Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA8423

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
1202/2006
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is er voldoende belang voor benoeming bijzonder curator?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2007

Familiekamer

Rekestnummer 1202/2006

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel,

gevestigd te Enschede,

verzoekster, verder te noemen “de stichting”,

tegen

mr. B. Bentem, in zijn hoedanigheid van gemachtigde van

[betrokkene], verder te noemen “[betrokkene]”,

kantoorhoudende te Oldenzaal,

verweerder, verder te noemen “mr. Bentem”,

procureur: mr. P.A.C. de Vries.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het verzoek van de bijzonder curator van 14 september 2006, waarop de beschikking van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede van 18 september 2006, uitgesproken onder zaaknummer 229522 en rolnummer 4566/06 is gesteld.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 november 2006, is de stichting in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De stichting verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en de bijzonder curator te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.2 Binnen de gestelde termijn is geen verweerschrift ingediend.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2007 plaatsgevonden. Mr. Bentem is in persoon verschenen als gemachtigde van [betrokkene]. Namens de stichting zijn verschenen [...], [...] en [...] en namens de raad [...]. Tevens is de advocaat van de hierna nader te noemen vader van [betrokkene] verschenen, mr. A. van Eijkeren, advocaat te Naaldwijk.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de procureur van [betrokkene] van 28 maart 2007 met bijlagen alsmede de tijdens de mondelinge behandeling door mr. Bentem overgelegde stukken van de Stichting Defence for Children International Nederland.

3 De vaststaande feiten

3.1 Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van [de vader] (verder te noemen de vader) en [de moeder] (verder te noemen “de moeder”) is op [geboortedatum] 1998 [betrokkene] geboren, over wie de vader en de moeder gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2 De vader en de moeder voeren al jaren een juridische strijd over de verblijfplaats van [betrokkene] en de omgangsregeling tussen [betrokkene] en de vader.

3.3 Bij arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 7 juni 2006 is [betrokkene] voorlopig toevertrouwd aan de man, in die zin dat [betrokkene] zijn verblijfplaats zal hebben bij de man totdat er door de rechtbank ten aanzien van [betrokkene] een eindbeschikking zal zijn gewezen omtrent het gezag en de hoofdverblijfplaats. Daarbij is de moeder veroordeeld om [betrokkene] binnen twee dagen na betekening van het arrest aan de vader af te geven, tevens is de vader gemachtigd om dat arrest ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie.

3.4 Bij beschikking van 28 juli 2006 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo, op verzoek van de officier van justitie te Almelo, [betrokkene] voorlopig onder toezicht gesteld van de stichting met ingang van 28 juli 2006 tot en met 9 augustus 2006 en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.5 Bij beschikking van 9 augustus 2006 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo, op verzoek van de officier van justitie te Almelo, de voorlopige ondertoezichtstelling van [betrokkene] door de stichting verlengd tot en met 27 oktober 2006.

3.6 Bij vonnis in kort geding van 18 augustus 2006 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage de vordering van de vader tegen de Staat der Nederlanden ten einde de officier van justitie te Almelo te gelasten tot de tenuitvoerlegging van het arrest van het hof te ’s-Gravenhage van 7 juni 2006 over te gaan, in die zin dat [betrokkene] wordt afgegeven aan de vader of zijn gemachtigde, afgewezen.

3.7 Bij beschikking van 4 september 2006 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo, op verzoek van de stichting, met ingang van 4 september 2006 machtiging verleend tot spoedplaatsing van [betrokkene] in een voorziening voor pleegzorg tot 7 september 2006 en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.8 Bij beschikking van 8 september 2006 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo, op verzoek van de stichting, de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [betrokkene] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 27 oktober 2006.

3.9 Op 18 september 2006 heeft de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede, het verzoek van [betrokkene] om mr. Bentem te benoemen tot bijzonder curator, teneinde [betrokkene] te kunnen bijstaan in de belangstrijd, in het bijzonder daar waar een juridische strijd tussen de moeder en de vader gaande is, alsmede voor zover de stichting de belangen van [betrokkene] uit het oog verliest, toegestaan als verzocht.

3.10 Bij beschikking van 18 oktober 2006 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo, op verzoek van de raad, [betrokkene] met ingang van 18 oktober 2006 onder toezicht gesteld tot 18 oktober 2007, de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [betrokkene] verlengd tot 18 oktober 2007 en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.11 Bij vonnis van 13 oktober 2007 heeft de voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, van de rechtbank Almelo de vorderingen van de bijzonder curator om de stichting te gebieden onmiddellijk na de uitspraak de gegevens van [betrokkene] aan de bijzonder curator kenbaar te maken, waaronder begrepen zijn adres en telefoonnummer(s), dit alles op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, voor iedere dag dat de stichting na betekening van het vonnis in gebreke blijft met de nakoming/uitvoering ervan, met veroordeling van de stichting in de kosten van de procedure en [betrokkene] te ontslaan van de verplichting tot het betalen van griffierecht door gebrek aan financiële middelen, indien de stichting niet wordt veroordeeld in de proceskosten, afgewezen en de bijzonder curator veroordeeld in de kosten van de procedure.

3.12 Krachtens voormelde machtigingen tot uithuisplaatsing verbleef [betrokkene] vanaf 4 september 2006 tot eind april 2007 op een bij de stichting bekend neutraal adres. Sinds eind april 2007 verblijft [betrokkene] op grond van het advies van FORA en na onderling overleg tussen de vader en de moeder en vooruitlopend op een in overeenstemming met een reeds aangekondigde beslissing van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage, weer in het gezin van de moeder en vindt er tussen de vader en [betrokkene] omgang plaats, welke omgangsregeling verder zal worden opgebouwd.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd zijn met die van de minderjarige, benoemt de rechtbank, sector kanton, op grond van artikel 1:250 BW, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzonder curator om de minderjarige terzake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.

4.2 Nu in deze de ouders met het ouderlijk gezag zijn belast, de stichting enkel in het kader van de ondertoezichtstelling bij [betrokkene] is betrokken en derhalve geen voogdij over hem heeft, is het door [betrokkene] onder 3.9 bedoelde verzoek om mr. Bentem te benoemen tot bijzonder curator, voor zover dit ziet op het onderdeel dat de gezinsvoogdij-instelling de belangen van [betrokkene] uit het oog verliest, niet ontvankelijk. Het hof zal daarom de bestreden beschikking voor zover dat ziet op dat onderdeel vernietigen.

4.3 Voor wat betreft het verzoek in eerste aanleg van [betrokkene] tot benoeming van mr. Bentem tot bijzonder curator over [betrokkene] om hem te kunnen bijstaan in de belangenstrijd, in het bijzonder daar waar een juridische strijd gaande is tussen de moeder en de vader, overweegt het hof als volgt.

4.4 Het hof stelt voorop dat uit artikel 1:250 BW volgt dat de rechter slechts tot benoeming van een bijzonder curator over mag gaan, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is, mede gezien de aard van de belangenstrijd. Daarmee is bedoeld tot uitdrukking te brengen dat slechts bij wezenlijke conflicten met betrekking tot de verzorging en opvoeding een bijzonder curator kan worden benoemd. De kantonrechter, die bij zijn oordeelsvorming de aard en de ernst van het bestaande conflict en het belang van het kind bij vertegenwoordiging door een bijzonder curator dient te betrekken, dient zo nodig zelf na te gaan of de aan de orde gestelde problemen zich voor concretisering lenen zodat hij, indien hij benoeming van een bijzonder curator noodzakelijk acht, een aan de omstandigheden van het geval aangepaste taakomschrijving van de bijzonder curator kan geven. Als die concretisering niet in het verzoek voorkomt, zal de rechter die concretisering nader moeten bepalen.

4.5 Naar het oordeel van het hof heeft mr. Bentem in het onder 3.9 bedoelde verzoek onvoldoende geconcretiseerd wat naar zijn mening de aard en de ernst van het bestaande conflict tussen [betrokkene] en zijn ouders betrof en wat concreet de belangenstrijd tussen hen inhield. Evenmin is door hem geconcretiseerd welk belang van [betrokkene] ermee was gediend om, naast benoeming van een gezinsvoogd in het kader van de uitgesproken ondertoezichtstelling, tevens een bijzonder curator te benoemen, daarbij in het bijzonder de aard en de ernst van de belangenstrijd in aanmerking genomen. Op grond van het vorenstaande had naar het oordeel van het hof de kantonrechter alvorens tot benoeming van de bijzonder curator over te gaan moeten onderzoeken of de door mr. Bentem gestelde problemen concretisering behoefden. Niet aannemelijk is dat de kantonrechter zulks heeft gedaan, nu hij het verzoek van [betrokkene] heeft toegewezen zoals verzocht, zonder daartoe eerst de overige belanghebbenden te horen en hun mening hieromtrent te vragen, hetgeen gezien het feit dat [betrokkene] reeds op 28 juli 2006 voorlopig onder toezicht is gesteld en dit feit ook in het verzoekschrift van [betrokkene] is benoemd, wel passend zou zijn geweest. Evenmin heeft de rechter in de bestreden beschikking gemotiveerd overwogen welke gronden en uitgangspunten hij aan zijn beschikking ten grondslag heeft gelegd en hoe de taakomschrijving van de bijzonder curator er uit zou moeten komen te zien. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd.

4.6 Anders dan mr. Bentem - namens [betrokkene] - is het hof van oordeel dat er ook thans geen concrete omstandigheden zijn die maken dat tot benoeming van een bijzonder curator zou moeten worden overgegaan. Zoals onder de vaststaande feiten is weergegeven, is in het kader van de ondertoezichtstelling een gezinsvoogd benoemd. Het hof heeft geen reden er aan te twijfelen dat de belangen van [betrokkene] daarmee niet voldoende gewaarborgd worden. Daar komt bij dat ter gelegenheid van de mondelinge behandeling onweersproken is gesteld dat de ouders [betrokkene] eind april 2007 in onderling overleg en in samenspraak met de gezinsvoogd [betrokkene] weer in het gezin van de moeder hebben geplaatst. Onder begeleiding van de gezinsvoogd is inmiddels een aanvang gemaakt met het opbouwen van een omgangsregeling tussen de vader en [betrokkene]. Niet aannemelijk is dan ook dat er sprake is van een belangenstrijd tussen de ouders en [betrokkene] dan wel dat, zo daar al sprake van zou zijn, één en ander niet door de gezinsvoogd in goede banen zou kunnen worden geleid. De enkele vrees van mr. Bentem dat één en ander in de toekomst wellicht niet goed zal verlopen acht het hof onvoldoende om anders te beslissen.

4.7 Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking dient te vernietigen.

4.8 Gezien de aard van de procedure ziet het hof aanleiding om de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede van 18 september 2006;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Wammes, Van Gelder en Van der Wiel-Rammeloo en is op 12 juni 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.