoverweging 2.5 vermeld. Deze “verbetering” houdt een vermeerdering van eis in, aangezien [appellant] thans -zonder verrekening- zowel schadevergoeding op grond van artikel 7: 681 BW als schadevergoeding op grond van artikel 7: 658 BW vordert. Roto Smeets heeft zich tegen deze eiswijziging verzet omdat deze volgens haar in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

5.8 Het hof verwerpt het bezwaar van Roto Smeets tegen de eiswijziging van [appellant]. Allereerst vloeit de vermeerdering van eis voort uit de rechtstwist die partijen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, hebben gevoerd met betrekking tot vraag in hoeverre samenloop van de vordering op grond van artikel 7: 681 BW en de vordering op grond van artikel 7: 658 BW mogelijk is. Voorts heeft [appellant] met betrekking tot zijn vordering op grond van artikel 7: 658 BW verzocht de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen. Gelet op het voorgaande is van een onredelijke vertraging van de procedure geen sprake en kan evenmin worden aangenomen dat Roto Smeets onredelijk in haar verweer wordt bemoeilijkt.

5.9 Het hof gaat voorts voorbij aan de stelling van Roto Smeets dat de vermeerdering van eis neerkomt op een nieuwe grief. Anders dan Roto Smeets heeft aangevoerd, heeft [appellant] zijn vordering tot toekenning van schadevergoeding steeds gebaseerd op én artikel 7: 681 BW én artikel 7: 658 BW. De vermeerdering van eis komt niet neer op een grief tegen enige overweging of beslissing van de kantonrechter, maar is louter een wijziging van het petitum.

Samenloop van de vorderingen op grond van artikel 7: 681 en 7: 658 BW

5.10 Het hof stelt voorop dat bij samenloop van verschillende regelingen in beginsel beide regelingen van toepassing zijn (cumulatie). Kunnen de rechtsgevolgen van de ene regeling niet gelijktijdig intreden met die van de andere regeling dan heeft de gerechtigde de keuze tussen beide regelingen (alternativiteit). Dit een en ander lijdt slechts uitzondering, indien de wet voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt dat toepasselijkheid van de ene regeling toepasselijkheid van de andere regeling uitsluit (exclusiviteit).

5.11 Partijen zijn het er over eens dat de artikelen 7:681 en 7: 658 BW een verschillende schadeoorzaak kennen. De schadeoorzaak bij artikel 7: 681 BW is de beëindiging van het dienstverband. De schadeoorzaak bij artikel 7: 658 BW is de schending door de werkgever -gedurende het dienstverband- van de jegens de werknemer in acht te nemen zorgplicht. Tevens is tussen partijen niet in geschil dat de aard van de schadevergoeding op grond van de hiervoor vermelde artikelen verschillend is. De schadevergoeding op grond van artikel 7: 681 BW betreft een schadevergoeding naar billijkheid, die door de rechter wordt bepaald aan de hand van alle omstandigheden van het geval en die niet berust op een begroting van de schade die daadwerkelijk uit de beëindiging voortvloeit. De schadevergoeding op grond van artikel 7: 658 BW betreft een vergoeding voor de daadwerkelijk geleden en te lijden (materiële en immateriële) schade.

5.12 Anders dan Roto Smeets heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat in dit geval de artikelen 7: 681 BW en 7: 658 BW naast elkaar kunnen worden toegepast. Geen van deze artikelen verplicht [appellant] een keuze te maken en zijn vordering op (slechts) een van deze artikelen te baseren. Noch uit artikel 7:681 BW noch uit artikel 7: 658 BW kan worden afgeleid dat toepassing van artikel 7: 658 BW de toepasselijkheid van artikel 7: 681 BW uitsluit. Evenmin brengen de hiervoor vermelde wetsartikelen onvermijdelijk mee dat artikel 7: 658 BW ten opzichte van artikel 7: 681 BW als een lex specialis dient te worden beschouwd. Het hof neemt hierbij in aanmerking a. de aard van de in artikel 7: 681 BW vermelde schadevergoeding, die naar billijkheid, rekening houdende met alle omstandigheden van het geval, dient te worden vastgesteld b. de omstandigheid dat niet alleen de financiële gevolgen van de beëindiging van het dienstverband bepalend zijn voor de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is en c. de aard van de in artikel 7: 658 BW vermelde aansprakelijkheid en de in dat artikel gestelde eisen voor toewijzing van een op dat artikel gebaseerde schadevergoeding, met name de “verwijtbaarheid” van de werkgever.

5.13 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slagen de grieven in zoverre 1, 2 en 3 van [appellant].

De vordering op grond van artikel 7: 681 BW

5.14 Uit het kopje “Verjaring vordering ex art. 7:658 BW” op bladzijde 1 van de conclusie van antwoord in eerste aanleg van Roto Smeets leidt het hof af dat Roto Smeets zich er niet op beroept dat de vordering van [appellant] op grond van artikel 7: 681 is verjaard. Ook het hof zal hiervan in het navolgende uitgaan.

5.15 Het hof stelt voorop dat de rechter zelfstandig moet beslissen over de vraag of de werkgever de dienstbetrekking kennelijk onredelijk heeft doen eindigen en bij de beantwoording van deze vraag alle over en weer voor hem aangevoerde argumenten op hun relevantie dient te onderzoeken, ongeacht of zij reeds ter sprake zijn gebracht bij de behandeling van het verzoek ter verkrijging van een ontslagvergunning.

5.16 Het hof is van oordeel dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Roto Smeets per 29 maart 2004, om reden dat [appellant] drie jaar arbeidsongeschikt was, kennelijk onredelijk zou kunnen zijn, indien -allereerst- komt vast te staan dat [appellant] gedurende zijn dienstverband bij Roto Smeets aan het Organo-Psycho-Syndroom (hierna: OPS) is gaan lijden en arbeidsongeschikt is geworden. Roto Smeets heeft niet bestreden dat [appellant] tijdens zijn dienstverband is bloot gesteld aan oplosmiddelen. Voorts zijn partijen het er over eens dat blootstelling aan oplosmiddelen kan leiden tot schade aan de gezondheid, zoals OPS.

5.17 Volgens vaste jurisprudentie moet de kennelijke onredelijkheid door de eisende partij worden gesteld en bij betwisting worden bewezen.

5.18 [appellant] heeft, ten bewijze van zijn stelling dat hij lijdt aan OPS, verwezen naar:

a. een brief van 21 maart 2001 van dr. [neuroloog], neuroloog bij het Solvent Team Enschede, aan de heer [bedrijfsarts], bedrijfsarts bij Arbo Unie in Deventer;

b. een rapportage van drs. [neuropsychologe], neuropsychologe bij het Solvent Team Enschede, naar aanleiding van een door haar op 10 mei 2001 bij [appellant] verricht neuropsychologisch onderzoek;

c. een brief van 4 juli 2001 van dr. [neuroloog], neuroloog bij het Solvent Team Enschede, aan de heer [bedrijfsarts], bedrijfsarts bij Arbo Unie in Deventer.

5.19 Roto Smeets heeft gemotiveerd betwist dat [appellant] aan OPS lijdt, waarbij zij zich onder andere heeft beroepen op:

a. een rapportage van haar medisch adviseur [medisch adviseur] (hierna: [medisch adviseur]) van 8 januari 2003;

b. een rapportage van [medisch adviseur] van 25 april 2003.

5.20 Op grond van hetgeen in rechtsoverweging 5.17 is overwogen dient [appellant] te bewijzen dat hij aan OPS lijdt.

5.21 Het hof is voornemens met betrekking tot de vraag of [appellant] aan OPS lijdt een onderzoek door een deskundige te bevelen en wel door de heer [klinisch arbeidsgeneeskundige], klinisch arbeidsgeneeskundige en hoofd van het Solvent Team van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten te Amsterdam. Het staat deze deskundige vrij, voor zover dit noodzakelijk is voor de beantwoording van de aan hem gestelde vragen, zich in het kader van zijn opdracht te laten adviseren door een bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten werkzame arbeidshygiënist, met name voor zover het gaat om de mate waarin [appellant] bij Roto Smeets aan organische oplosmiddelen is bloot gesteld en de periode waarin dit heeft plaatsgevonden. In dat geval dient de deskundige partijen tevoren hieromtrent in te lichten en gelegenheid te geven daartegen bezwaar te maken.

De vordering op grond van artikel 7: 658 BW

5.22 Ook in verband met de vordering van [appellant] op grond van artikel 7: 658 BW is van doorslaggevend belang of [appellant] aan OPS lijdt.

De (verdere) procedure op grond van artikel 7:681 BW en de procedure met betrekking tot artikel 7: 658 BW

5.23 Met betrekking tot de uitkomst van het hoger beroep tegen het interlocutoir gedeelte van het vonnis van de kantonrechter, dat betrekking heeft op de vordering op grond van artikel 7: 658 BW, zijn de artikelen 355 en 356 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van belang.

5.24 Op grond van artikel 355 Rv verwijst de rechter in beroep, wanneer hij het tussenvonnis bekrachtigt, de zaak naar de rechter in eerste aanleg om op de hoofdzaak te worden beslist. Niettemin kan de rechter in beroep de hoofdzaak in het hoogste ressort zelf afdoen op eenstemmig verlangen van partijen of indien het geding in staat van wijzen is.

5.25 Op grond van artikel 356 Rv kan de rechter, wanneer hij in hoger beroep een tussenvonnis vernietigt, de zaak aan zich houden om in hoger beroep op de hoofdzaak te beslissen.

5.26 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is niet uitgesloten dat het hof in deze zaak tezijnertijd een (eind)beslissing geeft met betrekking tot de vordering op grond van artikel 7:681 BW en dat, indien het hof de (tussen)beslissing van de kantonrechter voor zover het de vordering op grond van artikel 7:658 BW betreft, zou bekrachtigen, de zaak naar de kantonrechter zou moeten worden verwezen ter verdere afdoening. Daarna kunnen partijen desgewenst hoger beroep tegen dit door de kantonrechter uit te spreken vonnis instellen. Het voorgaande zou slechts anders kunnen zijn, indien beide partijen het hof zouden verzoeken ook de vordering op grond van artikel 7: 658 BW in hoogste instantie af te doen.

5.27 Met betrekking tot hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.23 tot en met 5.26 heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen van partijen. In verband hiermee zal een comparitie van partijen worden bepaald, waarbij tevens kan worden onderzocht of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

5.28 Tijdens de comparitie van partijen zal ook het voornemen van het hof (een) deskundige(n) te benoemen, worden besproken. Beide partijen dienen voorafgaande aan de comparitie van partijen met elkaar te overleggen over de aan de deskundige te stellen vragen. Indien zij hieromtrent overeenstemming bereiken, dienen zij de aan de deskundige voor te leggen vragen binnen de hierna te vermelden termijn aan het hof toe te zenden. Tijdens de comparitie van partijen zal tevens de hoogte van het aan de deskundige te betalen voorschot aan de orde komen. Dit voorschot zal tezijnertijd, voorlopig, ten laste van [appellant], de eisende partij, worden gebracht.

Het voorwaardelijk incidenteel appel van Roto Smeets

5.29 Tevens zal tijdens de comparitie van partijen het voorwaardelijk incidenteel appel van Roto Smeets aan de orde komen.

5.30 Verder wordt iedere beslissing aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen ([appellant] in persoon en Roto Smeets vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking), tezamen met hun raadslieden zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. E.B. Knottnerus, die daartoe zitting zal houden op 14 augustus 2007 om 14.00 uur in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 5.23 tot en met 5.29 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat voor deze zitting in beginsel één dagdeel (van maximaal 2,5 uur) beschikbaar is;

bepaalt dat de procureur alleen in geval van dringende verhindering tot twee weken na heden uitsluitend schriftelijk aanhouding kan verzoeken met vermelding van die dringende reden van verhindering en onder opgave van verhinderdata van beide partijen en dat aanhoudingsverzoeken na die datum in beginsel niet worden toegestaan;

bepaalt dat partijen de bescheiden als bedoeld in rechtsoverweging 5.28 in het geding dienen te brengen en dat partijen deze bescheiden tijdig vóór de zitting aan de wederpartij en aan het hof dienen te verzenden, zodanig dat deze uiterlijk een week vóór de zitting kunnen zijn ontvangen;

bepaalt dat partijen, indien zij zich willen beroepen op nieuwe bescheiden, deze tijdig vóór de zitting aan de wederpartij en aan het hof dienen te verzenden, zodanig dat deze uiterlijk een week vóór de zitting kunnen zijn ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Loo, Knottnerus en Groefsema en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2007.