Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA9013

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
2005/626
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De wet kent aan een in zijn hoedanigheid als in privé aansprakelijke bestuurder geen rechtsingang toe om bezwaar te maken tegen de hoogte van het faillissementstekort. Het bezwaar van [appellant] heeft derhalve geen rechtstreekse invloed op de toewijsbaarheid van het thans door de curator gevorderde. Wel zou - indien de gefailleerde op grond van de thans door [appellant] aangedragen argumenten inlichtingen verschaft die leiden tot een verlaging van het totaal van de erkende schuldvorderingen - een verlaging van het uiteindelijke faillissementstekort denkbaar zijn.

Het hof is echter van oordeel dat de stellingen van [appellant] geen aanleiding geven twijfel uit te spreken over de juistheid van het door de curator opgegeven faillissementstekort.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 111
Faillissementswet 126
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 472
RI 2007, 6
JOR 2007/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 juni 2007

eerste civiele kamer

rolnummer: 2005/626

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,

appellant,

procureur: mr. T.J. van Veen,

tegen:

mr. Wieger Jan Beks,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de B.V.],

wonende te België,

kantoorhoudende te Doorn,

geïntimeerde,

procureur: mr. P.M. Wilmink.

1 Het verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van het geding tot 9 mei 2006 verwijst het hof naar het in deze zaak tussen de partijen (hierna wederom te noemen: ‘[appellant]’ respectievelijk ‘de curator’) in deze zaak gewezen tussenarrest van die datum.

1.2 Bij genoemd tussenarrest zijn de partijen in de gelegenheid gesteld nader aangeduide stukken in het geding te brengen en nadere inlichtingen te verstrekken over hetgeen zich heeft voorgedaan bij de afwikkeling van het faillissement van [de B.V.]

Alleen de curator heeft vervolgens bij akte stukken overgelegd en nadere inlichtingen verstrekt.

[appellant] heeft afgezien van het nemen van een antwoordakte.

1.3 Daarna hebben de partijen de stukken wederom aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Het hof verwijst naar hetgeen in het tussenarrest van 9 mei 2006 is overwogen en beslist. Het hof blijft daarbij.

2.2 De curator heeft bij akte in hoger beroep inlichtingen verstrekt en diverse bescheiden in het geding gebracht. Het hof acht zich thans voldoende voorgelicht.

2.3 De volgende feiten zijn van belang:

- bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 16 mei 1990 is [de B.V.] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. W.J. Beks tot curator;

- [appellant] was bestuurder van voornoemde vennootschap;

- de rechtbank Arnhem heeft in haar vonnis van 2 december 1993 geoordeeld dat [appellant] zijn taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en heeft [appellant] veroordeeld tot betaling aan de curator van het faillissementstekort van [de B.V.], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- voornoemd vonnis van 2 december 1993 is onherroepelijk geworden.

2.4 Het gaat in deze zaak om de hoogte van het faillissementstekort van [de B.V.]

De curator heeft dit faillissementstekort vastgesteld op een bedrag van ƒ 327.706,79 (€ 148.706,85) en heeft van dit tekort de volgende specificatie gegeven:

1) Salaris en verschotten curator conform beschikking

d.d. 23 december 1994 van de rechtbank Arnhem ƒ 36.592,68

2) Ontvanger der Rijksbelastingen wegens

- Vpb 1986 t/m 1990 ƒ 185.723,--

- OB 2e kwartaal 1988 t/m april 1989 ƒ 42.964,32

- LB augustus 1988 t/m februari 1989 ƒ 3.513.—

- Premieheffing W.G. juli 1988 t/m februari 1989 ƒ 13.182,73

3) Bedrijfsvereniging (BV 25)

- premie 1987 t/m 1990 ƒ 17.872,--

- rente en kosten ƒ 2.080,--

- aanvraagkosten faillissement ƒ 610,--

4) Gemeente Ede wegens

- verzorging reclameborden ƒ 2.850,--

- rente naar 1% per maand tot 16 mei 1990 ƒ 1.207,10

- incassokosten ƒ 608,57

- BTW over incassokosten ƒ 106,50

5) Hasselaar & Co te Bennekom wegens administratieve

werkzaamheden ƒ 15.398,--

6) Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Midden-

Gelderland wegens

- jaarlijkse bijdrage 1989 ƒ 72,75

- jaarlijkse bijdrage 1990 ƒ 72,25

7) BBI Bedrijfsinformatie B.V. wegens advertentiekosten

Tele-Index ƒ 419,--

8) N.V. Nederlandse Spoorwegen wegens

- kosten van onderzoek aanvraag ontheffing ex artikel 36

Spoorwet tot oprichting van een gebouw ƒ 3.702,72

- wettelijke rente hierover van 13 maart 1990 tot 16 mei 1990 ƒ 64,92

9) P.G.E.M. N.V. te Apeldoorn wegens

- levering energie ƒ 528,82

- kosten ƒ 138,43

2.5 [appellant] bestrijdt de vorderingen met de nummers 1, 6, 7 en 9 niet. Tegen de overige vorderingen voert [appellant] gemotiveerd verweer.

2.6 Het hof stelt vast dat in het faillissement van [de B.V.] een verificatievergadering tot dusverre niet heeft plaatsgevonden.

[appellant] zou tijdens een verificatievergadering, in zijn hoedanigheid van bestuurder, (desgevraagd) de in artikel 116 in verband met artikel 117 van de Faillissementswet (Fw) genoemde inlichtingen, waaronder die over het bestaan en de omvang van de hiervoor onder 2, 3, 4, 5 en 8 genoemde vorderingen op de gefailleerde vennoot-schap hebben kunnen geven.

2.7 De omvang van het te verwachten faillissementstekort kan echter ook worden vastgesteld indien (nog) geen verificatievergadering heeft plaatsgevonden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 111 Fw vindt de eigenlijke verificatie (het onderzoek naar de deugdelijkheid van de ingediende vorderingen) namelijk al vóór de verificatie-vergadering plaats. Dit gebeurt door de curator. Bij zijn onderzoek kan de curator de gefailleerde vragen om inlichtingen te verschaffen (vergelijk het bepaalde in artikel 105 Fw).

Naar analogie van het bepaalde in artikel 126 Fw (indien wèl een verificatievergadering plaatsvindt) kan ervan worden uitgegaan dat de gefailleerde ook in het onderhavige geval, dus nog vóór een verificatievergadering, de bevoegdheid heeft om zich, onder summiere opgaaf van zijn gronden, te verzetten tegen de toelating van een vordering, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, of tegen de erkenning van de beweerde voorrang.

2.8 Het hof stelt vast dat in deze zaak de gefailleerde, [de B.V.], geen partij is. Wèl partij is haar bestuurder [appellant], als de partij die bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing is veroordeeld tot betaling van het faillissementstekort in [de B.V.]

De wet kent aan [appellant] in zijn hoedanigheid als in privé aansprakelijke bestuurder geen rechtsingang toe om bezwaar te maken tegen de hoogte van het faillissementstekort. Het bezwaar van [appellant] heeft derhalve geen rechtstreekse invloed op de toewijsbaarheid van het thans door de curator gevorderde. Wel zou - indien de gefailleerde op grond van de thans door [appellant] aangedragen argumenten inlichtingen verschaft die leiden tot een verlaging van het totaal van de erkende schuldvorderingen - een verlaging van het uiteindelijke faillissementstekort denkbaar zijn.

Het hof is echter van oordeel dat de stellingen van [appellant] geen aanleiding geven twijfel uit te spreken over de juistheid van het door de curator opgegeven faillissementstekort.

2.9 Zo blijkt het bestaan van de vorderingen van de Ontvanger der Rijksbelastingen reeds voldoende uit het formeel bestaan van de aanslagen.

Weliswaar heeft [appellant] aangevoerd dat hij een schikking met de belastingdienst heeft getroffen, inhoudende dat na betaling van ƒ 75.000,-- hij en alle door hem op dat moment aangestuurde vennootschappen geacht werden aan hun verplichtingen te hebben voldaan, maar de curator heeft in alle redelijkheid kunnen en mogen beslissen dat hij de aanslagen niet zou bestrijden, in die zin dat hij niet zou trachten alsnog een ambtshalve vermindering van die aanslagen te verkrijgen. Het beroep van de curator op de brief van de Ontvanger van 15 maart 1995 (productie 1 bij memorie van antwoord), waarin nadrukkelijk en onderbouwd is ontkend dat de schikking ook betrekking had op de onderhavige vorderingen, is voldoende overtuigend en door [appellant] ook onvoldoende concreet weersproken.

2.10 De curator heeft ook de overige vorderingen voldoende onderbouwd en toegelicht.

De - enkele - mededeling bij memorie van grieven (onder 20) van [appellant] ‘voorzover [appellant] bekend bestond er geen verplichting meer van [app[de B.V.] jegens de bedrijfsvereniging en was ook aan eventuele verplichtingen jegens de gemeente Ede terzake van verzorging van reclameborden geheel voldaan’ geeft daaraan te weinig tegenwicht.

Datzelfde geldt voor de aldaar opgenomen mededeling van [appellant] ‘Hasselaar en Co was niet de accountant van [de B.V.] zodat aan die onderneming geen enkele verplichting heeft bestaan.’. Daarbij komt dat de curator bij memorie van antwoord een brief van 7 juni 1988 van [appellant] aan genoemde accountant heeft gevoegd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van tussen [appellant] (Makelaardij o.g. Ede) en de accountant bestaande zakelijke relatie.

Ten slotte geldt hetzelfde oordeel voor de mededeling van [appellant] over de vordering van de Nederlandse Spoorwegen:

‘Met de Nederlandse Spoorwegen heeft [de B.V.] in het geheel geen zaken gedaan, zodat [de B.V.] aan die onderneming geen enkele verplichting kan hebben.’. Een dergelijke mededeling is geen adequate reactie op de voldoende gespecificeerde opgave van de curator.

2.11 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof niet toekomt aan bewijslevering.

2.12 De conclusie moet zijn dat ook het hof de door de curator tegen [appellant] ingestelde vordering tot betaling van het faillissementstekort ter hoogte van ƒ 327.706,79 (€ 148.706,85) toewijsbaar acht.

3 Slotsom

Het hoger beroep treft geen doel. Het vonnis waarvan beroep moet, onder aanvulling van de gronden, worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt het tussen de partijen in oppositie gewezen vonnis van de rechtbank Arnhem van 29 september 2004,

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator bepaald op € 4.460,-- aan verschotten en op € 3.948,-- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Smeeïng-van Hees, Rijken en Van den Brink, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2007.