Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA8409

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
2006/971
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat FCE in strijd met het bepaalde in - het ten tijde van de litigieuze kredietverstrekking geldende - artikel 28 Wck lichtvaardig aan [appellant] een lening heeft verstrekt. De handgeschreven aantekening op productie 13 luidt als volgt: ‘Uitkering via sociale dienst. Als hij 24 jaar is komt hij in de wao. Klant heeft hartproblemen. Heeft hiervoor ± 7 maanden bij heftruckbouw Heijste gewerkt. Inwonend bij ouders, geen kostgeld. Kan niks aanbetalen. Klant kan 500/600 per maand betalen. Per uur 12/13. Uitzendburo’. Deze vragen oproepende gegevens zouden de verkoper van FCE ertoe moeten hebben gebracht een bewijsstuk van het toenmalige (soort en hoogte van) inkomen van [appellant] te verlangen (in de zin van het daadwerkelijk verkrijgen) alvorens de kredietaanvraag in gang te zetten. Dit klemt temeer omdat volgens die aantekeningen [appellant] ‘niks kan aanbetalen’ en kennelijk ook niet onder ogen is gezien de mogelijkheid dat [appellant] op enig moment wel kostgeld aan zijn ouders zou moeten betalen of anderszins vaste lasten zou krijgen, waar in zodanige situatie toch te voorzien is dat [appellant] met een (verondersteld) inkomen van f 1.178,-- netto per maand en een aflossingsbedrag van f 566,47 per maand spoedig in financiële problemen zou komen. Vast staat dat FCE niet beschikte over enig bewijsstuk van het (zo al aanwezige) inkomen van [appellant].

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 203
Burgerlijk Wetboek Boek 6 210
Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht 4:34
Wet op het consumentenkrediet
Wet op het consumentenkrediet 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 349
JA 2007/127 met annotatie van M.W. Scheltema
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juni 2007

eerste civiele kamer

rolnummer 2006/971

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. A. Dregmans,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht

FCE Bank PLC,

mede handelende onder de naam Autofirma en Mazda Finance,

gevestigd te Brentwood Essex, Verenigd Koninkrijk,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.B.R. Daniels.

1 Het geding in eerste aanleg

De rechtbank Arnhem, sector kanton (locatie Nijmegen), heeft op 27 januari 2006 een tussenvonnis en op 19 mei 2006 een eindvonnis uitgesproken in het geschil tussen appellant, hierna te noemen [appellant], als gedaagde en geïntimeerde, hierna te noemen FCE, als eiseres. Die vonnissen zijn in kopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 10 augustus 2006 heeft [appellant] aan FCE aangezegd in hoger beroep te komen van de beide vermelde vonnissen, met gelijktijdige dagvaarding van FCE voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het eindvonnis aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd dat het hof de beide vonnissen waarvan beroep zal vernietigen – zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden – en, opnieuw rechtdoende, FCE niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, dan wel haar vorderingen zal ontzeggen dan wel zal afwijzen, met veroordeling van FCE in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft FCE de grieven van [appellant] bestreden, bewijs aangeboden, en geconcludeerd dat het hof bij arrest, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, het vermelde eindvonnis zal bekrachtigen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van beide instanties (lees:) het hoger beroep.

2.4 Daarna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

Tegen de in het tussenvonnis van 27 januari 2006 onder 1.1 tot en met 1.5 vastgestelde feiten is geen grief gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Tegen het tussenvonnis van 27 januari 2006 heeft [appellant] geen grief gericht, zodat hij in zijn hoger beroep van dit vonnis niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

4.2 Nu tegen vermeld vonnis geen grief of bezwaar is gericht, staat tevens het volgende vast. De overeenkomst van 5 september 1998 is een overeenkomst van huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h lid 3 juncto lid 1 BW (rov. 3.4 van dat vonnis). Deze overeenkomst valt onder de werking van de Wet op het consumentenkrediet (Wck), omdat die overeenkomst een krediettransactie bevat, [A.] als verkoper en FCE als kredietverstrekker deelnemen in de uitoefening van een bedrijf of beroep en [appellant] een natuurlijk persoon is (rov. 3.7 van dat vonnis). Gelet op rov. 3.6 van dat vonnis dient er in hoger beroep van te worden uitgegaan dat FCE de litigieuze auto niet voor een veel te laag bedrag heeft verkocht en gelet op rov. 3.3 van dat vonnis staat de vordering van FCE tot betaling door [appellant] van in hoofdsom een bedrag van € 12.229,73 ook vast.

4.3 [appellant] heeft evenmin een grief gericht tegen de overwegingen onder 5 tot en met 7 van het eindvonnis, in welke overwegingen het beroep van [appellant] op schending door FCE van artikel 30 lid 2 Wck is verworpen.

4.4 Het gaat in hoger beroep uitsluitend om de vraag of FCE in strijd met het bepaalde in artikel 28 Wck lichtvaardig aan [appellant] een lening heeft verstrekt. De daarop betrekking hebbende drie grieven kan het hof gezamenlijk behandelen.

4.5 FCE heeft op dit punt het volgende gesteld. Zij heeft de kredietwaardigheid van [appellant] getoetst bij het BKR (productie 12 akte uitlating in eerste aanleg). Daarnaast heeft zij onderzoek gedaan naar het inkomen van [appellant] en gekeken naar het toekomstperspectief van hem (productie 13 bij de vermelde akte). Uit dat onderzoek is gebleken dat [appellant] ten tijde van het aangaan van de kredietovereenkomst op 5 september 1998 een inkomen had van f 1.178,-- netto per maand en dat hij geen vaste lasten had. Het overzicht aanvraaggegevens (de vermelde productie 13) is volgens FCE in gezamenlijk overleg met [appellant] ingevuld, in welk verband de verkoper van FCE gevraagd heeft naar een salarisstrook van [appellant], en [appellant] heeft toen gezegd dat hij vermeld maandbedrag als uitkering bij de sociale dienst genoot. Volgens FCE heeft zij hiermee niet in strijd gehandeld met artikel 28 Wck.

4.6 [appellant] stelt dat hij in het bewuste gesprek met de verkoper heeft gezegd dat hij niet over een inkomen beschikte, dat hij nog bij zijn ouders inwoonde ([appellant] was toen 22 jaar) en dat hij aan zijn ouders geen kostgeld behoefde te betalen. Voorts dat hij bij een bedrijf (Heijster) had gewerkt, doch daar was ontslagen en geen recht op een WW-uitkering had, zodat hij wellicht in de toekomst een uitkering bij de sociale dienst zou moeten aanvragen. In dat gesprek, zo stelt [appellant], is hem niet gevraagd naar een identiteitsbewijs en ook niet naar een loon/uitkeringsbriefje. [appellant] bestrijdt dat hij toen het bedrag van f 1.178,-- als zijn inkomen heeft opgegeven. De gegevens (van productie 13) zijn dus, aldus [appellant], deels onjuist en op geen enkele wijze geverifieerd.

4.7 Het hof is van oordeel dat FCE in strijd met het bepaalde in - het ten tijde van de litigieuze kredietverstrekking geldende - artikel 28 Wck lichtvaardig aan [appellant] een lening heeft verstrekt. De handgeschreven aantekening op productie 13 luidt als volgt: ‘Uitkering via sociale dienst. Als hij 24 jaar is komt hij in de wao. Klant heeft hartproblemen. Heeft hiervoor ± 7 maanden bij heftruckbouw Heijste gewerkt. Inwonend bij ouders, geen kostgeld. Kan niks aanbetalen. Klant kan 500/600 per maand betalen. Per uur 12/13. Uitzendburo’. Deze vragen oproepende gegevens zouden de verkoper van FCE ertoe moeten hebben gebracht een bewijsstuk van het toenmalige (soort en hoogte van) inkomen van [appellant] te verlangen (in de zin van het daadwerkelijk verkrijgen) alvorens de kredietaanvraag in gang te zetten. Dit klemt temeer omdat volgens die aantekeningen [appellant] ‘niks kan aanbetalen’ en kennelijk ook niet onder ogen is gezien de mogelijkheid dat [appellant] op enig moment wel kostgeld aan zijn ouders zou moeten betalen of anderszins vaste lasten zou krijgen, waar in zodanige situatie toch te voorzien is dat [appellant] met een (verondersteld) inkomen van f 1.178,-- netto per maand en een aflossingsbedrag van f 566,47 per maand spoedig in financiële problemen zou komen. Vast staat dat FCE niet beschikte over enig bewijsstuk van het (zo al aanwezige) inkomen van [appellant].

4.8 FCE had mitsdien gelet op het bepaalde in artikel 28 Wck niet mogen deelnemen aan de litigieuze krediettransactie. Gelet op de inhoud en de strekking van die wetsbepaling moet de overeenkomst tussen partijen – gelet op het beroep daarop door [appellant] – voor nietig worden gehouden.

4.9 FCE heeft nog aangevoerd dat [appellant] dermate laat het verweer heeft gevoerd, dat in redelijkheid geen beroep kan worden gedaan op vernietiging van de overeenkomst (akte uitlating onder 7). Waar FCE dit standpunt niet nader feitelijk heeft onderbouwd, verwerpt het hof dit verweer.

4.10 Ook verwerpt het hof het beroep van FCE op mogelijke feitelijke problemen bij de uitvoering van de ongedaanmakingsverbintenissen als gevolg van een nietigverklaring van de litigieuze overeenkomst, die overigens onvoldoende aangetoond zijn, reeds omdat in deze procedure uitsluitend de nakomingsactie zijdens FCE aan de orde is.

4.11 Uit het vorenoverwogene volgt dat FCE geen nakoming van die overeenkomst kan vorderen en haar vordering dient te worden afgewezen.

4.12 FCE heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, het hof tot een andere uitkomst zouden kunnen brengen, zodat haar bewijsaanbod wordt gepasseerd.

4.13 De slotsom luidt dat de grieven slagen. Het eindvonnis dient te worden vernietigd. De vordering van FCE dient alsnog te worden afgewezen. FCE dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in die van het hoger beroep.

5 Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het vonnis van 27 januari 2006;

vernietigt het vonnis waarvan beroep van 19 mei 2006, en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van FCE af;

veroordeelt FCE in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op nihil;

veroordeelt FCE in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.226,87, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen) het bedrag van € 1.164,87 te weten:

- € 186,-- wegens in debet gesteld griffierecht,

- € 84,87 wegens kosten appèlexploot,

- € 894,-- wegens salaris van de procureur,

en het restant ad € 62,-- aan de procureur van [appellant] wegens diens eigen aandeel

in het griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rijken, Smeeïng-van Hees en Groen en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 5 juni 2007.